Opinie

Gaan we het dan nooit leren: straks ook congestie op het gasnet?

9 november 2023 11:00 RaboResearch

Nederland heeft te maken met grote congestieproblemen op het elektriciteitsnet. Netbeheerders, de overheid en de ACM hadden anders kunnen handelen om deze problemen te voorkomen. Gaan we over een paar jaar dezelfde problemen op het aardgasnet zien?

A big traffic jam in a highway

Congestieproblemen elektriciteitsnet groter dan ooit

Het kan weinig mensen nog zijn ontgaan: Nederland heeft te maken met grote congestieproblemen op het elektriciteitsnet. Dit heeft onder andere tot gevolg dat grootverbruikers[1] in veel gevallen geen nieuw of groter transportcontract kunnen afsluiten met hun netbeheerder. Hierdoor kunnen bedrijven niet elektrificeren of uitbreiden, ondervindt de woningbouw problemen en is het op termijn zelfs niet uitgesloten dat er leveringsproblemen (lees: stroomstoringen) ontstaan. Half oktober kondigde demissionair minister Jetten daarom ‘onorthodoxe’ maatregelen aan om deze problemen het hoofd te bieden. Veel mensen vragen zich ondertussen af: hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hadden de netbeheerders de toegenomen vraag naar transportcapaciteit op het elektriciteitsnet niet kunnen zien aankomen?

[1] Consumenten met een elektriciteitsaansluiting groter dan 3x80 ampère.

Hadden netbeheerders de stijgende vraag naar transportcapaciteit kunnen zien aankomen?

Het antwoord op die vraag is: ja, deels wel. Iedereen wist dat de energietransitie er aan zat te komen. Dat er meer wind- en zonneparken zouden komen en dat warmtepompen en elektrische auto’s een opmars zouden maken. Maar de snelheid waarmee dat is gebeurd, is door de netbeheerders onderschat. Hierdoor is te laat begonnen met een grootschalige verzwaring van het elektriciteitsnet. Overheidsbeleid is voor een deel de verklaring voor de onderschatting van de snelheid van de energietransitie. Want nadat het kabinet had besloten om de aanleg van wind- en zonneparken te subsidiëren, nam het aantal wind- en zonneparken ineens rap toe. En de genereuze salderingsregeling heeft er mede toe geleid dat de groei van zonnepanelen op daken zo hard is verlopen dat Nederland nu wereldwijd koploper is op dit gebied. Daarnaast heeft Nederlands overheidsbeleid ertoe bijgedragen dat Nederland een van de landen is met het hoogste aandeel elektrische auto’s en laadpalen.

Naast de onderschatting van de snelheid van de energietransitie zijn er andere verklaringen voor het ontstaan van de huidige congestieproblematiek. Zo zijn de netbeheerders door de Autoriteit Consument en Markt (ACM)[2] altijd aangespoord om vooral geen meter kabel te veel in de grond te leggen omdat de kosten van aanleg en beheer van de elektriciteitsnetten zo laag mogelijk moesten liggen. Hierdoor zijn netbeheerders ontmoedigd om vooruit te investeren en dus ontmoedigd om rekening te houden met de te verwachten stijgende netbelasting. Deze instelling om voor een dubbeltje op de eerste rang te willen zitten, werkte in het verleden uitstekend, maar is niet geschikt voor een periode van transitie. De keuze voor dit reguleringssysteem komt nu als een boemerang bij de samenleving terug. Pas op dit moment (!) is de ACM aan het kijken of deze manier van regulering misschien moet worden aangepast. Verder is weten dát er meer windmolen- of zonneparken gaan komen niet voldoende; je moet weten wáár ze precies komen, anders kun je als netbeheerder de infrastructuur niet gaan aanpassen. Dit vereist duidelijke en stabiele beleidsvorming van gemeenten en provincies, die niet overhoop worden gehaald na verkiezingen en gewijzigde collegesamenstellingen. Daarnaast heeft de overheid pas zeer recentelijk een visie ontwikkeld op de ruimtelijke impact van de benodigde elektriciteitsinfrastructuur en gaat ze nu kijken of er proactief ruimte kan worden gereserveerd voor nieuwe kabeltracés en trafostations, in de hoop dat dit de doorlooptijd van de verzwaring van de infrastructuur verkort. Idealiter was dit al veel eerder gebeurd.

