Onderzoek

Veronderstelde welvaartskloof tussen stad en platteland geen verklaring voor negatieve sentimenten

14 maart 2023 5:00 RaboResearch

In Nederland gaat de welvaartsdiscussie vaak over verschillen tussen provincies, de Randstad ten opzichte van de rest van het land en tussen de stad en het platteland. Zo zouden mensen op het platteland minder welvarend zijn dan mensen die in de stad wonen. RaboResearch heeft onderzocht of dit waar is.

Sheep walking on a dike in a polder just north of Rotterdam, The Netherlands with the city's skyline in the distance

In het kort

Niet zelden veronderstellen mensen dat regionale welvaartsverschillen ten grondslag liggen aan verschillen in sentiment over de richting die een land opgaat.[1] Binnen Nederland gaat het dan vaak over welvaartsverschillen tussen provincies, tussen Randstad en de rest van Nederland en tussen de stad en het platteland. Zo zouden mensen op het platteland en buiten de Randstad minder welvarend zijn dan mensen in respectievelijk de stad en de Randstad, resulterend in een negatievere stemming over de richting die Nederland opgaat. In dit onderzoek weerleggen we deze veronderstelling.

Om na te gaan in hoeverre verschillen in het sentiment van mensen over de richting die Nederland opgaat samenhangt met verschillen in welvaart tussen mensen, gebruiken we een enquête die we het afgelopen jaar hebben afgenomen onder meer dan tienduizend Nederlanders van achttien jaar en ouder. Allereerst valt op dat mensen over het algemeen meer negatief dan positief gestemd zijn over de richting die Nederland opgaat. We concluderen dat welvaartsverschillen tussen mensen inderdaad samenhangen met verschillen in sentiment over de richting die Nederland opgaat, maar hier ligt geen gangbare regionale verklaring aan ten grondslag. Rekening houdend met allerhande kenmerken van mensen zoals hun opleidingsachtergrond en huishoudenssamenstelling vinden we nauwelijks tot geen verschillen in welvaart tussen bijvoorbeeld provincies en tussen mensen binnen en buiten de Randstad. Deze gangbare regionale indelingen zijn te grof om deze verschillen te duiden. En hoewel we verschillen in welvaart en sentiment vinden tussen stad en platteland, gaan deze verschillen de tegengestelde richting op: ondanks dat mensen op het platteland in brede zin welvarender zijn dan mensen in de stad, is de eerste groep mensen negatiever gestemd over de richting die Nederland opgaat dan de laatste groep.

De geografie van het negatieve sentiment over de richting van Nederland heeft dus niet zozeer te maken met regionale welvaartsverschillen. Dit komt vooral doordat welvaartsverschillen binnen Nederland een sociaaleconomische achtergrond hebben: welvaartsverschillen spelen zich af tussen mensen die wel en geen huis bezitten, tussen mensen met en zonder opleidingsachtergrond aan hogeschool of universiteit, tussen mensen zonder en met gezondheidsbeperking, tussen mensen met een hoger en lager inkomen en tussen mensen met en zonder vaste baan. Vaak zien we deze groepen ook oververtegenwoordigd in het negatieve sentiment over de richting die Nederland opgaat. Beleidsmakers zouden er dus goed aan doen om zich met name op deze verschillende groepen te richten. Dergelijk beleid kán een regionale component hebben als groepen oververtegenwoordigd zijn in bepaalde gebieden, maar loopt het risico de plank mis te slaan als beleidsmakers enkel afgaan op de veronderstelling dat welvaartsverschillen zich met name tussen regio’s manifesteren.

Zie bijvoorbeeld: the revenge of places that don’t matter.

Nederlanders overwegend negatief over de richting die Nederland opgaat

Halverwege 2022 vroegen we mensen of het over het algemeen de verkeerde of de goede kant opgaat in Nederland (figuur 1). Het beeld dat hieruit ontstaat, is overwegend negatief: 39 procent gaf aan dat het duidelijk de verkeerde kant opgaat en nog eens 47 procent gaf aan dat het iets meer de verkeerde kant opgaat dan de goede kant. In totaal was dus zo’n 86 procent van de Nederlanders, gewogen naar geslacht, leeftijd en opleidingsachtergrond, overwegend negatief over de richting die Nederland opgaat. Slechts 1 procent van de Nederlanders gaf aan dat het duidelijk de goede kant opgaat.

