Onderzoek
Europese drone-investeringen: welk aandeel krijgt Nederland?
De Europese Unie wil tegen 2035 60% van de defensie-uitgaven binnen Europa besteden. Opschaling van de droneproductie is cruciaal en biedt kansen voor Nederland door een sterke positie in complete drones en kritieke componenten. Bij 60% EU-productie kan Nederland 3,4% van de toegevoegde waarde realiseren.

In het kort
Mede-auteur: Antonio Marco D'Errico
Wij danken Okke Lucassen (TNO/Ministerie van Defensie) en Willem-Jan van Loon (Deep Tech Defence Alliance) voor hun waardevolle feedback op eerdere versies van dit rapport.
De Europese Unie heeft drones tot speerpunt gemaakt in haar defensiebeleid, mede door recente incidenten met drones in het Europese luchtruim. In oktober 2025 presenteerde de Europese Commissie de Defence Readiness Roadmap 2030, waarin het versterken van de dronecapaciteit – zowel de productie van als de bescherming tegen drones – centraal staat. Drones zijn niet langer een nichetechnologie, maar vormen het hart van moderne oorlogsvoering. Recente conflicten tonen aan dat wie drones kan produceren en op grote schaal kan inzetten, een strategisch voordeel heeft. Het beheersen van droneproductie gaat echter verder dan militaire kracht: het stimuleert innovatie in sensortechnologie, AI, batterijchemie en geavanceerde materialen. Deze capaciteiten hebben ook toepassingen buiten defensie, zoals luchtvaart, logistiek en hightech industrie, waardoor drone-investeringen een hefboom kunnen zijn voor een bredere industriële ontwikkeling.
De EU streeft daarom naar een autonome defensieproductie: momenteel wordt circa 80% van de militaire uitrusting van EU-lidstaten ingevoerd van buiten Europa, een situatie die als onhoudbaar wordt gezien. De EU wil deze trend keren door uiterlijk in 2035 ten minste 60% van haar defensie-uitgaven binnen Europa te besteden. Dit ambitieuze doel gaat gepaard met forse investeringen: de defensie-uitgaven in Europa stijgen al tien jaar op rij, tot 381 miljard euro in 2025. Ook kondigde Commissievoorzitter Ursula von der Leyen een pakket van 2 miljard euro aan voor militaire drones voor Oekraïne, en wordt ongeveer 6 miljard euro uitgetrokken voor een “dronemuur” langs de oostgrens van Europa om vijandige drones tegen te houden. Dit alles creëert een investeringsgolf waarvan ook de Nederlandse drone-industrie wil profiteren.
Figuur 1: Belangrijkste internationale leveranciers in de EU

