Man en vrouw

Vraagstukken over vermogen

Wie vermogen heeft is daar zuinig op. Daarom hebben we een aantal belangrijke vermogensvraagstukken op een rijtje gezet. Deze pagina geeft periodiek updates en nieuwsberichten rondom vermogensvraagstukken. Zet deze pagina in je favorieten en blijf op de hoogte van het laatste nieuws.

Sparen of beleggen in de bv of in privé?

Je hebt spaartegoeden of beleggingen en je vraagt je af wat de gevolgen zijn van Prinsjesdag voor je vermogen. Wat de belastingdruk betreft, hangt dit in eerste instantie ervan af of je het vermogen in een bv of in privé aanhoudt. Vervolgens bekijk je of dit nog optimaal is, aangezien de belastingheffing verschilt tussen de bv en privé.

Belastingdruk op het rendement op vermogen in de bv

In een bv worden de gerealiseerde koerswinsten, dividenden, rente, etc. belast met vennootschapsbelasting. In de eerste schijf is het tarief vanaf 2021 15% (2020: 16,5%) en in de tweede schijf 25%. De schijven ontwikkelen zich als volgt:

Belastbare winst20202021Vanaf 2022
1e schijf≤ € 200.000≤ € 245.000≤ € 395.000
2e schijf> € 200.000> € 245.000> € 395.000



Keert de bv de winst vervolgens als dividend aan je uit, dan moet je nog eens inkomstenbelasting in box 2 betalen. Het tarief stijgt in 2021 naar 26,9% (2020: 26,25%). De totale belastingdruk over de winst in de bv wordt dus bepaald door het tarief voor de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting in box 2. De totale belastingdruk over het resultaat van de beleggingen ontwikkelt zich dan als volgt:


Belastingdruk2020Vanaf 2021
1e schijf38,42%37,87%
2e schijf44,69%45,18%



Belastingdruk op het rendement op vermogen in privé
In privé is de fiscale behandeling van het beleggingsrendement anders dan in een bv. Bij een belegging in privé wordt namelijk uitgegaan van een in de wet opgenomen rendementspercentage, waarbij het percentage afhankelijk is van de omvang van het vermogen in box 3. Naar mate je meer vermogen in box 3 hebt, neemt dit rendementspercentage toe. Deze schijven worden in 2021 aangepast, evenals de gehanteerde rendementspercentages. Over dit rendement wordt in 2021 31% belasting geheven (2020: 30%). Meer over de wijzigingen in box 3 lees je hier. In 2021 ziet de vermogensrendementsheffing in de schijven er als volgt uit:


Van het gedeelte van de grondslag dat meer bedraagt danMaar niet meer danVermogensrendementsheffing over de rendementsgrondslag
€ 0€ 50.0000,59% (2020: 0,54%)
€ 50.000€ 950.0001,40% (2020: 1,26%)
€ 950.000-1,76% (2020: 1,58%) 



Op basis van het te behalen rendement kan de belastingdruk worden uitgerekend. Bij een vermogensrendementsheffing van 1,40% en een rendement van 0,5% is de belastingdruk bijvoorbeeld 280% (1,4%/0,5%*100). Behaal je een rendement van 5%, dan is de belastingdruk op het rendement 28% (1,4%/5%*100).


Wat is voordelig voor jou: beleggen in de bv of privé?
Vanwege de verschillen in belastingheffing tussen de bv en privé, kunnen we uitrekenen bij welk rendement het voordelig is om vermogen te verschuiven van privé naar een bv of wellicht andersom.


Als we uitgaan van een vermogensrendementsheffing van 1,40% en de eerste schijf in de vennootschapsbelasting, dan is het voor bv-vermogen vanaf 2021 bij een rendement meer dan 9,3% voordelig om het bv-vermogen als dividend uit te keren en in privé te beleggen. Je kunt er ook voor kiezen om (een gedeelte van) het bv-vermogen via een lening over te brengen naar privé. Alhoewel deze keuze voordelig is in geval het rendement hoger is dan de overeengekomen leenrente, kleven er ook risico’s aan deze variant. Bijvoorbeeld bij een daling van de waarde van beleggingen.


In geval je privévermogen hebt en 1,40% vermogensrendementsheffing verschuldigd bent vanaf 2021, dan is het overbrengen van het vermogen naar een bv voordelig bij een rendement tot 3,7% (1,4%/37,87%*100).