Figuur 1: De meeste Nederlanders vinden het meer de verkeerde kant dan de goede kant opgaan

Bron: RaboResearch

Maar niet overal in Nederland zijn mensen even negatief

Het algehele negatieve sentiment verschilt wel tussen regio’s. Figuur 2 geeft de woonplaats van de respondenten uit de enquête en hun antwoord op de vraag hoe ze tegenover de richting die Nederland opgaat aankijken weer (box 1). Respondenten in de provincies Drenthe, Zeeland en (grote delen van) Friesland, Flevoland en Limburg zijn over het algemeen vaker negatief gestemd. Toch zien we vooral ook binnen provincies verschillen. Amsterdam en Tilburg vallen op als plekken waarbinnen het aandeel respondenten die negatief gestemd zijn over de richting van Nederland relatief klein is. Hieruit volgt niet zozeer een onderscheid tussen mensen binnen en buiten de randstad, maar we zien wel dat mensen in steden (inclusief steden buiten de randstad) over het algemeen iets minder negatief gestemd zijn over de richting die Nederland opgaat dan mensen in meer landelijke gebieden.

Box 1. Methodologie achter de kaarten

De kaarten in deze studie vormen een weergave van de antwoorden van deelnemers aan de enquête over ervaren brede welvaart die we de afgelopen vier jaar steeds in de maanden mei en juni hebben uitgezet onder zo’n tienduizend Nederlanders van achttien jaar en ouder. Deze steekproef is voor Nederland als geheel representatief naar provincie, leeftijdsgroepen, geslacht en opleidingsachtergrond. Dat deze steekproef representatief is voor Nederland als geheel betekent niet dat de set aan respondenten die we voor iedere regio hebben altijd representatief is voor die regio. Toch hebben we een ruimtelijke weergave willen bieden van de enquêteresultaten. Dit doen we door iedere respondent op basis van zijn of haar postcode toe te wijzen aan een plek in Nederland van twee vierkante kilometer. Voor iedere plek berekenen we vervolgens een score door gebruik te maken van de driehonderd dichtstbijzijnde andere respondenten. Daarbij wegen nabije observaties zwaarder mee dan verder gelegen observaties.[2] Omdat in het ene gebied meer observaties zijn dan het andere, varieert het bereik om tot driehonderd observaties te komen. Dit betekent dat de score van de meest dichtbevolkte plekken minder afhankelijk is van de antwoorden van respondenten die verder weg gelegen zijn dan de scores van minder dichtbevolkte plekken. De radius om te komen tot driehonderd respondenten varieert dan ook van vier kilometer in bijvoorbeeld Amsterdam tot vijftig kilometer in bijvoorbeeld Zeeuws-Vlaanderen. De gemiddelde radius is vijftien kilometer.

[2] We maken hier gebruik van de interpolatiemethode inverse distance weighting (IDW).

Figuur 2: Sentiment over de richting die Nederland opgaat in sommige delen van het land minder negatief dan in andere delen

Bron: RaboResearch

Mensen die minder brede welvaart ervaren, zijn doorgaans negatiever gestemd over de richting die Nederland opgaat

Het sentiment van mensen over de richting die Nederland opgaat, hangt samen met hun ervaren brede welvaart (box 2). Mensen die minder welvaart ervaren, zijn geneigd de richting die Nederland opgaat negatiever te beoordelen (figuur 3). Ook wanneer we rekening houden met andere kenmerken van mensen, zoals geslacht, opleidingsachtergrond en inkomen, blijft deze relatie overeind staan. Tegelijkertijd is duidelijk dat verschillen in brede welvaart tussen mensen niet de volledige verklaring vormen voor verschillen in hoe zij denken over de richting die Nederland opgaat. Los van de huidige positie die mensen innemen op de welvaartsladder, spelen andere factoren een rol bij het verklaren van het negatieve sentiment van mensen; denk daarbij bijvoorbeeld aan de verwachtingen die mensen hebben over hun toekomstige positie op de welvaartsladder en de onzekerheid die ze daarbij ervaren.

