Nederland Voedselparadijs: Barbara Baarsma's pleidooi voor korte ketens nu in boekvorm

Welke handschoen moet Rabobank volgens Baarsma oppakken?

Soms moet je heel ver reizen om te ontdekken dat de oplossing van een probleem gewoon bij je om de hoek ligt. Dat gevoel had Barbara Baarsma, directievoorzitter Rabobank Amsterdam en hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam, toen ze twee jaar geleden aan de rand van een gigantisch grote sojaplantage in Brazilië stond. Ze was er voor Rabobank en raakte in gesprek met Roberto, een van de boeren op de plantage. "Hij vroeg me waar ik vandaan kwam. Ik zei: Amsterdam. Dat vond hij fantastisch, want het ommeland van Amsterdam, wist deze Braziliaanse boer me daar te vertellen, is heel zelfvoorzienend als het om voedsel gaat. Veel meer dan de plek waar we daar stonden!"

Baarsma bleek min of meer tot haar eigen verbazing in een voedselparadijs te wonen: vers voedsel in overvloed. Aardappelen, groente, eieren, melk, vlees – in de omgeving van Amsterdam is veel vers voedsel op fietsafstand beschikbaar. Maar intussen halen we het gros van ons voedsel van heel ver weg. "Een gemiddelde maaltijd in Nederland heeft al gauw 30.000 kilometer afgelegd voor die op je bord ligt", weet Baarsma.

Groenten op de markt


Niet uit te leggen
Het fascineerde de econoom en zette haar aan het denken: dit moet slimmer kunnen en ze dook in de materie. In haar deze week gepresenteerde boek Nederland Voedselparadijs legt ze in heldere en toegankelijke taal uit hoe ons voedselsysteem om moet en ook kan. Het tachtig pagina’s tellende boekje is vooral een pleidooi voor korte ketens. "Het schuurt als je bedenkt hoe veel van het eten dat op ons bord belandt nu van ver komt terwijl we regionaal zo veel vers voedsel hebben", zegt ze. "Die soja uit Brazilië halen we naar Nederland voor het voer van onze varkens. Die varkens gaan vervolgens naar Italië waar ze verwerkt worden tot vleeswaren om ze daarna weer naar Nederland te vervoeren zodat we die hier kunnen eten. Met onze garnalen uit de Noordzee gebeurt iets vergelijkbaars: die gaan naar Marokko om te pellen, dan naar Groot-Brittannië om verwerkt te worden voordat we ze als diepvriesproduct in een supermarkt bij ons om de hoek kunnen kopen. Als je dan beseft hoeveel vers voedsel we hier om de hoek beschikbaar hebben, is dat eigenlijk niet meer uit te leggen."

De feiten en cijfers die Baarsma opdient in haar boek bouwen op naar een conclusie dat het anders moet. Neem het gegeven dat driekwart van de agrarische productie in Nederland wordt geëxporteerd. En andersom: dat driekwart van de landbouwgrond die in gebruik is om Nederlandse consumenten te voeden juist in het buitenland ligt. "Nederland heeft na de Tweede Wereldoorlog zijn landbouw gemoderniseerd en ook gemondialiseerd. Dat heeft ertoe geleid dat we al decennialang hier genoeg voedsel hebben tegen een betaalbare prijs. Maar die lange, internationale ketens hebben ook nadelen. Ze gaan bijvoorbeeld dwars door de grenzen van onze milieugebruiksruimte heen gaan. Denk aan de druk op de biodiversiteit, denk aan de bodemkwaliteit die afneemt, de broeikaseffecten en uitstoot van stikstof." Daarnaast wijst Baarsma op de positie van de boeren in die lange voedselketens: die is ronduit zwak. En de marges zijn laag. "Ze zijn overgeleverd aan de wereldmarkt en daar kun je je lastig onderscheiden."

Hamsterende consumenten
Na die analyse volgt haar pleidooi voor korte voedselketens als een logisch alternatief. "Het gaat om een echt korte toeleveringsketen van de boer tot ons bord waarbij we maar een paar deelnemers hebben", legt Baarsma uit. Die paar spelers werken nauw samen om regionaal of lokaal een economische ontwikkeling op te zetten waarin ook de sociale verbanden tussen die spelers van groot belang zijn. "Die dialoog", onderstreept ze nog eens, "is van groot belang en onderscheidt de korte ketens van de lange, waar talloze partijen – logistieke spelers, handelaren, verwerkers, supermarkten – goed onderling overleg nagenoeg onmogelijk maken."

De voordelen van de korte keten zijn groot. Ze noemt er een paar op: het faciliteren van de kringlooplandbouw (dat lukt in een korte keten veel sneller dan in zo’n lange), het verdienvermogen van de boer (die makkelijker zijn investeringen in duurzame productie kan terugverdienen) en de veel kortere reis van ons voedsel (van 30.000 kilometer naar bijvoorbeeld 300). "En daar komen nog twee belangrijke voordelen bij die ik ook zie als lessen uit de coronatijd", vertelt Baarsma. "Allereerst verkleinen korte ketens de kwetsbaarheid van ons voedselsysteem. Toen Nederland stil kwam te liggen dit voorjaar, zag je meteen dat de distributie vastliep. Want al die hamsterende consumenten verstoorden de logistieke ketens van de retail. Korte ketens maken het hele voedselsysteem robuuster omdat ze naast die lange ketens kunnen bestaan. Ze vervangen ze niet, ze bestaan naast elkaar."

Bijsturen
Het tweede voordeel ligt in het directe contact tussen boer en burger. "We staan in Nederland voor een nieuwe, grote transitie in de landbouw en dan is een goed onderling begrip van groot belang", duidt Baarsma. "We zijn nu samen verantwoordelijk om keuzes te maken over ons voedsel. En dat is voor mij ook een van de belangrijkste redenen waarom ik dit boekje schreef: ik wil die verantwoordelijkheid ook bewust breder in de maatschappij proberen neer te leggen." Rabobank heeft hier volgens haar ook echt een handschoen op te pakken. "We waren destijds een belangrijke partner bij de voedseltransitie na de oorlog. Dat werd een groot succes maar dat betekent ook dat we nu echt een rol hebben en een verantwoordelijkheid moeten pakken om bij te sturen."

Baarsma zelf voelt die verantwoordelijkheid ook en deelde afgelopen tijd haar verhaal al veelvuldig in kranten, aan talkshowtafels en tijdens webinars. Nu kan ze met haar boek onder de arm het land door, om te beginnen bij het vorig jaar geïntroduceerde Rabo-programma Food Forward, dat op 1 september hervat wordt en dit seizoen geheel gericht is op korte ketens.