Publicatiedatum: 14 september 2020 

Deze week komt de rijksbegroting uit, naar verluidt zonder bezuinigingen, ondanks de hoge kosten van de pandemie. Er komt een wel een investeringsfonds. De markten zullen onze staatsschuld graag opnemen en zich geen zorgen maken om de betaalbaarheid. Daar is ook alle reden toe. Zo heeft Japan al vele jaren een staatsschuld die tweemaal zo groot is als het nationaal inkomen. Staatsschuld uitdrukken als een percentage van het nationaal inkomen geeft de indruk dat de staat bovenmatig in de schulden zit als deze boven de 100% geraakt. De Maastricht-norm van 60% klinkt al hoog zat. Maar waar kijken we eigenlijk naar? De staatsschuld is een grootte die wordt uitgedrukt in de valuta waar die in luidt. Het nationaal inkomen is een stroom en wordt uitgedrukt in de valuta per jaar. Als je de omvang van een voorraad wilt vergelijken met die van een stroom, vergelijk je appels met peren. Als je euro’s deelt door euro’s per jaar krijg je een uitkomst in jaren, niet in procenten.

Een staatsschuld die 100% is van het bbp betekent dus eigenlijk dat een jaar nationaal inkomen nodig is om de staatsschuld af te lossen. Een hypotheek van één maal het jaarinkomen is natuurlijk alles-behalve een schrikbeeld, zeker voor een overheid die een oneindige horizon heeft. Waarom kunnen landen dan soms toch in problemen komen met een staatsschuld van een dergelijke omvang? Dat gebeurt bijvoorbeeld als de schuldeisers zich plotseling allemaal melden omdat ze het vertrouwen in het land of de valuta kwijt zijn. Vooral als het land afhankelijk is van buitenlandse schuldeisers kan dat gebeuren. Zit de schuld voornamelijk bij de binnenlandse beleggers, dan is schuld makkelijk te vereffenen via belastingheffing. Het belangrijkst is natuurlijk de prijs van de schuld. Als die nihil is, is een goede investering op termijn snel terugverdiend.

Geen zorgen om staatsschuld

Terug naar Beleggingsnieuws