Figuur 3: Negatief sentiment over de richting die Nederland opgaat hangt samen met lagere ervaren brede welvaart

Bron: RaboResearch

Box 2. Het meten van de brede welvaart die mensen ervaren

Wat mensen van waarde vinden, reikt verder dan wat we met elkaar produceren, consumeren en aan inkomen verdienen. Zo gaat welvaart ook over onze gezondheid, persoonlijke ontwikkeling en veiligheid. Daarom spreken we ook wel over brede welvaart. Brede welvaart, omdat we het niet hebben over een enkele maar over verschillende welvaartsdimensies (figuur 4). De staat van en ontwikkelingen in brede welvaart kun je op verschillende manieren meten. Eén manier is door mensen in een enquête te vragen naar hun ervaren brede welvaart op ieder van de elf welvaartsdimensies. Het gaat hierbij dus nadrukkelijk om de welvaart zoals de respondenten die zelf ervaren. De vragen die wij hanteren om de ervaren brede welvaart van mensen te meten, staan in de bijlage in tabel 1.

Figuur 4: De elf dimensies van brede welvaart

Bron: RaboResearch, Universiteit Utrecht

Toch vormen regionale welvaartsverschillen geen verklaring voor regionale verschillen in sentiment

Net als voor het negatieve sentiment over de richting die Nederland opgaat, ontstaat ook voor brede welvaart een divers regionaal beeld als we de enquête-antwoorden van respondenten over de kaart van Nederland uitsmeren (figuur 5). Dit beeld sluit alleen niet tot nauwelijks aan op het regionale beeld van het negatieve sentiment over de richting die Nederland opgaat. Bovendien is de regionale verdeling van brede welvaart erg afhankelijk van de onderliggende dimensie waarnaar je kijkt (box 3).

Figuur 5: Regionale verdeling van ervaren brede welvaart

Bron: RaboResearch

Opvallend is dat er nauwelijks generieke verschillen in ervaren brede welvaart bestaan tussen provincies (figuur 6). Drenthe en Friesland behoren samen met Zuid-Holland weliswaar tot de drie provincies met gemiddeld genomen de laagste ervaren brede welvaart, maar deze verschillen zijn ten opzichte van de meeste andere provincies niet statistisch significant. De provincies Utrecht en Flevoland leiden de ranglijst van ervaren brede welvaart, terwijl het sentiment in grote delen van die laatste provincie negatiever gestemd is.

Ook als we de brede welvaart die mensen ervaren in de Randstad afzetten tegen de brede welvaart die mensen buiten de Randstad ervaren, observeren we geen statistisch significante verschillen. Buiten de Randstad ervaren mensen gemiddeld genomen zelfs een iets hogere brede welvaart, maar het verschil met mensen in de Randstad is dus niet statistisch significant.

Het enige verschil dat regionaal gezien standhoudt, is dat tussen mensen op het platteland en in de stad. Opvallend hierbij is echter wel dat niet de mensen in steden, maar de mensen op het platteland juist een hogere brede welvaart ervaren. Met name op het vlak van milieu, veiligheid en maatschappelijke betrokkenheid is de kans groter dat mensen in steden minder brede welvaart ervaren. Dat voor mensen in steden op het vlak van sociale contacten de kans groter is dat ze meer brede welvaart ervaren, maakt de algehele ervaren brede welvaart van stedelingen niet goed; hoewel de verschillen klein zijn, ervaren stedelingen significant minder brede welvaart dan mensen op het platteland.

[3] Voor de Randstad hanteren een definitie van het CBS. Deze omhelst de provincie Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland exclusief de regio’s Kop van Noord-Holland, Alkmaar en omgeving en IJmond.