Figuur 2: EU-leveranciers van drones aan Oekraïne

De Chinese dominantie in drones en kritieke materialen
China is veruit marktleider in commerciële drones: DJI bezit naar schatting 70–90% van de wereldwijde markt. Toch zijn Chinese drones uitgesloten van NAVO-operaties vanwege veiligheidsrisico’s: de bedrijven vallen onder de Chinese Inlichtingenwet, wat zorgen oproept over datalekken en cyberkwetsbaarheden. In Oekraïne is de realiteit echter anders: in 2024 kwam 89% van de drone-import uit China door het gebrek aan betaalbare Westerse alternatieven. Ondanks Chinese exportbeperkingen blijven DJI-drones via tussenhandel (onder meer via Polen) cruciaal voor verkenning en aanvallen.
De afhankelijkheid beperkt zich niet tot de hardware: ook de grondstoffen achter drones komen grotendeels uit China. Achter de behuizing en elektronica schuilt een keten van kritieke materialen zoals zeldzame aardmetalen (REE), lithium, kobalt, gallium en indium. Deze zijn essentieel voor motoren, batterijen, chips en infrarooddetectoren, en nauwelijks vervangbaar. China beheerst meer dan 80% van de REE-verwerking en domineert grafiet, gallium, indium en tellurium; lithium komt vooral uit Australië en Chili, kobalt uit Congo. Dit creëert geopolitieke risico’s voor defensieprogramma’s. Europa heeft gereageerd via de Critical Raw Materials Act en het RESourceEU actieplan met projecten zoals LKAB (Zweden) voor zeldzame aardmetalen en Vulcan Energy (Duitsland) voor lithium. Nederland heeft de Nationale Innovatieagenda Kritieke Grondstoffen gestart, waarin bedrijven zoals Nyrstar, Nobian en Shell samen met kennisinstellingen (TU Delft, Universiteit Leiden, UvA) en TNO en VNCI werken aan circulaire oplossingen en verwerkingscapaciteit om de afhankelijkheid van buitenlandse grondstoffen te verminderen.
Wie plukt de vruchten van Europese drone-investeringen?
De opbouw van een Europese drone-industrie heeft niet alleen een militaire, maar ook een economische dimensie. Met een zogenoemd Leontief input-outputmodel hebben we doorgerekend hoe extra bestedingen aan drones doorwerken in de economie. Daarbij zijn twee scenario’s vergeleken:
- Scenario 1: gebaseerd op de afgelopen jaren, waarin we schatten dat ongeveer 28% van de drone-gerelateerde aankopen van EU-landen binnen de EU wordt geproduceerd.
- Scenario 2: veronderstellend dat 60% van de drone-uitgaven binnen de EU wordt gedaan, in lijn met het beleidsdoel voor 2035. Dit houdt dus een flinke opschaling van de lokale productie in.
In beide gevallen traceren we niet alleen de directe effecten (de waarde toegevoegd bij de dronefabrikanten zelf), maar ook de indirecte effecten via toeleveranciers en grondstoffenleveranciers, tot diep in de keten. Zo’n input-outputanalyse onthult waar de uiteindelijk toegevoegde waarde terechtkomt zodra Europa meer drones gaat bouwen. Een belangrijk punt hierbij is wel dat een Leontief-analyse ervan uit gaat dat de input-outputstructuur hetzelfde blijft; het enige verschil tussen de twee scenario’s is de vraagschok. In de praktijk zou het goed kunnen dat ook handels- en inputstructuren veranderen. Ook nieuwe initiatieven en innovaties – zoals drones met natriumbatterijen of zonder zeldzame aardmetalen – kunnen de samenstelling van de waardeketen ingrijpend wijzigen. Verder is deze analyse gedaan op de aanvoerketens op sectorniveau. Militaire aanvoerketens kunnen door veiligheidseisen anders zijn dan de gemiddelde structuur van de gehele sector. Tevens kunnen geopolitieke ontwikkelingen aanvoerketens drastisch op de schop gooien. Daarnaast kunnen capaciteits- of arbeidskrachttekorten een rol spelen, waar deze analyse geen rekening mee houdt.[1] We gebruiken de input-outputtabellen uit 2021 van de Emerging Database.
Hoe is die vraagschok opgebouwd?
Omdat in de input-outputtabellen geen aparte sector voor drones bestaat, hebben we een methodiek ontwikkeld om de vraagschok zo realistisch mogelijk te verdelen. Militaire drones zijn er in verschillende vormen en maten (quad-, hexa- en octocopters, fixed-wing en VTOL-systemen) en worden ingezet voor uiteenlopende doeleinden zoals aanvallen, verkenning, bevoorrading en elektronische verstoring. Ondanks deze variatie hebben alle drones één gemeenschappelijk kenmerk: ze bestaan uit diverse hightech componenten, zoals weergegeven in de infographic.
[1] In een nog te verschijnen studie breiden we de analyse uit met een Algemeen Evenwichtsmodel (CGE). Dit model introduceert prijzen en beperkingen: producenten en consumenten kunnen inputs en leveranciers vervangen; arbeid en kapitaal zijn schaars en worden herverdeeld; keuzes in overheidsbudgetten hebben macro-economische gevolgen; en handel past zich endogeen aan via substitutie tussen import en binnenlandse productie en via exportaanbod.

