Week 14, Eerst groter, dan beter.

Tijdens het El Nino natuurverschijnsel, dat elke drie tot zeven jaar voorkomt, warmt het water in de Stille oceaan op. Dat is lastig voor zeedieren in deze regio aangezien warm water minder voedsel bevat. Ook het zeegras rondom de Galapagoseilanden groeit langzamer. Het voedsel van zeeleguanen bestaat bijna geheel uit deze algen. Bovendien zorgt de warmte ervoor dat hun metabolisme sneller wordt waardoor ze in feite meer voedsel nodig hebben om hetzelfde te kunnen doen. Er is minder maar ze hebben meer nodig. Zo’n uitdaging vraagt om een drastische reactie, en die hebben ze dan ook gevonden: ze krimpen. Niet alleen spieren, huid en andere zachte onderdelen van het lichaam maar ook hun bottenstelsel. Ze kunnen tot wel twintig procent kleiner worden. De beste krimpers maken de grootste kans om te overleven. Overigens worden de dieren ook weer groter als het kouder wordt en het zeegras beter groeit. Ze bewegen mee met de mogelijkheden van hun natuurlijke omgeving. Hoe zou zo’n beweging zich vertalen naar een economisch systeem?


Kunstzaken  Arne Hendriks, week 14: zeeleguaan

Het Dehnel fenomeen 
Deze bijzondere krimpreactie in dieren is voor het eerst waargenomen door de Poolse zoöloog August Dehnel. Hij onderzocht hoe spitsmuizen de voedselschaarste wintermaanden overleven. Omdat ze heel klein zijn kunnen geen winterslaap houden aangezien zij daarvoor te weinig reserves kunnen opslaan, en vertrekken naar voedselrijkere gebieden zoals trekvogels is ook geen optie. Maar ze kunnen hun energetische behoefte wel afstemmen op het beetje voedsel dat ze kunnen vinden door te krimpen. Net als de zeeleguaan. Aangezien hersenen de meeste energie gebruiken krimpt vooral hun schedel, ook met zo’n twintig procent. Als gevolg hebben deze kleine zoogdieren tot wel veertig procent minder energie nodig. Wat het krimpen van de spitsmuis nog een extra dimensie geeft is dat ze dit al doen voor de winter begint. Ze anticiperen op aankomende schaarste. Waar bij de zeeleguanen nog veel dieren sterven, gebeurt dit bij de spitsmuis niet. Ze zijn voorbereid en bewegen in perfecte harmonie mee met wat de planeet hen in verschillende tijden van het jaar te bieden heeft. Na de lente groeit de schedel weer terug. Is er een economie denkbaar waarin we als samenleving anticiperen op tijden van krimp en deze zo inrichten dat vraag en aanbod cyclisch met het ritme van de planeet meebewegen? Kunnen we het idee van economische seizoenen omarmen?


Kunstzaken Arne Hendriks, week 14 zoöloog August Dehnel

Homo floresiensis
Helaas kan ik u geen voorbeeld geven van een mens die evolutionair net zo intelligent is als de spitsmuis, maar Homo floresiensis komt in de buurt. Toen vele honderdduizenden jaren geleden een groepje Homo erectus geïsoleerd raakte op het Indonesische eiland Flores begonnen ook zij te krimpen, niet individueel maar van generatie op generatie. Uiteindelijk ontstond er een menssoort die slechts 105cm lang was met aanzienlijk kleinere behoeften dan hun voorouders die zo’n 150 a 160 cm lang waren. Op een eiland met beperkte voedselvoorzieningen is klein een groot voordeel. Maar misschien is Homo floresiensis niet gekrompen omdat er weinig voedsel op het eiland te vinden was. Dat lijkt zelfs onwaarschijnlijk aangezien het toch een flink eiland betreft. Er is ook een andere theorie. In de evolutie heb twee mogelijkheden: je wordt groot om jezelf te verdedigen of je wordt klein om jezelf te kunnen verstoppen. Maar wanneer een dier op een eiland terecht komt zijn ook zijn natuurlijke vijanden weg. Er is minder competitie en daardoor kan het zijn dat een soort naar de maat toegroeit waarbij deze zich het prettigst voelt. Voor de dieren die onder de invloed van evolutionaire krachten relatief klein waren geworden kan dat ertoe leiden dat zij groter worden. De druk om zich te verstoppen is immers weg. Grote dieren die voor de verdediging hebben gekozen zullen vaak juist kleiner worden omdat ze niet meer hoeven te vechten. Kijkend naar de huidige mens, die groter is dan ooit tevoren, vraag je je af wat er zou gebeuren als we zouden kunnen ontspannen. Als we niet meer het gevoel hebben met acht miljard anderen in competitie te zijn. Misschien zit er in onze genen wel een mens van 105 cm die pas tevoorschijn komt als we niet steeds over onze schouder hoeven te kijken. Is er een economie mogelijk waarbij de nadruk verschuift van competitie naar samenwerking, en naar ontspanning in plaats van stress? Een economie met de afmeting die het beste bij ons als mens past?


Kunstzaken Arne Hendriks, week 14 beest

Het is zeker niet zo dat groot altijd zinloos is. Soms moet iets groot zijn voordat het beter wordt. Denkt u bijvoorbeeld aan de dinosaurussen. Enorme beesten die continue fysieke grenzen opzochten en overschreden. Het waren evolutionaire uitvinders pur sang want om die lichamen te ondersteunen moesten er veel lichamelijke innovaties worden geïmplementeerd. Bedenk alleen al hoe licht en sterk hun bottenstelsel moest zijn of hoe krachtig hun hart moet zijn geweest om het bloed rond te pompen. Schaalvergroting is in elk systeem een uitdaging, ook in biologische systemen. Maar goed, uiteindelijk kwamen sommige grote dinosaurussen in een klimaat terecht waarin zij weer begonnen te krimpen. De kennis om groot te worden was even niet meer relevant en lag veilig opgeslagen in het DNA, wachtend op een moment dat het misschien weer van pas zou komen. Dat moment kwam toen deze dinosaurussen (waarschijnlijk een Eumaniraptora) veranderden in vogels. Toen kwamen die sterke lichte botten plotseling weer heel goed van pas en maakten het mogelijk dat ze konden vliegen. Magisch natuurlijk. De vraag die we onszelf dan misschien ook moeten stellen is, wat is de vogel in ons huidige economische systeem? Hoe kunnen we van groot, lomp en achterhaald evolueren naar rank licht en sierlijk? Hoe kunnen we, net als vogels, onze vleugels uitslaan en zweven op de duurzame energie van de zon en de wind? Hoe worden we beter in plaats van groter?


Kunstzaken Arne Hendriks, week 14