Emissiereductie in Nederlandse melkveehouderij kent meerdere gezichten

In Nederland is 7,0% tot 8,5% van de broeikasgasemissies toe te schrijven aan het produceren, transporteren, verwerken en verpakken van melk- en zuivelproducten. Dat is aanzienlijk hoger dan in de rest van de wereld, waar dit aandeel circa 2,7% bedraagt. Toch behoort de Nederlandse uitstoot per kilogram geproduceerde melk tot de meest efficiënte ter wereld. Nederland noteert 1,25 kilogram CO2-equivalenten tegen een wereldwijd gemiddelde van 2,4 kilogram. De niet-melkgerelateerde productie is hierbij buiten beschouwing gelaten, zoals het opfokken van kalveren vanuit de melkveehouderij en de slacht van gebruiksvee.

Nederlandse zuivelketen heeft zich gecommitteerd
De Nederlandse zuivelketen heeft met de Duurzame Zuivelketen (DZK) invulling gegeven aan emissiedoelstellingen tot 2020. In de DZK is de emissieafname van 20% overgenomen ten opzichte van het referentiejaar 1990 als doelstelling uit het Kyoto-protocol. Als aanvulling geldt een klimaatneutrale groei ten opzichte van de totale emissie in 2011.

In het nieuwe regeerakkoord Rutte III is een CO₂-reductie opgenomen van 49% in 2030 ten opzichte van 1990 als emissiedoelstelling. Hiermee geeft de regering opvolging aan het klimaatakkoord van Parijs. Ook van de zuivelketen zal verwacht worden om in 2030 aan scherpere emissiedoelstellingen te voldoen. 

Meer inspanningen noodzakelijk om doelstellingen te behalen
De zuivelketen en de rest van Nederlandse bedrijven en consumenten moeten een extra inspanning leveren om hun eigen doelstellingen in 2020 te behalen. In 2015 lag de Nederlandse CO₂-emissie 12% lager dan in 1990. Door de toegenomen melkproductie en de grotere veestapel is de uitstoot vanuit de melkveehouderij de afgelopen jaren weer opgelopen. Het huidige niveau ligt circa 10% onder het uitstootniveau in 1990 (zie Figuur 6). 

Meeste winst op het bedrijf en in de aanvoer van grondstoffen te behalen
De primaire melkveehouderij is verantwoordelijk voor 92% van de emissies die behoren tot de productie van melk tot zuivelproducten. Deze emissies zijn direct afkomstig van melkveebedrijven (63%) of de productie van grondstoffen voor melkveehouderijen (29%), zoals (aangekocht) voer en kunstmest. Slechts 8% van de uitstoot wordt veroorzaakt bij de transport, verwerking en verpakking van melk tot zuivelproducten die bij de supermarkt in het schap liggen. De grootste winst valt dus te behalen op het melkveebedrijf en bij de aanvoer van grondstoffen. 

Zelf in actie komen of wachten op de overheid
De zuivelketen heeft nu de keuze: nu al zelf initiatieven opzetten of wachten op de dwingende hand van de overheid. De Rabobank gelooft dat voor de lange termijn een consistent beleid rond CO₂-reductie gebaseerd moet worden op een gezamenlijk en breed gedragen visie door alle betrokken partijen in de zuivelketen, inclusief de overheid. 

Drie stromingen om emmissiedoelstellingen te behalen

Er zijn extra middelen nodig om emissiereducerende investeringen van de grond te krijgen. Alleen op die manier kunnen klimaatdoelstellingen in 2030 behaald worden en is de transitie naar duurzame energieproducent mogelijk. Sectorinitiatieven en overheidsmaatregelen voor de melkveehouderij om emissiedoelstellingen te behalen zijn grofweg in te delen in drie stromingen:

  • emissiereducerende investeringen
  • CO₂-belasting: de vervuiler betaald
  • inkrimping van de veestapel

Stroming 1: emissiereducerende investeringen

Over het algemeen zijn ongesubsidieerde investeringen in duurzame energie eerder kostprijsverhogend dan rendabel gebleken. Vooral mestvergistingsinstallaties blijken kostbaar door hun hoge investeringsbehoefte, het ontbreken van schaalvoordelen en lage rendement voor een gemiddeld melkveebedrijf. Hier is risicokapitaal nodig om het referentiekader te vergroten. Daarnaast is een goede balans nodig tussen investeringen in gebouwen en installaties binnen een zuivelketen die gebaseerd wil blijven op weidegang. 

