Opinie

Balanceren op het waterbed van de arbeidsmarkt

27 juli 2022 11:25

Het kabinet wil een brede en integrale hervorming van de arbeidsmarkt, met minder onzeker flexwerk. De nieuwe plannen lijken echter weinig evenwichtig.

Logistics employee warehouse portrait

Het kabinet zint op een ‘brede en integrale’ hervorming van de arbeidsmarkt. Met als doel meer vaste contracten en minder onzekerheid voor flexkrachten.

Het vorige kabinet zette met de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) kleine stapjes om flexwerknemers meer zekerheid te geven. Zo kregen bijvoorbeeld oproepkrachten meer rechten.

Dit kabinet gaat verder en wil oproepcontracten, nul-urencontracten en min/max-contracten in de huidige vorm afschaffen. Daarvoor in de plaats komt een soort ‘basiscontract’, met een kwartaalurennorm, zo blijkt uit de recente Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarkt. Uitzendwerk blijft bestaan, maar uitzendkrachten krijgen net als gewone werknemers uiterlijk na drie jaar een vast contract en hun arbeidsvoorwaarden moeten ‘gelijkwaardig’ zijn aan die bij de inlener. Dat zit dan in de secundaire arbeidsvoorwaarden, want voor het reguliere loon geldt die eis al.

De benodigde wetgeving is onderweg en moet flexwerknemers meer zekerheid geven. Stappen om het vaste contract iets flexibeler te maken – bijvoorbeeld als het gaat om contractomvang, of loondoorbetaling bij ziekte – neemt het kabinet niet. En ook voor zelfstandigen verandert er verhoudingsgewijs weinig: de zelfstandigenaftrek wordt slechts gedeeltelijk afgebouwd, pensioenopbouw is nog altijd optioneel voor zzp’ers en de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering is er nog niet – al zijn de contouren van de regeling nu rond. Kortom: de verschillen in belastingen en sociale zekerheid tussen werknemers en zzp’ers blijven grotendeels overeind, waardoor een zzp’er nog altijd goedkoper is dan een werknemer. Wie dat financiële voordeel opstrijkt – opdrachtgever of zzp’er – hangt natuurlijk af van de onderhandelingspositie.

Wel wil het kabinet weer strenger gaan handhaven op ‘schijnzelfstandigheid’ en geldt er bij rechtszaken straks een omgekeerde bewijslast: bij zzp’ers met lage uurtarieven – bijvoorbeeld onder de 35 euro – is het uitgangspunt (‘een rechtsvermoeden van’) een arbeidsovereenkomst en is het aan de opdrachtgever om aan te tonen dat hier geen sprake van is. Handhaving is echter arbeidsintensief en ook vraag ik me af hoeveel animo er is bij zzp’ers om rechtszaken te voeren tegen hun opdrachtgevers.

Met de huidige plannen wordt ‘flex’ vooral sterk gereguleerd bij werknemers: uitzend- en oproepkrachten krijgen veel meer zekerheid, wat kostenverhogend is. Dat kan juist leiden tot méér gebruik van zzp-constructies. Er ontstaat dan een ‘waterbedeffect’: duw je op de ene kant van het bed dan stuwt het de andere kant omhoog. Juist voor mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt levert dat per saldo mínder zekerheid op.

Als econoom zie ik daarom meer heil in het effenen van het financiële speelveld tussen verschillende arbeidsvormen. Dus kom maar door, met die arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers. Dat de Belastingdienst dat pas vanaf 2027 goed kan controleren is geen reden voor uitstel, zolang er maar enige ‘pakkans’ is. Immers, ook op wegen zonder cameratoezicht geldt een maximumsnelheid.

Eerder verschenen in het Reformatorisch Dagblad