Figuur 6: Welvaartsverschillen langs gangbare regionale indelingen gering en vaak niet statistisch significant

Bron: RaboResearch

Aan de hand van traditionele geografische indelingen (provincies, Randstad versus periferie, stedelijk versus landelijk gebied) zien we dus geen regionale verschillen in brede welvaart die de regionale verschillen in sentiment kunnen verklaren. Toch betekent dit niet dat er nergens in Nederland overeenkomsten zitten tussen een relatief lage brede welvaart en relatief veel negatief sentiment. Deze overeenkomsten komen alleen niet tot uitdrukking op het regionale schaalniveau van provincies, Randstad versus periferie en stedelijk versus landelijk gebied.

Hanteren we een fijnmaziger geografisch schaalniveau dan zien we wel degelijk dat sommige regio’s eruit springen qua relatief lage brede welvaart en tegelijkertijd relatief veel negatief sentiment over de richting die Nederland opgaat. Dat zijn bijvoorbeeld gebieden in de periferie (Zuidoost-Drenthe, Zeeuws-Vlaanderen, Zuid-Limburg) en Groot-Rijnmond; daar beschikken mensen gemiddeld genomen over een relatief lage brede welvaart en zijn ze bovendien over het algemeen negatiever gestemd over de richting die Nederland opgaat. Merk op dat dit typisch regio’s zijn waar met name de baanzekerheid lager is (zie figuur 9d; box 3). Daartegenover staat een aantal regio’s waar mensen gemiddeld genomen over een relatief hoge brede welvaart beschikken en bovendien minder negatief gestemd zijn over de richting die Nederland opgaat. Het gaat dan over bijvoorbeeld mensen in Gooi & Vechtstreek, de Veluwe, Midden-Noord-Brabant en Alkmaar en omgeving.

Box 3. Grote regionale verschillen op de dimensies van brede welvaart

De regionale verschillen op de afzonderlijke dimensies van ervaren brede welvaart tonen wij in de figuren 4 t/m 6.[4] In gebieden met een donkere kleur wonen relatief veel mensen die een score hebben op de desbetreffende dimensie die lager is dan de laagste score van 50 procent van de mensen in Nederland met de hoogste scores (oftewel een score onder de mediaan).[5] Scoort 50 procent van de mensen in Nederland een 4 of hoger op een bepaalde dimensie (op een schaal van 1 t/m 7), dan geeft de donkere kleur dus aan dat er relatief veel mensen in dat gebied wonen dat een 3 of lager scoort. Anders gezegd: hoe donkerder de kleur, hoe groter het aandeel mensen dat behoort de groep mensen met de laagste scores in Nederland.

De ruimtelijke patronen die we voor de verschillende dimensies van ervaren brede welvaart observeren kunnen in drie groepen worden ingedeeld:

    Een groep dimensies waarbij met name stedelijk gebied in de Randstad er ten opzichte van de rest van Nederland negatief uitspringt (figuren 4a t/m 4b). Het gaat hierbij om de dimensies milieu, huisvesting en veiligheid; dimensies die ook vaak geassocieerd worden met negatieve effecten van verstedelijking. Uitzondering hierbij vormt de dimensie huisvesting, waarvoor geldt dat los van stedelijk gebied in de Randstad ook het aardbevingsgebied in Groningen en omgeving Arnhem er negatief uitspringen. Een groep dimensies waarbij met name stedelijk gebied (binnen én buiten de Randstad) er over het algemeen negatief (subjectief welzijn en maatschappelijke betrokkenheid) dan wel positief uitspringt (sociale contacten). Het beeld ontstaat dat mensen in stedelijk gebied weliswaar beter in staat zijn bevredigende sociale contacten te onderhouden, maar dat dit niet samengaat met meer maatschappelijke betrokkenheid en subjectief welzijn in stedelijk gebied. Bij de overige brede welvaartdimensies zien we een minder eenduidig ruimtelijk patroon, of zien we dat verschillen heel regio specifiek zijn en niet zozeer de scheiding Randstad-elders of stad-platteland volgen. Denk daarbij aan inkomen, waarvoor vrijwel de gehele provincie Utrecht er positief uitspringt. Op de dimensie gezondheid valt Noord-Nederland (exclusief stad Groningen) negatief op, met in het bijzonder Oost-Groningen en Zuidoost-Drenthe, maar ook Zuid-Limburg, Zeeland en omgeving Lelystad. Bij werk-privébalans vallen Zeeland en Arnhem-Nijmegen op in negatieve zin. Voor baanzekerheid lijkt er in positieve zin een band te bestaan die grofweg loopt vanaf Leiden/bollenstreek via Utrecht naar Zwolle. En voor persoonlijke ontwikkeling lijkt zo’n zelfde band te bestaan die loopt van Amsterdam via Utrecht-Wageningen-Nijmegen naar Eindhoven; ook de stad Groningen springt er voor deze dimensie relatief positief uit.