Maar achteraf is mooi wonen. De vraag is wel, wat hebben we hiervan geleerd? Vrij weinig, ben ik bang. Want als we niet oppassen, staat ons dezelfde ellende te wachten met het gasnet.

[2] Netbeheerders zijn monopolisten en worden daarom gereguleerd door de ACM. De kosten die netbeheerders maken, worden gedekt door de tarieven die zij in rekening brengen bij hun klanten. Maar om te voorkomen dat netbeheerders misbruik maken van hun monopoliepositie en geen prikkel hebben om efficiënt te werken, bepaalt de ACM hoe hoog die tarieven mogen zijn. Daarbij kijkt de ACM of de gemaakte kosten noodzakelijk en efficiënt zijn. Als dat niet zo is, worden deze kosten niet meegenomen in de berekening van de tarieven.

Gebouwde omgeving moet aardgasvrij worden

Nederland heeft een uitgebreide aardgasinfrastructuur. Geen enkel ander Europees land komt ook maar in de buurt van Nederland wanneer we kijken naar het aandeel van aardgas in de energievoorziening van de gebouwde omgeving. Nu heeft de Nederlandse overheid zich ten doel gesteld dat de gebouwde omgeving in 2050 aardgasvrij is. Dat is een mooi doel dat past bij de ambitie om in 2050 een klimaatneutrale samenleving te hebben. Wel betekent dit dat de aardgasinfrastructuur in veel wijken uiteindelijk zal verdwijnen, omdat er een warmtenet voor in de plaats komt of omdat mensen met behulp van een warmtepomp hun woning gaan verwarmen. Het betekent ook dat de vraag naar aardgas vanuit de gebouwde omgeving de komende jaren zal afnemen, ook vanwege betere isolatie. En dat is een probleem.

Lokale productie van groen gas moet snel verachtvoudigen

Want tegelijkertijd heeft de Nederlandse overheid de ambitie om lokaal meer groen gas te gaan produceren. Groen gas is biogas (een methaanhoudend gas van biogene oorsprong) dat is opgewerkt tot aardgaskwaliteit. De productie daarvan vindt veelal plaats in relatief kleine vergistingsinstallaties, bijvoorbeeld bij agrariërs of rioolwaterzuiveringsinstallaties. In 2022 is ongeveer 0,23 bcm (miljard kubieke meter) groen gas opgewekt en dat moet in 2030 2 bcm zijn, acht keer zoveel dus. Om dat te kunnen bewerkstelligen, moet de overheid stimuleringsmaatregelen nemen, een beetje vergelijkbaar met wat er jaren geleden is gebeurd met het stimuleren van wind- en zonneparken.

Aardgasnet is niet ingericht op sterke toename lokale invoeding groen gas

Het probleem is echter dat het huidige aardgasnet helemaal niet is ingericht om zoveel groen gas op te kunnen nemen. Dat zit zo: net als het elektriciteitsnet bestaat het aardgasnet uit verschillende delen. Zo heb je grote hoofdtransportleidingen met een hoge druk, regionale transportleidingen met een middelhoge druk en lagedruknetten met – je verwacht het al – een lage druk. Los van de energie-intensieve industrie zijn vrijwel alle aardgasconsumenten aangesloten op het lagedruknet. Anders dan bij het elektriciteitsnet werkt het aardgasnet echter standaard niet bi-directioneel. Dit houdt in dat aardgas wel vanuit de transportleidingen via regionale netten naar lagedruknetten kan stromen, maar niet andersom. De druk neemt immers steeds verder af en net zoals water niet spontaan van laag naar hoog loopt, stroomt gas niet spontaan van lagedruk naar hogedruk. En daar zit hem de crux.