Hoe maak je de keuze?
Een keuze voor het beleggen in de bv of privé is niet alleen afhankelijk van het rendement en de belastingdruk. Zo hangt de keuze ook af van de periode waarin het vermogen daadwerkelijk voor jou (als belegging) beschikbaar blijft en of je kosten moet maken om de wijziging van je keuze uit te voeren. Met je belastingadviseur kun je bekijken welke keuze het beste bij jouw situatie past. Wil je een wijziging doorvoeren voor het einde van het kalenderjaar? Dan is het van belang om voor 1 december contact op te nemen met de bank.

Een stukje pensioen in één keer ontvangen vanaf 2022?

Hoe gebruik je de keuzemogelijkheden voor je toekomstige pensioen? En welke keuze maak je als je een deel van je pensioenvermogen ineens kunt ontvangen? Als de in de pensioenregeling opgenomen pensioendatum nadert, komt waarschijnlijk de vraag bij je naar voren hoe hoog het pensioen wordt. Ook al weten we niet hoe de pensioenuitkeringen zich in het huidige rente- en beleggingsklimaat ontwikkelen, wel krijg je jaarlijks een opgave van de uitkering die je kunt verwachten rekening houdend met scenario's. Een gelijkblijvende levenslange uitkering (exclusief eventuele indexatie) zie je hierin terug, aangezien dit de standaardoptie is in Nederland. Er zijn ook keuzemogelijkheden, waaraan er naar verwachting vanaf 1 januari 2022 een wordt toegevoegd: opname ineens van een gedeelte van je pensioenvermogen. De keuzes die je dan hebt, lichten we hierna toe.

Welke keuzes kun je maken voor de uitkering van je pensioen?

Een gelijkblijvende levenslange uitkering gaat standaard in op de pensioendatum. Rekening houdend met de ontwikkelingen in de levensverwachting, is deze datum in de afgelopen tijd in de meeste regelingen opgeschoven naar minimaal 67 jaar (op een groep oudere werknemers na). Je hebt ook de keuze om:

  • een gelijkblijvende, maar lagere levenslange uitkering te ontvangen maximaal 5 jaar eerder dan de AOW-ingangsdatum. De verlaging houdt verband met de actuariële herrekening ten opzichte van de pensioendatum, als vuistregel kost vervroegen 7% per jaar;
  • een gelijkblijvende, maar hogere uitkering te ontvangen maximaal 5 jaar later dan de AOW- ingangsdatum;
  • gedurende de eerste periode, minimaal 5 jaar en maximaal 10 jaar, een hogere pensioenuitkering ontvangen en daarna een gelijkblijvende, lagere levenslange uitkering binnen de verhouding 100:75 (of omgekeerd);
  • partnerpensioen inruilen voor ouderdomspensioen, waardoor je een hoger ouderdomspensioen ontvangt (of omgekeerd).


Ook kun je met deeltijdpensioen gaan en of de bovenstaande regelingen combineren.

Opname ineens van een gedeelte van je pensioenkapitaal vanaf 2022
Op 5 juni 2019 is het Pensioenakkoord gesloten tussen het kabinet, werknemers- en werkgeversorganisaties. Onderdeel van dit akkoord is de introductie van een opnamemogelijkheid van maximaal 10% ineens van het pensioen- en lijfrentekapitaal. Op 3 september 2020 is het wetsvoorstel hierover naar de Tweede Kamer gestuurd. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2022. De opnamemogelijkheid betekent een verdere verruiming van de keuzemogelijkheden.

Wat houdt deze opnamemogelijkheid in?
Bij het ingaan van je pensioen kun je maximaal 10% van de waarde van de door jou opgebouwde pensioenaanspraken opnemen. Je mag dit bedrag alleen op de ingangsdatum van je pensioen opnemen. Als je kiest voor het opnemen van een bedrag, wordt je resterende aanspraak periodiek in gelijke bedragen aan je uitbetaald. Je kunt dan niet meer kiezen voor een hoog-laagpensioen zoals hiervoor aangegeven is als keuzemogelijkheid. Leidt de opname van het bedrag tot een verlaging van het partnerpensioen? Dan heb je toestemming van je partner nodig.

De opnamemogelijkheid geldt ook voor pensioen in eigen beheer, lijfrenten en nettolijfrente/pensioen, maar niet voor de oudedagsverplichting binnen je bv. Voor je lijfrente kun je maximaal 10% van de waarde van je lijfrente opnemen op de ingangsdatum van de uitkeringengen.