Om deze complexiteit te weerspiegelen, hebben we het totale investeringsbedrag opgesplitst in subcomponenten en toegewezen aan de sectoren die bij droneproductie een relatief groot aandeel hebben. Naast de luchtvaartsector zijn dat onder meer producenten van elektrische en elektronische apparaten, precisie- en controleapparatuur, wapenfabrikanten en R&D- en ICT-bedrijven. Deze aanpak voorkomt dat de analyse uitsluitend op luchtvaart leunt en sluit beter aan bij de feitelijke industriële structuur van de droneketen. Een volledige beschrijving van de verschillende componenten en de rol van verschillende Nederlandse bedrijven in de productie daarvan is beschreven in de Appendix, evenals de details van de methodiek.
Tot voor kort vond droneproductie vooral buiten de EU plaats
De afgelopen jaren ging het merendeel van de waardecreatie rond drones naar leveranciers buiten Europa. De Verenigde Staten namen de grootste hap van de taart, wat logisch is aangezien zij veel complete drones en dure subsystemen leveren. Via alle indirecte leveringen blijft uiteindelijk ongeveer 27% van de toegevoegde waarde in de EU zelf hangen – net iets minder dan de directe aanbesteding van 28%. Binnen de EU zijn het vooral Duitsland, Frankrijk en Italië die in de huidige situatie economisch profiteren. Deze landen hebben immers de grootste lucht- en ruimtevaartsectoren en defensie-industrie.
Figuur 3: Toegevoegde-waarde-decompositie van EU-drone-investeringen: Scenario 1

Hoe ziet de verdeling eruit bij verdere opschaling?
Als Europa erin slaagt om 60% van zijn militaire dronesaankopen intern te besteden, verschuift het beeld aanzienlijk. De modellering laat zien dat in dat geval ruim de helft (51%) van alle toegevoegde waarde binnen de EU zou blijven. Dit is een forse toename ten opzichte van nu, maar nog altijd aanzienlijk lager dan de beoogde 60% – zo’n één zesde van de bedoelde Europese uitgaven zou alsnog via internationale toeleveringsketens weglekken. Bepaalde onderdelen of grondstoffen zullen nog steeds worden geïmporteerd, waardoor een deel van de waardecreatie naar het buitenland blijft vloeien. Met name China profiteert daarvan, doordat het in Europa een dominante toeleverancier is van elektronische componenten, batterijen en kritieke materialen (zoals zeldzame aardmetalen). Ook Nederland kan een deel van de waarde in de Europese droneproductie generen. Op basis van de huidige droneproductie en aangekondigde plannen verwachten we dat Nederland zo’n 6% van de productie op zich kan nemen. De modeluitkomsten tonen dat Nederland in dat geval zo’n 3,4% van de toegevoegde waarde in drone-investeringen genereert.
Figuur 4: Toegevoegde-waarde-decompositie van EU-drone-investeringen: Scenario 2

Kijken we niet naar absolute bedragen maar naar het effect ten opzichte van de grootte van het bbp, dan profiteren Israël en Turkije het meest. Binnen Europa (zie figuur 5 en 6) is Estland de koploper. Dat land heeft een kleine economie maar wel gespecialiseerde bedrijven in lanceersystemen en tactische drones, waardoor de extra drone-uitgaven een flinke procentuele boost geven. Ook Italië neem een relatief groot deel op zich, door zijn aandeel in het Eurodrone-project en de nieuwe productiefaciliteiten op Sardinië. Naar omvang van de economie is het effect voor Nederland gemiddeld, net iets groter dan Duitsland en Frankrijk.
Figuur 5: Toegevoegde waarde ten opzichte van bbp, scenario 1

