Week 3, Slipstream

Sinds 2011 bezoek ik elk jaar dezelfde plek in Venetië. Een soort strandje, eerder een opeenhoping, dat zich tegen de buitenmuur van de stad heeft aangenesteld. Om er te komen klim je over een laag muurtje en laat je jezelf zakken tot je voet een verroest stuk ijzer vindt dat uit de muur steekt, en dan nog een klein sprongetje. Het strand is een bonte verzameling van kapotte bakstenen, zeewier, stukken glas, plastic flessen en andere rommel die een toeristische stad als Venetië dagelijks uitspuugt. Ik hou van dit soort plekken: rafelrandjes die het verhaal van mens en Aarde op een indirecte manier openbaren. Onooglijk, onbedacht, een beetje vies. Zo’n plek voelt zich onbekeken en ademt misschien juist daarom een eerlijkheid die me vertedert.


arne-hendriks-week-3


In totaal is het strand zo’n tachtig meter breed. Rechts loopt een vaargeul waar je niet verder kunt, links is vaporetto-halte San Alvise, in je rug staat de rode bakstenen buitenmuur en in de verte recht vooruit zie je de vliegtuigen opstijgen vanaf vliegveld Marco Polo. Door het hoge water dat het strand in de wintermaanden overspoelt verandert het karakter van jaar tot jaar. Kenmerkende spullen zoals een verroest kinderwagentje, een versierde kerstboom, een krat van visafslag IJmuiden, zijn een jaar later verdwenen en vervangen door weer andere spullen. Het enige object dat er door de jaren heen altijd is blijven liggen is een verweerde houten balk. Daarop ga ik altijd eerst even zitten, even landen, even wachten tot het strandje me vertelt waarom ik gekomen ben. Er is altijd wel iets. Een oester vastgegroeid op een stuk piepschuim die ik in mijn tas stop, vijf aangespoelde groene appels waarvan ik later appelmoes maak, een fluitje waarmee ik de golven dirigeer. Spullen die verhalen vertellen en initiëren.

In de slipstream van de kunst die zich hier elke twee jaar nogal groots tentoonspreidt tijdens de biënnale ontdekte ik dit bescheiden plekje dat me dierbaar is geworden. Dierbaarder dan de kunst zelf, dierbaarder dan Venetië. Maar ook een plek die niet zou zijn ontstaan en die ik niet zou hebben ontdekt zonder Venetië, en zonder de kunst. Ze hebben me hier gebracht. In mijn verbeelding is Venetië gesticht zodat deze plek kon ontstaan. Ik zit op de uitkomst van een eeuwenlange geschiedenis en kijk naar het heden. Nu we op expeditie zijn in de kunstcollectie van de Rabobank komt het me voor dat we in een vergelijkbare situatie terecht zijn gekomen. De Rabobank is Venetië, de kunstcollectie is het strandje. Daar zitten we dan, en wachten tot er iets aanspoelt.