Tellen we de 11 dimensies bij elkaar op zoals in figuur 4, dan geldt voor sommige gebieden dat de positieve scores op de ene dimensie worden weggestreept tegen de negatievere scores op een andere dimensie. Per saldo scoren deze regio’s dan relatief positief noch negatief op de algehele ervaren brede welvaart.

[4] Door onze enquêteresultaten van de jaren 2019 tot en met 2022 samen te voegen, ontstaat een dataset met ruim 17.000 unieke observaties. Dit zijn unieke observaties, en personen die de enquête meerdere jaren invullen nemen wij maar één keer mee. In dat geval pakken we de observatie uit het meest recente jaar. Hierdoor zijn de meeste observaties uit het jaar 2022.

[5] We werken met het percentage mensen onder de mediaanscore op een dimensie in plaats van het berekenen van een gemiddelde om het ordinale karakter van de dimensiescores in ogenschouw te houden.

Figuur 7a: Stedelijk gebied in de randstad scoort lager op de dimensie milieu

Bron: RaboResearch

Figuur 7b: Stedelijk gebied in de randstad scoort lager op de dimensie huisvesting

Bron: RaboResearch

Figuur 7c: Stedelijk gebied in de randstad scoort lager op de dimensie veiligheid

Bron: RaboResearch

Figuur 8a: Stedelijk gebied in het algemeen scoort lager op de dimensie subjectief welzijn

Bron: RaboResearch

Figuur 8b: Stedelijk gebied in het algemeen scoort lager op de dimensie maatschappelijke betrokkenheid

Bron: RaboResearch

Figuur 8c: Stedelijk gebied in het algemeen scoort hoger op de dimensie sociale contacten

Bron: RaboResearch

Figuur 9a: Een minder eenduidig ruimtelijk patroon, of regio-specifieke verschillen bij de dimensie inkomen

Bron: RaboResearch

Figuur 9b: Een minder eenduidig ruimtelijk patroon, of regio-specifieke verschillen bij de dimensie gezondheid

Bron: RaboResearch

Figuur 9c: Een minder eenduidig ruimtelijk patroon, of regio-specifieke verschillen bij de dimensie werk-privébalans

Bron: RaboResearch

Figuur 9d: Een minder eenduidig ruimtelijk patroon, of regio-specifieke verschillen bij overige dimensie baanzekerheid

Bron: RaboResearch

Figuur 9e: Een minder eenduidig ruimtelijk patroon, of regio-specifieke verschillen bij overige dimensie persoonlijke ontwikkeling

Bron: RaboResearch

Het zijn vooral sociaaleconomische kenmerken die van belang zijn voor sentiment én ervaren brede welvaart

Of iemand negatief is over de richting die Nederland opgaat én minder brede welvaart ervaart, is over het algemeen niet zozeer afhankelijk van de plek waar iemand woont; belangrijker is de sociaaleconomische achtergrond (zie figuur 10 en tabel 3 in de bijlage). Over het algemeen zien we dat mensen die een gezondheidsbeperking hebben, beschikken over een laag inkomen, niet beschikken over een vaste baan of geen opleiding aan een hogeschool of universiteit hebben genoten zowel minder brede welvaart ervaren als negatiever zijn over de richting die Nederland opgaat. Ook zien we dat de verschillen tussen provincies, voor zover deze er überhaupt zijn, kleiner worden zodra we rekening houden met de sociaaleconomische kenmerken van mensen. Een deel van de verschillen in brede welvaart tussen regio’s kunnen we dus verklaren door verschillen in de samenstelling van de bevolking binnen die provincies. Overigens neemt dit niet weg dat in bepaalde gebieden van Nederland mensen met specifieke sociaaleconomische kenmerken relatief oververtegenwoordigd zijn, bijvoorbeeld in Zuid-Holland. Deze gebieden staan dus voor de grote opgave om de brede welvaart van deze groep te verbeteren.

