Update

Tuinbouw moet korte- én lange termijn perspectief in het vizier houden

16 februari 2023 9:00 RaboResearch

Op korte termijn zijn er flinke onzekerheden voor ondernemers in de tuinbouw. Welke invloed heeft de inflatie op consumentenbestedingen aan groente, fruit, bloemen en planten? Blijven de energiekosten op het hoge niveau? En wat betekenen deze voor kunstmest-, verpakking- en transportprijzen en het verdienmodel? In deze update ligt de focus op beleidsontwikkelingen voor energie, water en substraten.

Een man oogst bloemen in een kas

De tuinbouw komt - al met al - redelijk de winter door

Deze herfst schoten de variabele gasprijzen door het dak en was er veel bezorgdheid bij ondernemers over hun toekomst. Er werd door de overheid snel gehandeld met de aanleg van terminals voor Liquified Natural Gas (LNG). De Europese winter 2022/2023 kende weinig kou waardoor gasprijzen weer zakten. Tuinders hebben hun teeltstrategie aangepast en veel bedrijven hebben geïnvesteerd in energiebesparende maatregelen of verduurzaming.

Natuurlijk zijn er flinke prijsstijgingen geweest voor benodigde teeltmaterialen en verpakkingen. Transportkosten zijn ook sterk gestegen. De druk op arbeidskosten blijft groot, aangezien de besteedbare inkomens zijn gedaald door de inflatie en CAO-lonen gaan stijgen. Uiteindelijk zijn behoorlijke besteedbare inkomens in Europa nodig om de vraag naar groente, fruit en bloemen/planten in stand te houden. Bedrijven voelen zich namelijk genoodzaakt om de kostenstijgingen door te rekenen, al is dat vaak niet mogelijk.

Er waren en zijn dus nog steeds zorgen, maar er is geen paniek ontstaan over het vermogen van de Nederlandse tuinbouw om deze periode door te komen. Dit komt allemaal tot uiting in de Rabo-tuinbouwbarometer (zie figuur 1). Die is sinds het dieptepunt in het vierde kwartaal uit het dal gekropen en stijgt van 5,7 naar 6,5.

Figuur 1: resultaten uit de Rabo-tuinbouwbarometer 2018-2023

Noot: de barometer is een inschatting van Rabobank over de vraag: “Welk cijfer geef je de financiële ontwikkeling in de tuinbouw?” (Bron: Rabobank, 2023)

Prijsvorming en mogelijke kostendoorbelasting bepalen stemming

Telers van vruchtgroenten hebben gemiddeld een goed jaar gehad. De bedrijven hadden in 2022 nog voldoende energieposities tegen acceptabele kosten voor de warmtebehoefte. Ook voor 2023 lijkt de sparkspread (gasinkoop minus elektriciteitsverkoop) bij de meeste bedrijven nog of weer redelijk tot goed. De aanpassing in het teeltplan (minder belichting) heeft wel voor problemen gezorgd bij de opkweekbedrijven. Alle bestellingen kwamen veel dichter bij elkaar te liggen. Voor aardbeien onder glas is de situatie echt anders. De meeste van die bedrijven hebben geen Warmte-Krachtkoppeling (WKK) en kunnen de gestegen gaskosten niet compenseren met de verkoop van elektriciteit. Daarnaast was de prijsvorming afgelopen voorjaar matig.

De prijsvorming van groente in de vollegrond (bijvoorbeeld prei) lijkt juist wat te zijn opgekrabbeld. Betekenen de lagere besteedbare inkomens van consumenten dat deze mogelijk juist wat meer seizoensgroenten in de winkelkar leggen?

De stemming in het hard- en zachtfruit is duidelijk minder. De kosten voor koeling kunnen niet (goed) worden doorberekend en van sommige appelsoorten, zoals de Elstar, is het aanbod relatief groot. De blauwe bes had ook geen geweldig 2022. De uitbreiding van het bessenareaal is in Nederland echt tot stilstand gekomen.

In de sierteeltsectoren was de rentabiliteit in 2022 over het geheel acceptabel, maar is de onzekerheid groter. Het verschil met het zeer goede jaar 2021 is erg groot. De (klok-)prijzen op Royal FloraHolland (RFH) zijn voor bloemen en planten op peil gebleven, maar bij sterk energie-intensief geteelde gewassen is de aanvoer flink gedaald. Meerdere bedrijven zijn tijdelijk of permanent gestopt en anderen hebben teelten (deels) afgeschaald.