De opslag van koolstof in de bodem kan helpen om de emissiedoelstellingen te behalen voor de gehele landbouwsector. Dit zal echter een grote impact hebben op het teeltplan van de grondgebonden sectoren. Ook aanpassingen in het voerspoor, (aangevoerde) mineralen en genetica kunnen leiden tot een afname van de emissies. Een andere optie is een gewijzigd teeltplan om het binden van CO₂ door gewassen te bevorderen. Hierbij dient echter wel rekening gehouden te worden met de circulariteit van voedergewassen.

Stroming 2: CO₂-belasting: de vervuiler betaald

Emissies kunnen ook belast worden. Het European Union Emissions Trading System (EU ETS) is hiervan een concreet voorbeeld. Dit systeem laat bedrijven of sectoren het recht kopen om een bepaalde hoeveelheid CO₂ uit te stoten. Op dit moment reguleert de ETS de uitstoot van circa 11.000 bedrijven uit de industriële en energiesectore, waaronder 450 uit Nederland. 

Op een gelijkwaardig Europees speelveld kan Nederland een voordeel behalen ten opzichte van mindere efficiënte zuivelproducerende landen binnen de EU. Voor de Europese concurrentiepositie in de voornaamste exportmarkten zal een CO₂-belasting wel nadelig uitpakken. De Rabobank ziet het belasten van emissies daarom niet als een wenselijke oplossing, zolang er geen sprake is van een gelijkwaardig speelveld.

Het huidige 'lage' prijsniveau van ETS emissierecht varieert tussen € 5 en € 6 per 1.000 kilogram aan CO₂-equivalenten. Bij dit prijsniveau kost volledige afkoop van de Rutte III-doelstelling door middel van een ETS-methodiek de Nederlandse melkveehouderij jaarlijks € 40 tot € 50 miljoen. Hierbij is rekening gehouden met een jaarlijkse melkproductie van 14 miljard kilogram en een gelijkblijvende uitstoot per kilogram melk. Afhankelijk van toekomstige regelgeving en emissiedoelstellingen kan dit bedrag nog vele malen hoger worden. 


CO2-belasting als aanvullend verdienmodel
Met het huidige lage prijsniveau van emissierechten is het voor ETS-sectoren financieel interessanter om hun CO₂-uitstoot af te kopen in plaats van te investeren in dure emissiereducerende initiatieven. In de huidige situatie zal eerst een overheidsinterventie nodig zijn om interessante prijsniveaus te bereiken en daadwerkelijk stappen te maken met initiatieven die CO₂-reductie bevorderen. Denk hierbij aan strengere eisen of beperking van het aantal beschikbare emissierechten. Dit zal emissiereducerende initiatieven stimuleren. 

Van een dergelijk scenario kan de melkveehouderij ook profiteren als grootste gebruiker van landbouwgrond, indien ETS-sectoren investeren in CO₂-reductie binnen de landbouw en daarmee ook hun emissiedoelstellingen behalen. Volgens De Nederlandsche Bank is de opslag van koolstof diep in de bodem (CCS) pas rendabel bij prijsniveaus tussen de € 10 en € 80 per emissierecht. 

Stroming 3: inkrimping van de veestapel

Een derde optie is inkrimping van de veestapel. Door de GVE-regeling zal in 2017 sprake zijn van lagere CO₂-uitstoot dan in 2016. De Rabobank vindt een verdere inkrimping van de veestapel om emissiedoelstellingen te behalen in de huidige situatie niet wenselijk. Een kleinere Nederlandse veestapel zal de mondiale vraag naar zuivel niet beïnvloeden. Er zal enkel een verplaatsing van de melkproductie en veestapels plaatsvinden naar regio’s met een hogere CO₂-uitstoot per kilogram melk. Klimaatverandering is immers niet gebonden aan landsgrenzen.

Contact

Rabobank