Traditionele geografische indelingen bewijzen welvaartsbeleid geen dienst

Mensen met een lagere brede welvaart staan over het algemeen negatiever ten opzichte van de richting die Nederland opgaat. Maar hier ligt geen traditionele regionale verklaring (zoals verschillen tussen stad en platteland of tussen provincies in de Randstad en de rest van Nederland) aan ten grondslag. Rekening houdend met sociaaleconomische kenmerken van mensen vinden we nauwelijks tot geen verschillen in welvaart tussen bijvoorbeeld provincies en tussen mensen binnen en buiten de Randstad. De regionale verdeling van het negatieve sentiment over de richting van Nederland heeft dus niet zozeer te maken met dit soort regionale welvaartsverschillen.

Welvaartsverschillen binnen Nederland hebben vooral een sociaaleconomische achtergrond: ze spelen zich af tussen mensen die wel en geen huis bezitten, tussen mensen met en zonder opleiding aan hogeschool of universiteit, tussen mensen zonder en met gezondheidsbeperking, tussen mensen met een hoger en lager inkomen en tussen mensen met en zonder vaste baan. Vaak zien we deze groepen ook oververtegenwoordigd in het negatieve sentiment over de richting die Nederland opgaat. Het regionale beeld dat ontstaat is daarmee dan ook veel genuanceerder en complexer dan te duiden valt in gangbare onderscheiden tussen stad en platteland, tussen Randstad en de rest van Nederland en tussen de ene en de andere provincie.

In plaats van af te gaan op traditionele regionale indelingen kan welvaartsbeleid zich beter richten op specifieke groepen mensen die achterblijven in brede welvaart. Dergelijk beleid kán een regionale component hebben als groepen oververtegenwoordigd zijn in bepaalde gebieden. Maar beleidsmakers lopen het risico de plank mis te slaan als zij enkel afgaan op de veronderstelling dat welvaartsverschillen zich met name tussen regio’s manifesteren. En door de welvaart van specifieke groepen te vergroten, maken zij de kans groter dat zij ook het negatieve sentiment (in ieder geval deels) wegnemen.

Bijlagen

De uitkomsten van de regressieanalyses in deze studie staan hieronder in tabel 3. We verklaren hierbij het niveau van brede welvaart, de scores op de dimensies en de richting die Nederland op gaat. Dit verklaren we aan de hand van een tal van sociaaleconomische kenmerken zoals inkomen, opleidingsachtergrond, gezondheidsbeperking, woningbezit, en werkstatus. We controleren voor geslacht, huishoudsamenstelling, kostwinnerschap, persoonlijkheid en humeur.

In het statistisch model zitten ook geografische variabelen, zoals de provincie waar iemand woont, of dat in de Randstad is en of het in een stedelijke omgeving is. Het effect van sociaaleconomische kenmerken is hierbij groter dan de waar iemand woont bij het verklaren van het niveau van brede welvaart, de dimensies en de richting die Nederland op gaat.

Tabel 1: Enquêtevragen over de elf dimensies van brede welvaart

Bron: RaboResearch

Tabel 2: Aandeel bevolking per regio volgens CBS en aandeel bevolking in de steekproef

Bron: CBS, RaboResearch

Figuur 10: Het niveau van brede welvaart (horizontale as) afgezet tegen het aandeel dat positief is ten aanzien van de richting die Nederland opgaat (verticale as)

Bron: RaboResearch

Tabel 3: Regressie-uitkomsten (klik op de afbeelding voor een vergroting!)

Bron: RaboResearch