Een voorbeeld: Je lijfrente komt tot uitkering en je koopt voor € 500.000 een levenslange oudedagslijfrente aan. Je ontvangt een uitkering van circa € 30.000 bruto per jaar. Als je kiest voor een bedrag ineens, krijg je op de ingangsdatum maximaal 10% van € 500.000 = € 50.000 bruto uitgekeerd. Daarnaast ontvang je een levenslange uitkering van circa € 26.000 bruto per jaar.

De gevolgen van een bedrag ineens
Doordat je een bedrag ineens ontvangt, heb je in dat jaar een hoger inkomen in box 1. Dat is uiteraard fijn, maar een hoger inkomen kan ook betekenen dat je meer inkomstenbelasting betaalt of dat je bepaalde toeslagen niet meer ontvangt.

Je inkomen kan in een hogere tariefschijf in de inkomstenbelasting vallen. Je bent dan meer belasting over dit inkomen verschuldigd. In 2021 is het lage tarief 37,1% en vanaf een inkomen van € 68.507 is het tarief 49,5%. Voor AOW-gerechtigden is het lage tarief tot € 35.129 in 2021 19,2%.

In het gegeven voorbeeld kost je dit maximaal 49,5% - 37,1% = 12,4% van € 50.000 = € 6.200 aan extra inkomstenbelasting. Als je gebruik kunt maken van middeling, dan kun je dit effect verminderen. Het nettobedrag van de opname ineens wordt verder opgeteld bij je box 3-vermogen. Dit kan de vermogensrendementsheffing verhogen.

Het voordeel van een keuze voor de opname ineens van je pensioen of lijfrente, is afhankelijk van meerdere factoren, zoals je inkomen- en vermogenspositie en eventuele hypotheekrenteaftrek. Als je hiervan gebruik wilt maken, adviseren wij om je belastingadviseur hierbij te betrekken. Om je inzicht te geven in het effect van je keuze, kunnen wij een vermogensplan opstellen. Bespreek de mogelijkheden met je adviseur van de bank.

Winst uitstellen in je bv

Richting het einde van het jaar krijg je meer zicht op de winstpositie van je bv. Je kunt alvast kijken welk belastingtarief mogelijk van toepassing is. Blijft de winst onder de grens van € 200.000? Of komt de winst boven deze grens uit, waardoor je met dit deel van de winst in het hoge tarief valt?

Tarieven voor vennootschapsbelasting en schijfgrens veranderen

Zowel de tarieven voor de vennootschapsbelasting als de schijfgrens veranderen de komende jaren. Tijdens Prinsjesdag is de nieuwe tariefstructuur vanaf 2021 aangekondigd:

 

20202021Vanaf 2022
Laag tarief16,5% Belastbaar bedrag tot € 200.00015% Belastbaar bedrag tot € 245.00015% Belastbaar bedrag ≤ € 395.000
Hoog tarief25% Belastbaar bedrag vanaf € 200.00025% Belastbaar bedrag vanaf € 245.00025% Belastbaar bedrag vanaf € 395.000


Speel in op de lagere belastingdruk
Je kunt mogelijk vennootschapsbelasting besparen als de winst van je bv in het hoge tarief valt. Door winst uit te stellen naar volgende jaren kun je gebruik maken van het verlaagde lage tarief en de verruimde schijfgrens. 
Je kunt winst uitstellen door bijvoorbeeld de verkoop van beleggingen uit te stellen tot 2021 of zelfs tot 2022. Als de winst van je bv door de verkoop van de beleggingen dit jaar stijgt tot meer dan € 200.000, dan ben je over een deel van de winst het hoge tarief van 25% verschuldigd. Als je de verkoop van de beleggingen kunt uitstellen tot 2021, dan kun je gebruik maken van een hoger bedrag dat belast is tegen het lage tarief. En dit lage tarief is in 2021 ook nog eens lager! 

Een voorbeeld
In december 2020 verkoopt je bv beleggingen, waarbij een winst gerealiseerd wordt van € 100.000. De reguliere jaarlijkse winst van je bv is € 160.000. De totale winst in 2020 bedraagt dan € 260.000. Je bv is hierover € 48.000 vennootschapsbelasting verschuldigd.

Als je bv de beleggingen in januari 2021 verkoopt, bedraagt de winst van je bv in 2020 € 160.000. Je bv is hierover € 26.400 vennootschapsbelasting verschuldigd. De winst van je bv bedraagt in 2021 € 260.000, bestaande uit de regulieren winst (€ 160.000) en de verkoopwinst van de beleggingen (€ 100.000). Je bv is hierover € 40.500 vennootschapsbelasting verschuldigd. Een voordeel van € 7.500.

