Publicatiedatum: 2 november 2020

Als gevolg van de coronacrisis lopen de schulden in de wereld weer op. Er zijn beleggers die zich hierover zorgen maken en een mogelijk nieuwe crisis die hierdoor kan ontstaan. Maar oplopende schulden leiden niet per se tot een crisis, zoals de Grote Financiële Crisis (GFC). Vanuit de wetenschap is er ook geen eenduidig antwoord op of een hoge schuld slecht is. Een groot verschil met de schuldopbouw van voor de GFC is dat de schuldopbouw de laatste jaren met name plaatsvindt in de publieke sector en bij beursgenoteerde bedrijven, en niet zo zeer bij huishoudens en de bankensector. In aanloop naar de GFC steeg de schuldratio juist sterk bij de huishoudens en de bankensector, wat gezien de rol van de bankensector, de economie kwetsbaar maakt. Waar huishoudens zich financieren bij banken, doen overheden en beursgenoteerde bedrijven dat op de kapitaalmarkt. Niet alleen is er op dit moment sprake van een spaaroverschot, waardoor de schulduitgiftes gretig aftrek vinden.

Maar de laatste jaren zijn ook nog eens de grote centrale banken de voornaamste spelers op deze markten. Die zorgen er met hun acties voor dat de rentes onder het niveau blijven van de nominale economische groei. Dit is een belangrijke vereiste om de schuldratio’s uiteindelijk te laten stabiliseren en doen dalen. Dat dit ook bij lage groei en desinflatie mogelijk is, heeft Duitsland laten zien: van 2010 tot aan 2020 daalde de schuldratio van ruim 80% onder de 60%. Centrale banken genieten van het vertrouwen van beleggers, onder meer vanwege het onafhankelijke institutionele kader waarin ze opereren, de kwaliteit van de beleidsmakers, de economische basis voor hun acties en de fundamentele kracht van de economie. De grote centrale banken kunnen dan ook lang doorgaan met de acties om de rente laag te houden en daarmee de hoge schuldratio’s dragelijk te houden. Japan is hier een goed voorbeeld van. Dat land zag de schuldratio stijgen van 50% in 1990 tot ruim 200% in 2020.

Uiteraard genieten niet alle centrale banken dit vertrouwen. Centrale banken van landen met een zwakke economische basis en die afhankelijk zijn van buitenlandse kapitaalverschaffers, hebben minder bewegingsruimte. Die zijn met name te vinden in de zwakkere opkomende en frontier markten, veelal in Latijns-Amerika en Afrika. Die zullen de komende tijd vaker een beroep doen op het IMF, dat dit jaar al meer dan $ 70 miljard aan financiële steun heeft gegeven. Maar ook sommige centrale banken in opkomende markten grijpen vanwege de coronacrisis naar onconventionele maatregelen, zoals kwantitatieve versoepeling. De centrale bank van Indonesië liet bij de laatste vergadering in oktober de beleidsrente op 4% en gaf de voorkeur aan het opkopen van staatsobligaties. Vooralsnog geniet de centrale bank het vertrouwen van beleggers, maar de ruimte die het heeft is niet gelijk aan die van centrale banken in ontwikkelde markten. Die kunnen hier langer mee doorgaan en op veel grotere schaal. De belangrijkste implicatie hiervan is dat rentes nog lange tijd heel erg laag blijven en dat spaarders vanwege het spaaroverschot uiteindelijk de prijs betalen.

Oplopende schulden geen voorbode voor crisis

Terug naar Beleggingsnieuws