Samenwerking in voedselwaardeketen essentieel om broeikasgasuitstoot significant te verlagen

24 september 2021 16:20

Voedingsmiddelenbedrijven verschuiven hun focus naar reductie van hun Scope 3-emissies. Om hun doelen te bereiken, is samenwerking in de voedselwaardeketen essentieel.

Meteen de diepte in?Lees de volledige studie (Engelstalig)
voedsel verpakken

De recente focusverschuiving van voedingsmiddelenbedrijven naar zogeheten Scope 3 CO2-emissies heeft grote gevolgen voor de gehele voedselwaardeketen. Omdat het grootste deel van de uitstoot afkomstig is van de productiemiddelen die bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie gebruiken, spelen leveranciers een belangrijke rol bij de verlaging van de uitstoot. Spelers die hun uitstoot kunnen meten en een reductieplan hebben, kunnen hiervan profiteren. Terwijl degenen die niets doen, het risico lopen te worden vervangen.

De aanpak van Scope 3-emissies

Het pas verschenen rapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC) over de gevolgen van klimaatverandering wijst op de noodzaak om dringend actie te ondernemen. De maatschappelijke druk op bedrijven om te helpen klimaatverandering tegen te gaan, neemt toe. We moeten allemaal actie ondernemen, ook de voedingsmiddelensector. Wereldwijd richten fabrikanten in de voedingsmiddelenindustrie hun pijlen nu op de uitstoot van de broeikasgassen die binnen hun invloedssfeer ligt. Te weten: Scope 1 (directe CO2-uitstoot door eigen bronnen binnen het bedrijf), Scope 2 (indirecte uitstoot door bijvoorbeeld het verbruik van ingekochte elektriciteit), en in het bijzonder Scope 3 (indirecte uitstoot uit de toeleveringsketen).

“Ruim 90 procent van de uitstoot van een voorverpakte levensmiddelenfabrikant komt van Scope 3-emissies”

Steeds meer voedingsmiddelenfabrikanten beseffen dat hun Scope 1- en 2-uitstoot maar een erg klein deel van hun totale uitstoot is, en verleggen hun aandacht naar de uitstoot van hun hele toeleveringsketen. Om precies te zijn: meer dan 90 procent van de totale uitstoot van een gemiddelde fabrikant van voorverpakte levensmiddelen is afkomstig van Scope 3-emissies. Het gaat dan om uitstoot uit de toeleveringsketen, inclusief de productie van aangekochte goederen, vervoer, afvalverwerking et cetera. Omdat aangekochte productiemiddelen zoals voedselingrediënten en verpakkingen goed zijn voor het grootste deel van deze Scope 3-emissies, is samenwerking met de waardeketen nodig om een verlaging van betekenis waar te kunnen maken.

Doelstellingen op papier

Steeds meer levensmiddelenfabrikanten hebben de afgelopen jaren concrete reductiedoelstellingen op papier gezet, ook voor Scope 3-emissies. De meest gebruikte methode wereldwijd om reductiedoelen te stellen, is het Science Based Target Initiatief (SBTi). SBTi toetst de doelstellingen van bedrijven om er zeker van te zijn dat deze in lijn zijn met het Parijsakkoord. Tot midden september 2021 hebben 1.809 bedrijven wereldwijd al toegezegd hun doelen voor emissiereductie volgens het SBTi te stellen. De doelstellingen van 899 bedrijven zijn al goedgekeurd. Voor sommige verpakte voedingsmiddelen, zoals ontbijtgranen of snoepgoed, heeft meer dan 40 procent van de sector (gebaseerd op haar aandeel in de jaarlijkse wereldwijde detailhandelsverkoop in 2020) Scope 3-reductiedoelstellingen vastgesteld. Gemiddeld willen deze bedrijven tegen 2030 een derde van de uitstoot in hun waardeketen hebben teruggedrongen.

De noodzaak van samenwerking om voortgang te boeken

Ook al zijn de meeste voedingsmiddelenfabrikanten pas net begonnen met hun Scope 3-reductiestrategie, tot nu toe hebben de meesten weinig of geen voortgang geboekt. Om sneller voortgang te boeken, is de inbreng en medewerking van leveranciers van groot belang. Door tijdig met hun afnemers in gesprek te gaan, zouden leveranciers niet alleen kunnen voorkomen dat deze overstappen naar een leverancier die een beter inzicht heeft in de uitstoot of die een bestaand reductieplan heeft, ze zouden zo zelfs kunnen profiteren van de trend naar lagere emissies door langdurige contracten of betere compensatie.

Als een aanzienlijk deel van de sector zich eenmaal heeft gecommitteerd aan lagere Scope 3-emissies, dan wordt het, als fabrikant of als toeleverancier aan die sector, steeds moeilijker om buiten de discussie te blijven. Steeds meer afnemers zullen leveranciers naar hun emissies vragen. Dit heeft grote gevolgen voor de relatie tussen leverancier en afnemer, en ook voor de gewenste transparantie tot op het boerenbedrijf aan toe.

Verschuiving in het voordeel van proactieve bedrijven

De meeste strategieën om dit soort uitstoot te verlagen, zijn gebaseerd op regeneratieve landbouw, herformulering van producten, alternatieve inkooplocaties, duurzame verpakkingen, innovatieve landbouwpraktijken of ingrediënten, en het compenseren van emissies. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de leveranciers van grote levensmiddelenbedrijven. Maar zij kunnen deze verschuiving in hun voordeel gebruiken als zij zich proactief opstellen en zich juist positief onderscheiden van de concurrentie op dit gebied.

De relatie tussen leveranciers en afnemers is door deze ontwikkelingen al aan het veranderen. In plaats van een open-marktmodel op basis van vraag en aanbod zal de dynamiek waarschijnlijk verschuiven naar intensievere, lange-termijnrelaties met transparantere toeleveringsketens om de beloofde emissiereductie te bereiken. Deze verschuiving heeft drie oorzaken. Om te beginnen zijn er steeds meer afnemers die meebetalen aan de investeringen die leveranciers moeten maken om de uitstoot te verminderen. Daarnaast is er sprake van meer kennisuitwisseling tussen afnemers en leveranciers in de vorm van gecombineerde onderzoeksprogramma's of kennisprojecten op dit gebied. En ten slotte de gegevensuitwisseling die nodig is om de uitstoot nauwkeurig te kunnen meten en de verlaging in de tijd te kunnen volgen. Dit alles vraagt om strategische lange-termijnrelaties tussen de verschillende partijen.