Een voorbeeld van de onzekerheid is de grote afname van de voorverkoop door supermarkten van tulpen dit voorjaar. Deze onzekerheid werkt ook verder in de keten door, onder andere bij bollentelers. Want door de onzekere prijsvorming voor de tulpen- of leliebroei, lijkt ook de voorverkoop van bollen af te nemen. En wat er verkocht wordt, heeft dan wel een redelijke prijs, maar de hoeveelheid voorverkoop is duidelijk minder. Het is nu afwachten hoe het afzetseizoen gaat verlopen. De afzet van bloembollen op pot en droogverkoop heeft het eveneens moeilijk. De verkoop van leliebollen voor de broei in het buitenland is wel op peil.

De boomkwekerij loopt wel minder dan de afgelopen coronajaren, maar de opbrengsten zijn toch nog voldoende om de kosten te dekken. Na de goede jaren 2020 en 2021 neigt het rendement nu meer richting het gemiddelde jaar 2019.

Tot zover de huidige gang van zaken en het korte termijn vooruitzicht. Maar welke beleidszaken zijn voor de tuinbouw belangrijk voor de lange termijn?

30 november 2022: Samenwerking voor de realisatie van de energietransitie

Het heeft even geduurd, maar de ministeries van Landbouw, Economische zaken en Klimaat en Financiën hebben samen met de glastuinbouwsector, het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022-2030 eind november 2022 ondertekend. Dit is een pakket maatregelen dat moet bijdragen aan energiebesparing en verduurzaming. Dit is nodig voor een gezonde en winstgevende glastuinbouw.

Volgens het convenant mag de glastuinbouw in 2030 tussen 4,3 en 4,8 MTon CO2-equivalenten aan emissies hebben. In het convenant wordt voor 2020 uitgegaan van een emissie van 7,9 Mton CO2-equivalent (bron: KEV, 2021). Maar volgens Wageningen UR is in 2021 de emissie zelfs met 5% toegenomen door meer gebruik van de WKK’s. De doelstellingen zijn dus fors.

    Volgens het convenant kunnen de doelen in 2030 behaald worden door 20% energiebesparing en gebruik van 30 petajoule duurzame alternatieven, zoals aardwarmte, restwarmte, warmte-koude opslag of elektrificatie met groene energie. Er is dan wel 2 MTon alternatieve CO2-voorziening nodig, bijvoorbeeld uit de industrie. Uit verbruiksgegevens van de glastuinbouw over 2022 kan worden afgeleid dat de 20% besparing goed haalbaar is. Naast een scherpe bewustwording (mede door de hoge prijzen) en aanpassing van teeltplannen, hebben de massale omschakeling naar led-verlichting en investeringen in extra schermen en toepassing van technieken voor ontvochtiging daar al voor een flink deel aan bijgedragen. De tweede doelstelling (verduurzaming) lijkt momenteel moeilijker. Een vernieuwde SDE-regeling waarbij de subsidie afhankelijk is van de warmteprijs in plaats van de gasprijs laat op zich wachten. Realisatie van nieuwe aardwarmteprojecten zijn daar toch sterk van afhankelijk. Tot slot dient er ook definitieve duidelijkheid te komen over de wijze waarop de overheid de risico’s na boring inschat. Realisatie van de doelen komt in gevaar als de situatie in Limburg zich ergens anders herhaalt. Daar liggen nog altijd aardwarmteprojecten stil omdat het niet duidelijk is in hoeverre de projecten verantwoordelijk zijn voor mogelijke (aardbevings-)risico’s na de ingebruikname.

De alternatieve beschikbaarheid van CO2 voor de glastuinbouw is wél realiseerbaar. Dat hangt wel af van de opstelling van de overheid over CO2-opslag door de industrie onder de zeebodem. Maar daarnaast zijn er inmiddels ook veelbelovende innovaties, waarbij CO2 op termijn wellicht kan worden afgevangen en beschikbaar komt voor het kasklimaat.

28 november 2022: Afsprakenkader Emissieloze kas is verlengd

De Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft normen aan de emissies van meststoffen en gewasbescherming. Dit moet leiden tot schoon oppervlaktewater in 2027. Ook op dit beleidsterrein heeft de (glas-)tuinbouw de weg naar voren ingezet. Een voorbeeld hiervan is dat in de periode 2011-2013 bijna alle glastuinbouwpercelen binnen Waterschap Delfland zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. Dat komt neer op ongeveer een derde van het landelijk areaal.

Toen bleek dat de kwaliteit van het oppervlaktewater nauwelijks verbeterde, is in de periode vanaf 2014 met een gebiedsgerichte aanpak gestart. Deze aanpak werd opgenomen in het afsprakenkader 2019-2022 tussen relevante partijen in Zuid-Holland. Per polder – met veel glastuinbouw - is een plan van aanpak opgesteld en zijn de concentraties nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen tot 2020 voortdurend gedaald. Sindsdien lijkt de daling niet door te zetten. Reden om in het nieuwe afsprakenkader in te zetten op nog meer kennisuitwisseling, verbetering van communicatie en verscherpte handhaving.