Als je wilt weten welke mogelijkheden je hebt, dan adviseren wij je om hierbij je belastingadviseur te betrekken.

Een eigen woning, een hypotheek en vermogen: een slimme combinatie?

Je hebt in het verleden een hypotheek voor de aankoop van een eigen woning afgesloten en betaalt dus rente aan de bank of aan je bv. Afhankelijk van de hypotheekvorm, los je ook af gedurende de looptijd of pas aan het einde. Bovendien heb je vermogen in de vorm van een spaartegoed of beleggingen. Een slimme combinatie? Dat hangt van af van jouw inkomen in box 1, de hypotheekrenteaftrek en het rendement dat je behaalt op jouw vermogen. Hierna lichten wij toe hoe je de keuze kunt maken tussen aflossen of het handhaven van de hypotheek.

Dat hangt van af van je inkomen in box 1, de hypotheekrenteaftrek en het rendement dat je behaalt op jouw vermogen

Jouw inkomen in box 1 en het eigenwoningforfait
Arbeidsinkomsten en pensioen worden belast in box 1. Die kunnen fluctueren door de jaren heen, maar ook structureel dalen als je stopt met werken en met pensioen gaat. Als je een hoger inkomen in box 1 hebt, betaal je een hoger tariefpercentage inkomstenbelasting. Bovendien is op het eerste deel van jouw inkomen in box 1 vanaf je AOW-gerechtigde leeftijd een lager tarief van toepassing. Het tarief is van invloed op de te betalen inkomstenbelasting over het eigenwoningforfait. 

Lees meer over de belastingtarieven in box 1

Via het eigenwoningforfait wordt het bezit van de eigen woning in box 1 belast. Het eigenwoningforfait is in 2021 voor een eigen woning met een WOZ-waarde vanaf € 75.000 tot € 1.110.000 0,50% van deze waarde. Als de WOZ-waarde van jouw eigen woning € 1.110.000 of hoger is, dan is het eigenwoningforfait € 5.550 plus 2,35% over het verschil tussen de WOZ-waarde en de grens van € 1.110.000. 

Als je geen (of een beperkte) hypotheek hebt, dan wordt het bedrag van het te belasten eigenwoningforfait verminderd (‘Wet Hillen’). In 2021 wordt 90% van het eigenwoningforfait verminderd met de aftrekbare kosten in mindering gebracht. Aflossen van de hypotheek vermindert dus de bijtelling bij jouw box 1-inkomen van het eigenwoningforfait. In het volgende voorbeeld zie je hoe dit uitwerkt:

Voorbeeld 2021
WOZ-waarde € 500.000
Hypotheek € 75.000, 2% rente
Eigenwoningforfait  0,50% * € 500.000€ 2.500
Af: Hypotheekrente 2% * € 75.000€ 1.500
Af: Hillen-aftrek (€ 2.500 -/- € 1.500) * 90%€ 900 
Inkomsten uit eigen woning€ 100
Inkomstenbelasting 49,5% € 49
 

Als je de hypotheek bent aangegaan voor de aankoop of verbetering van een woning die je in eigendom hebt en jouw hoofdverblijf is, dan is de betaalde hypotheekrente in beginsel aftrekbaar gedurende maximaal 30 jaar. De regels zijn met ingang van 1 januari 2013 wel gewijzigd voor nieuwe hypotheken; vanaf dat moment moet in maximaal 360 maanden ten minste annuïtair worden afgelost.
Het voordeel van een hypotheek in de situatie dat je over vermogen beschikt waarmee je deze ook af zou kunnen lossen, wordt mede bepaald door de hypotheekrenteaftrek: de teruggave van inkomstenbelasting over jouw inkomen in box 1. In 2021 en de daaropvolgende jaren wordt deze echter afgebouwd als je zonder rekening te houden met deze aftrek, een inkomen in box 1 hebt dat hoger is dan € 68.507. De aftrekpercentages zijn dan 37,1% of 43% als je de AOW-gerechtige leeftijd nog niet hebt bereikt. Voor AOW-gerechtigden is het aftrekpercentage 19,2% over het inkomen tot en met € 35.129 en vervolgens de hiervoor genoemde percentages. 

