Opinie

Woonobesitas: moeten we op dieet?

22 augustus 2022 14:58

Nederland is klein en dichtbevolkt. Maar dat de ruimte voor wonen schaars is en weinig mogelijkheden biedt voor grotere huizen is geen wetmatigheid maar een keuze.

De komende dertig jaar komen er volgens demografen zo’n twee miljoen inwoners bij en één miljoen huishoudens. Deze mensen moeten een huis krijgen op datzelfde kleine stukje aarde waar Fluitsma en Van Tijn in 1996 over zongen toen we nog met ruim 15 miljoen mensen waren. Dus met zo’n twee miljoen mensen minder dan nu.

Dankzij ons strikte ruimtelijke ordeningsbeleid is van dat kleine stukje aarde (minus water) slechts zeven procent in gebruik voor wonen. Het gaat dan niet alleen om woningen maar ook om de ruimte voor straten, parkeerplaatsen, trapveldjes en andere ‘primaire woonvoorzieningen’ zoals (buurt)winkels en basisscholen.

En op die beperkte ruime voor wonen zijn we er knap genoeg in geslaagd om relatief groot te wonen. Lange tijd werden nieuwbouwhuizen groter en groter. Eengezinswoningen domineren ons straatbeeld. En in die huizen wonen voor een belangrijk deel alleenstaanden en stellen, blijkt uit het WoonOnderzoek Nederland 2021. Ook in vergelijking met andere Europese landen wonen we ruim, of liever gezegd: wonen maar weinig mensen krap.

In het debat staan onze relatief grote huizen steeds vaker ter discussie. Deze zouden bijvoorbeeld weinig efficiënt zijn. En sommigen gaan zo ver door het woord woonobesitas in de mond te nemen. Daarbij gaan zij alleen voorbij aan het feit dat ruimte voor wonen op macroniveau slechts een zeer beperkt deel van Nederland opsoupeert: de eerder genoemde zeven procent.

Inmiddels is de ‘groot, groter, grootst’-trend op zijn retour in de woningbouw. Deze ontwikkeling past bij het beleidsstreven om vooral binnen de stad te bouwen en het feit dat de ruimte in de stad beperkt is. Kleiner bouwen is dan een manier om toch meer huizen kwijt te kunnen. Wel zijn we nog ver verwijderd van tiny house-concepten (compacte, kleine huizen van maximaal vijftig vierkante meter). En zijn het vooral bewoners van nieuwe appartementen die het moeten doen met flink minder vierkante meters.

De trend van kleiner bouwen lijkt echter te schuren met de toenemende populariteit van grotere huizen onder woningzoekenden. Die populariteit is niet helemaal toe te schrijven aan corona. Want eigenlijk zien we al sinds 2012 een toenemende belangstelling voor huizen met vijf kamers of meer onder mensen met een verhuiswens (figuur 1). Maar corona heeft de behoefte aan grotere huizen wél versterkt.

Figuur 1: Grotere huizen winnen aan populariteit

Noot: Gekeken is naar huishoudens die binnen twee jaar willen verhuizen naar een zelfstandige woning en van wie het gewenste aantal kamers bekend is. Bron: WoonOnderzoek Nederland

De stevige woningbouwopgave en die groeiende behoefte aan grotere huizen kunnen alleen hand in hand gaan als wonen een groter stuk van de Nederlandse land-taart krijgt. Om 900.000 huizen buiten de stad te bouwen in Vinex-achtige dichtheden is ongeveer 300 vierkante kilometer nodig. En dat is nog steeds minder dan één procent van al het land dat we in Nederland hebben.

Dat klinkt als peanuts. Maar tegelijkertijd is er niet alleen grond nodig voor huizen, maar ook voor de energietransitie en voor de aanpassingen die nodig zijn om de gevolgen van klimaatveranderingen en wateroverlast te beperken. Nederland staat aan de vooravond van een grote ruimtelijke verbouwing. En zoals het kabinet realistisch stelt: niet alles kan en niet alles kan overal. Maar dat ruimte voor wonen schaars is en dat er geen plek is voor grotere huizen is geen wetmatigheid maar een politieke keuze.


Eerder verschenen bij RTL Nieuws