Want invoeding van groen gas op het aardgasnet gebeurt doorgaans op het lagedruknet. Nu is de productie van groen gas door het jaar heen vrij constant, maar de vraag naar aardgas natuurlijk niet. In de zomer is de vraag veel lager dan in de winter. Daardoor kan de lagedrukleiding waar een groengasinvoeder op is aangesloten in de zomer ‘vol’ raken: de productie van groen gas gaat immers door terwijl het afnameniveau laag is. Eigenlijk zou je dan een deel van dat gas ‘naar boven’ willen transporteren, namelijk naar het regionale transportnet of zelfs naar het hoofdtransportnet, maar dat kan dus niet zomaar. Daarvoor moet je het gas eerst comprimeren met een booster. Een andere oplossing is om verschillende leidingen aan elkaar te koppelen zodat een grotere groep consumenten het gas van de groengasinvoeder kan afnemen. Hoe dan ook zijn er aanpassingen nodig aan het aardgasnet. En hoe lager de vraag naar aardgas wordt, hoe meer aanpassingen er nodig zijn om ‘volle’ aardgasleidingen en dus netcongestie te voorkomen.

Netbeheerders, trek aan de bel en maak een plan!

Wat we dus nodig hebben, is een actieplan. Een plan om het aardgasnet voor te bereiden op de gewenste sterke toename van lokale groengasproductie in combinatie met de gewenste afname van de vraag naar aardgas. Nu hebben de netbeheerders recentelijk een mooi rapport uitgebracht, getiteld ‘Integrale infrastructuurverkenning 2030-2050’, dat ingaat op de benodigde toekomstige energie-infrastructuur. Dit rapport besteedt echter voornamelijk aandacht aan de congestieproblematiek op het elektriciteitsnet. Er wordt ook wel gesproken over gasnetten, maar dan met name over infrastructuur voor waterstof. Nergens in het 204 pagina’s tellende rapport of in de 88 pagina’s tellende bijlage staat iets over mogelijke congestieproblemen op het aardgasnet.

Ik ben daarom bang dat de ezel zich twee keer aan dezelfde steen gaat stoten. Hoe kunnen we dat voorkomen? Om te beginnen raad ik de netbeheerders aan heel duidelijk te maken dat zij ruim op tijd moeten weten wáár er in de toekomst groen gas gaat worden geproduceerd zodat zij op die locaties de infrastructuur kunnen aanpassen, indien nodig. Idealiter maken netbeheerders nu al berekeningen en plannen die aangeven waar – vanuit het perspectief van de infrastructuur – groengasproducenten zich het beste kunnen vestigen, waar de netbeheerders leidingen aan elkaar gaan koppelen en boosterstations gaan installeren. We weten nu immers dat wachten met het aanpassen van de infrastructuur totdat de concrete vraag naar die infrastructuur er is, betekent dat je te laat bent. Maar om dit goed te kunnen doen, is eigenlijk eerst een overkoepelende visie nodig waarin de voor- en nadelen van lokale, kleinschalige invoeding van groen gas (op het lagedruknet) worden afgezet tegen die van grootschaliger, centrale invoeding van groen gas (op de transportnetten). Deze visie zouden overheid en netbeheerders samen moeten ontwikkelen. Pas daarna kan de overheid gericht stimuleringsbeleid voor groengasproducenten optuigen, dat past in die visie. Ook de plannen die gemeenten hebben om bepaalde wijken aardgasvrij te maken – en andere juist op langere termijn volledig van groen gas te voorzien – kunnen dan op deze visie worden afgestemd. Zo kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat groengasinvoeders zich gaan vestigen in gebieden waar de gasvraag vanuit de gebouwde omgeving op den duur helemaal wegvalt. Tegelijkertijd zou vanuit de ACM een discussie moeten plaatsvinden over hoe de benodigde investeringen in het aardgasnet moeten worden verrekend in de netbeheerderstarieven voor aardgas, die toch al oplopen omdat er steeds minder aangeslotenen zijn op het aardgasnet (waardoor de kosten dus over steeds minder afnemers kunnen worden verdeeld).

Als alle partijen nu hun verantwoordelijkheid nemen, kunnen we voorkomen dat potentiële groengasproducenten over een paar jaar op een wachtlijst komen voor een aansluiting op het aardgasnet omdat er sprake is van congestie, en dat de dan zittende minister samen met de netbeheerders een noodplan moet aankondigen om de problemen niet nóg groter te laten worden dan ze al zijn. Als er nu wél op tijd aan de bel wordt getrokken, dan zal netcongestie op het aardgasnet in ieder geval niet de bottleneck zijn voor het behalen van de groengasambities.

Deze column is eerder verschenen bij Energiepodium.