Welk rendement heb je nodig op jouw spaartegoeden of beleggingen?
Het rendement, verminderd met de over het rendement verschuldigde belasting, vormt de bate als je tegenover jouw hypotheek vermogen in de vorm van spaartegoeden of beleggingen hebt. Los je jouw hypotheek af? Dan mis je dus het nettorendement op dit vermogen. Welk nettorendement je behaalt hangt af van de manier van sparen en beleggen en of je het vermogen in de bv of in privé aanhoudt. Lees hierover meer in het eerste item op deze pagina.
In onderstaand voorbeeld lichten we de situatie toe in geval van een hypotheek bij de bank en vermogen in privé. 

Voorbeeld 2021Hypotheek bank en vermogen in privéUitgave met hypotheekUitgave zonder hypotheek
WOZ-waarde € 500.000,
hypotheek € 300.000,
2% rente en belastingtarief
box 1 49,5%
Inkomstenbelasting eigenwoningforfait-/- € 1.238-/- € 124
Hypotheekrente-/-  € 6.000
Belastingvoordeel renteaftrek€ 2.580  
Nettolast eigen woning in 2021
-/-  € 4.658-/- € 124
Vermogen € 300.000 in box 3,
belastingdruk 1,4%
Vermogensrendementsheffing-/-  € 4.200
OmslagpuntSaldo-/-  € 8.858-/- € 124
Benodigd rendement
(€ 8.858 -/- € 124)/€ 300.000*100
2,9%

Behaal je een rendement op jouw box 3-vermogen van meer dan 2,9%? Dan is het voor jou voordelig om de hypotheek te handhaven. 

Hoe maak je de keuze?
Een keuze om jouw hypotheek af te lossen uit uw vermogen is niet alleen afhankelijk van jouw inkomen in box 1, de hypotheekrenteaftrek en het rendement. Ook de ontwikkeling van jouw besteedbare inkomen en de mogelijke aanvullingen die nodig zijn uit jouw vermogen kunnen relevant zijn. Verder kan je na aflossing van de hypotheek op een later moment bij een verhuizing en opname van een nieuwe lening geen hypotheekrenteaftrek meer claimen voor het afgeloste bedrag. Bovendien kan het in voorkomende gevallen voordelig zijn om de hypotheek te handhaven en in box 3 onder te brengen.
Als je overweegt om jouw hypotheek af te lossen, adviseren wij je hierbij jouw belastingadviseur te betrekken. Om je inzicht te geven in het effect van je keuze, kunnen wij voor jou een vermogensplan opstellen. Bespreek jouw mogelijkheden met jouw adviseur van de bank. 

Lees meer over vermogensplanning 

In het voorbeeld is uitgegaan van een aflossingsvrije hypotheek en de situatie in 2021. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele boeterente.

Geen financiële compensatie naar aanleiding van uitspraken Hoge Raad over box 3-heffing

Wellicht heb je over één of meerdere jaren in de periode 2013 tot en met 2016 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag inkomstenbelasting, omdat je het niet eens was met de belastingheffing over jouw inkomen in box 3. De belasting in box 3 wordt forfaitair bepaald op basis van een in de wet opgenomen rendementspercentage, dus zonder te kijken naar het daadwerkelijk behaalde rendement. Met name voor spaartegoeden betekende dit in de genoemde jaren dat 30% belasting werd geheven over een rendement van 4%, terwijl de rentevergoeding bij banken zeer gering was/is. Een hoge belastingdruk, waarover geprocedeerd is tot aan de Hoge Raad. Uiteindelijk is er nu duidelijkheid.

Box 3-heffing in strijd met EVRM als zonder (veel) risico’s haalbare rendement lager is dan 1,2%

Box 3-heffing in strijd met EVRM als zonder (veel) risico’s haalbare rendement lager is dan 1,2%
In 2020 zijn door de Hoge Raad arresten gewezen waarin de vraag aan de orde is gekomen in hoeverre de vermogensrendementsheffing in strijd komt met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). De procedures hebben betrekking op de jaren 2013 tot en met 2015. In de arresten concludeert de HR dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd komt met de bovenstaande regelgeving, indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2%. De Hoge Raad heeft hiermee aangegeven in welk geval sprake zou zijn van een schending op stelselniveau, maar heeft niet vastgesteld dát er voor de genoemde jaren sprake is van een dergelijke schending.

Uitkomst nader advies over staatsrechtelijke gevolgen en onderzoek naar haalbare rendement
Naar aanleiding van deze arresten heeft de Staatssecretaris van Financiën juridisch advies ingewonnen en door het CPB een notitie laten opstellen over de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013 tot en met 2016. 