“Niet weglopen van verantwoordelijkheid, maar samen de hand aan de ploeg.”

Natuurlijk zijn de resultaten van het Waterschap Delfland slechts een voorbeeld. De resultaten geven aan dat samen optrekken en van elkaar een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het handhaven of verbeteren van de maatschappelijke acceptatie van de (glas-)tuinbouw.

18 november 2022: Convenant over verlagen milieu-impact potgrond en substraten

In meerdere landen om ons heen (waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland) woedt al enkele jaren een stevige discussie over het gebruik van veen in de tuinbouw. Consumenten, supermarkten, niet-gouvernementele organisaties (ngo) en overheden (Tweede Kamer) uiten hun bezorgdheid vooral over de CO2-emissie die vrijkomt bij de veenwinning.

Aan de andere kant is een goed substraat natuurlijk onmisbaar in het bereiken van een efficiënte tuinbouwproductie. Met een slechter substraat is de productie lager en daarmee de uiteindelijke CO2-uitstoot per eenheid product hoger. Het convenant met allerlei ketenpartijen probeert een goed evenwicht te vinden tussen deze deelbelangen. Op hoofdpunten ziet het er als volgt uit:

    In 2025 wordt een gebruik van hernieuwbare grondstoffen van 35% voorzien voor de professionele markt en van 60% voor de particuliere markt. Het gebruik van compost moet worden verdubbeld tot 600.000 m3 en de veenwinning vindt alleen nog plaats onder het keurmerk: ‘Responsible Peat Production’. Voor 2030 wordt geprobeerd om voor de particuliere markt minimaal 85% hernieuwbare grondstoffen te gebruiken. De professionele markt gaat aan de slag met een footprint-analyse via een Levenscyclusanalyse (LCA) om de milieu-impact van grondstoffen goed te kunnen afwegen. Daarmee kan op termijn een nieuwe doelstelling worden geformuleerd. De doelstelling voor 2050 is om alleen nog gebruik te maken van substraten die geen negatieve milieu-impact geven in de keten en CO2-neutraal zijn. Hernieuwbare grondstoffen moeten dan minimaal 90% van het ketenvolume bedragen.

De professionele tuinbouw lijkt goed in staat om de doelstellingen voor 2025 en 2030 te behalen. Wel gaan veel van de substraten vanuit Nederland ook naar het buitenland. Het lijkt vreemd om straks uiteenlopende doelstellingen te hebben voor tuinders in verschillende EU-landen.

De footprint-analyse via een LCA is over enkele jaren niet meer weg te denken uit de tuinbouw. Rabobank verkent de mogelijkheden om dit instrument in te zetten in het financieringsbeleid voor de tuinbouw. Wat er halverwege deze eeuw moet zijn bereikt, is nog sterk afhankelijk van innovatie- en marktontwikkelingen. De haalbaarheid van die lange termijn doelstelling is daarmee nog wel uitdagend.

26 november 2021: Gewijzigd 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP)

Een goede waterkwaliteit is voor de tuinbouw van groot belang. Het 7e AP geeft daarvoor een kader. Dat heeft soms grote gevolgen voor de (eenjarige) buitenteelten. In eerdere voorstellen was daarbij sprake van veel middelvoorschriften. In de wijzigingen staat in elk geval veel meer het doel centraal en wordt telers een maatwerkaanpak in het vooruitzicht gesteld. Toch lijken meerdere regels nog steeds op een set voorschriften vooraf:

    Verplichte teeltvrije zones langs watervoerende sloten; Verplichte inzaai van rust- en vanggewassen op zand en löss met uitzondering van langjarige gewassen en biobedrijven; Herziening van de mestnormen.

Er valt op de effectiviteit, haalbaarheid en controleerbaarheid daarom nog wel een en ander aan te merken. Met dergelijke middelvoorschriften wordt voorbijgegaan aan de grote verscheidenheid in teeltplannen, bodemsoorten, seizoenlengtes en watersituaties. Vandaar het pleit voor de eerder genoemde maatwerkaanpak. Let wel, daarbij staat niet het waterkwaliteitsdoel ter discussie, maar kan wel worden ingespeeld op de specifieke bedrijfssituatie. Wellicht is het een goed idee om na de Open Bodem Index ook eens nadenken over een Open Oppervlaktewater Index?

Wil je graag eens spiegelen over wat je als ondernemer met al deze lange termijn ontwikkelingen kan doen? Onze sectormanagers staan altijd open voor een gesprek.