Figuur 6: Toegevoegde waarde ten opzichte van bbp, scenario 2

Figuur 7 laat zien hoe de toegevoegde waarde zich over de verschillende productierondes (ketenordes) opbouwt in scenario 2, geschaald naar de omvang van de economie. De resultaten tonen dat Turkije zijn toegevoegde waarde vooral in de laatste productieronde realiseert; doordat het veel subcomponenten importeert, zijn de indirecte effecten beperkt. Israël profiteert sterker, omdat een groter deel van de productieketen binnenlands is. Nederland realiseert relatief weinig toegevoegde waarde in de laatste ketenorde en juist relatief veel als toeleverancier. Belangrijk is wel dat het model uitgaat van de hedendaagse sectorstructuur en handelsrelaties. Nederland vervult binnen de traditionele luchtvaartindustrie vooral een rol als onderdelenleverancier. Extra binnenlandse assemblagecapaciteit, zoals de recente focus op assemblage bij Nedcar, kan de sectorstructuur verschuiven en het ketenprofiel veranderen: meer binnenlandse bewerking en een groter aandeel in hogere ketenordes.
Figuur 7: Opbouw toegevoegde waarde naar ketenorde en grootte van de economie

Welke sectoren profiteren het sterkst?
Tabel 1 laat zien dat in Nederland de luchtvaart- en wapenindustrie relatief gezien het hardst groeien. Ook producenten van elektrische en elektronische apparaten en precisie- en controleapparatuur profiteren mee, maar doordat deze sectoren in Nederland momenteel al een stuk groter zijn, is het relatieve effect kleiner. Daarnaast zullen ook upstream sectoren meeprofiteren. Denk aan metalen (voor het frame en onderdelen als motorbehuizingen en landingsgestellen), chemie en kunststoffen (voor batterijen, composieten en coatings) en de machinebouw (motoren, maar ook apparaten gebruikt in productie). Ook de transport/groothandelssector en hoogwaardige dienstensectoren (ingenieursbureaus, ICT) plukken de vruchten, omdat een droneprogramma veel logistiek en kenniswerk vergt. Deze bredere economische effecten betekenen dat drone-investeringen een multiplicatoreffect hebben: iedere euro die wordt uitgegeven aan drones, genereert extra activiteit in allerlei bedrijfstakken – binnen en buiten Nederland.
Tabel 1: Heatmap van sectorale impact Europese drone-investeringen

Conclusie
De Europese ambitie om tegen 2035 ten minste 60% van de defensie-uitgaven binnen de EU te besteden, brengt verschillende economische effecten met zich mee. Opschaling van de droneproductie vormt daarbij een belangrijk onderdeel. Voor Nederland biedt dit kansen, maar ook uitdagingen. Ons land beschikt over een sterk ecosysteem van dronefabrikanten en toeleveranciers, waardoor het kan profiteren van directe en indirecte effecten van opschaling.
Onze analyse laat zien dat Nederland in een 60%-bestedingsscenario circa 3,4% van de toegevoegde waarde kan realiseren, met name in sectoren als luchtvaart, elektronica, hoogwaardige diensten en machinebouw. Dit percentage is gebaseerd op de aanname dat de inputstructuur van dronecomponenten gelijk is aan die van de bredere sector waarin deze componenten worden geproduceerd. Voor drones – en zeker voor militaire toepassingen – kan die structuur echter aanzienlijk afwijken. Daarnaast kunnen defensieministeries aanvullende eisen stellen aan de herkomst van componenten. Zo eist het Nederlandse ministerie van Defensie bij een recente tender voor counter-UAV-systemen dat alle componenten volledig Nederlands zijn (DTDA). Zulke eisen kunnen de feitelijke verdeling van toegevoegde waarde sterk beïnvloeden en leiden tot meer nationale inbedding van de keten, maar ook tot hogere kosten en complexiteit.
Ook blijft de afhankelijkheid van kritieke materialen en componenten uit derde landen, met name China, een structureel risico. Het succes van de Europese drone-industrie hangt daarom niet alleen af van investeringen in productiecapaciteit, maar ook van strategische samenwerking rond grondstoffen, technologie en innovatie. We verwachten dat Nederland een betekenisvolle rol kan spelen in de waardeketen voor de productie van drones wanneer het voldoet aan enkele belangrijke randvoorwaarden, zoals het versterken van de waardeketen (waaronder het zekerstellen van de levering van kritieke grondstoffen en halffabricaten), hogere R&D-investeringen en actieve deelname aan Europese programma’s.