Zoals verwacht, komt in het juridische advies naar voren dat als het CPB zou concluderen dat het betreffende rendement lager zou zijn dan 1,2%, de overheid belastingplichtigen zou compenseren. In de notitie van het CPB is onderzoek gedaan naar de rendementen op drie vermogenscategorieën, te weten direct opneembare spaarrekeningen, termijndeposito’s (tot en met 10 jaar) en Nederlandse staatsobligaties. Voor de jaren 2013 en 2014 presenteert het CPB voor elke vermogenscategorie verschillende rendementen die boven 1,2% liggen en variëren tussen 1,3% en 4,2%. Voor de jaren 2015 en 2016 liggen de verschillende rendementen zowel onder als boven 1,2% en deze variëren tussen 0,5% en 3,0%. 

Conclusie over compensatie

Op basis van de tot nu toe gewezen jurisprudentie, waaronder de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, én de notitie van het CPB komt de Staatssecretaris tot de conclusie dat de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013 tot en met 2016 niet in strijd is met het EVRM-recht. Financiële compensatie voor de belastingplichtigen die in deze jaren box 3-heffing hebben betaald is daarom nu niet aan de orde. Mochten ontwikkelingen in de jurisprudentie daartoe aanleiding geven, dan zal deze conclusie door de Staatssecretaris worden heroverwogen.

Aanpassingen box 3

Van belang is dat per 1 januari 2017 het box 3-stelsel is gewijzigd. Met deze wijziging is het vaste forfaitaire rendementspercentage van 4% losgelaten en zijn daar twee forfaitaire rendementsklassen voor in de plaats gekomen (sparen en beleggen). Deze percentages worden jaarlijks geactualiseerd aan de hand van werkelijke en voor sparen meer actuele marktrendementen. De combinatie van de vermogensmix en de twee forfaitaire rendementsklassen zorgt ervoor dat het stelsel vanaf 2017 beter aansluit bij het werkelijke behaalde rendement. Inmiddels hebben verschillende rechtbanken en gerechtshoven geoordeeld dat het huidige stelsel niet in strijd is met het EVRM-recht.

Verder is vanaf 2018 het heffingsvrije vermogen opgehoogd naar € 30.000 en het dubbele voor fiscaal partners. Ook stelt het kabinet in het wetsvoorstel Wet aanpassing box 3 wijzigingen voor, die ertoe moeten leiden dat belastingplichtigen met kleinere vermogens minder belasting gaan betalen. Zo wordt voorgesteld dat het heffingsvrije vermogen wordt verhoogd naar € 50.000 (in 2021). Andere mogelijkheden, zoals een heffing naar werkelijk rendement en het invoeren van een tegenbewijsregeling voor spaarders, kunnen aan de orde komen tijdens de formatie van een nieuw kabinet. Om te kunnen bepalen of in de toekomst over het werkelijke rendement geheven kan worden, wordt een extern onderzoek uitgevoerd naar de praktische mogelijkheden hiervoor. De resultaten van het onderzoek worden in het voorjaar van 2021 aan de Tweede Kamer gezonden, zodat deze gebruikt kunnen worden tijdens de formatie.

Belang voor jou?

Als je in de afgelopen jaren via gerechtelijke procedures bezwaar hebt gemaakt tegen de vermogensrendementsheffing, dan is er na de uitspraken van de Hoge Raad en de kabinetsreactie hierover nu duidelijkheid gekomen over de box 3-heffing in de jaren 2013 tot en met 2016. De bezwaren zullen worden afgewezen.

Als gevolg van de wijzigingen vanaf 2017, is voor vermogenden de belastingheffing in box 3 omhoog gegaan. Vanaf 2021 wijzigt volgens de op Prinsjesdag gepresenteerde plannen de box 3-heffing verder. De grootste groep van belastingplichtigen in box 3 gaat hierdoor geen of minder belasting betalen. Maar als je meer vermogen hebt dan € 220.000 (voor fiscaal partners meer dan € 440.000), zal er een lastenverzwaring zijn. Wil je meer weten over sparen of beleggen in box 3 of in een bv (box 2)? Lees dan het eerste artikel op deze pagina. 

 

Tot slot is van belang dat deze artikelen gebaseerd zijn op een wetsvoorstel. Omzetting in definitieve wetgeving moet nog plaatsvinden, tot dat moment kunnen er nog wijzigingen optreden.