Publicatiedatum: 8 februari 2021 

De Europese inflatiecijfers over januari lieten een stijging zien van 0,9% en dat is 1,2%-punt hoger dan in december. De kerninflatie (exclusief de volatiele prijzen voor energie en verse levensmiddelen) steeg ook 120 basispunten van 0,2% naar 1,4% jaar-op-jaar. De inflatieverwachtingen in de markt zijn inmiddels toegenomen tot het hoogste punt sinds april 2019 en dus hoger dan in de twaalf maanden voor we de pandemie in gingen.

Dat beleggers dit jaar ook meer aandacht hebben voor inflatierisico’s blijft niet beperkt tot de outlooks van de investment banks. Het rendement op inflatieleningen is dit jaar al 0,71% tegenover een verlies van 0,84% op gewone staatsleningen in euro. In tijden van negatieve rentes is 1,55%-punt een fors gat. Voor internatio-nale beleggers was het verschil nog iets groter met een plus van 0,62% tegen een verlies van 2,11% op staatslenin¬gen in de VS. De hogere rente in de VS, waar de tienjaarsrente steeg met 0,65%-punt naar 1,16% in de afgelopen zes maanden, was voor 90% te wijten aan de hogere inflatieverwachting die steeg van 1,85% naar 2,44%. Centrale banken zullen blij zijn dat de inflatie-verwachtingen toenemen, terwijl de reële rente laag blijft en zo de economie stimuleert.

Ook voor aandelen¬beleggers is de inflatie geen zorg, maar voor obligatiebeleggers is inflatie waarschijnlijk het ergste dat ze kan overkomen. Waar zou een verdere inflatiestijging vandaan moeten komen? Vroeger werden economen opgeleid met de stelling dat inflatie altijd een monetair fenomeen was, dat een logisch gevolg was van een te hoge geldgroei. De afgelopen 30 jaar heeft echter bewezen dat het extra geld lang niet altijd besteed wordt. De enorme spaarzin kan er ook nu best voor zorgen dat het geld wordt aangehouden of belegd. Dan komt er geen inflatie uit voort. Een hogere inflatie vanuit de lonen is op dit moment ook allesbehalve waarschijnlijk. Toen voor de pandemie de werkloosheid 3,5% bedroeg in de VS, leidde dit niet tot inflatie. De deflatoire krachten die daar toen voor zorgden, zoals wereld-wijde concurrentie en toegenomen prijstransparantie, zijn nog grotendeels intact. Wat voor lonen geldt, geldt ook voor grondstofprijzen. Een olieprijs van $ 80 in 2018 leidde niet tot een inflatiegolf en dat zal nu waarschijnlijk niet anders zijn. De belangrijkste inflatierisicofactor zou de overheid kunnen zijn.

Daarmee gaat het niet zozeer om de belastingen en heffingen die tot inflatie leiden, want dat zijn geen structurele factoren. Maar wanneer de overheden de bestedingen gaan opvoeren en met grote pakketten aan maatregelen komen die een forse impuls gaan geven aan de economie, zoals investeringen in infrastructuur of het klimaat, dan kan dat een inflatoir effect gaan krijgen. Op dit moment houden overheden allesbehalve de hand op de knip, maar de vraag is of dit na 2022 nog steeds zo zal zijn. Daarmee is inflatie weliswaar meer onzeker geworden, maar is het voorbarig om een structureel hogere inflatie te voorspellen. Dat roept de vraag op of de belegger nu winst moet nemen op zijn inflatieleningen. Omdat het een van de weinige titels zijn die inflatiebescherming bieden, blijft het wel wenselijk om plaats voor inflatieleningen in te ruimen, ook al zijn ze niet meer zo goedkoop als voorheen.

Inflatie is een onzekere factor

Terug naar Beleggingsnieuws