Maatschappelijk verantwoord beleggen - Column Gert van de Paal

Fat Cat Day

Gert van de Paal

Beloningen voor topbestuurders staan volop in de belangstelling. Het is elk voorjaar, rond de jaarvergaderingen, een terugkerend thema. In het bijzonder het salaris van de CEO ligt onder het vergrootglas en sommige salarisvoorstellen roepen heftige reacties op. In Nederland, maar ook daarbuiten. Fat Cat Day bijvoorbeeld, is een begrip geïntroduceerd door de Britse denktank High Pay Centre. Het is de dag van het jaar waarop CEOs in het Verenigd Koninkrijk al meer verdiend hebben dan de gemiddelde Britse werknemer dat jaar zal verdienen. Enig idee op welke dag het dit jaar Fat Cat Day was? U krijgt straks het antwoord.

Het is natuurlijk aan de aandeelhouders om uiteindelijk te bepalen of een beloningspakket eerlijk is of niet. In vakjargon heet dat “Say on Pay”. Toch gebeurt het in de praktijk niet vaak dat beloningsvoorstellen voor bestuurders worden weggestemd. Grote beleggers als Blackrock en Vanguard wordt wel verweten niet kritisch genoeg te zijn en te gemakkelijk mee te gaan met de excessieve beloningsvoorstellen van het management. Dat onderwerp is vorig jaar zelfs ter stemming gebracht bij BlackRock - zelf beursgenoteerd - door een kritische aandeelhouder die het punt agendeerde. Inmiddels stemt het fondshuis wat vaker tegen excessieve beloningsvoorstellen dan in het verleden, zo concludeerde de Amerikaanse niet-gouvernementele organisatie As You Sow onlangs. Volgens hen zijn pensioenfondsen en grote vermogensbeheerders buiten de VS echter een stuk kritischer.

Alleen kijken naar het stemgedrag van een fondshuis gaat overigens wel voorbij aan het feit dat er achter de schermen soms volop discussie is. In aanloop naar de jaarvergadering wordt door institutionele beleggers nogal eens overlegd met het bestuur of de remuneratiecommissie over de voorgestelde beloningen. Dat heeft ook zijn invloed op de voorstellen die wel of niet ter stemming worden gebracht.

De discussie over beloningen is inmiddels nog wat breder getrokken met de komst van de “Pay Ratio”, ofwel de loonkloof. Dit kengetal geeft weer wat de verhouding is tussen het salaris van de CEO en de gemiddelde medewerker binnen een bedrijf. Ook in Nederland krijgt de loonkloof veel aandacht in het kader van de Code voor goed ondernemingsbestuur. De Pay Ratio kent de nodige beperkingen; deze kan bijvoorbeeld op talloze manieren berekend worden. Dat doen bedrijven dan ook. Het is daarom gevaarlijk om gerapporteerde Pay Ratio’s zomaar te vergelijken. Focus Orange berekende in opdracht van het FD met een eigen methodiek de loonkloof bij 21 grote Nederlandse beursfondsen en kwam uit op 83 in 2017. De CEOs van deze bedrijven verdienen dus gemiddeld 83 keer het salaris van de modale werknemer. Ter vergelijking: in de VS was die verhouding volgens de Amerikaanse federatie van vakverenigingen 347 voor de S&P 500 bedrijven (in 2016). De loonkloof in Nederland is dus bescheiden in vergelijking met die in de VS.

De Pay Ratio zegt ook niets over de hoogte van de beloning van de CEO per se, maar biedt wel meer transparantie over de beloningsstructuur binnen een bedrijf. Dat moet stimuleren dat men intern ook nadenkt over het effect van de beloning voor topbestuurders op de rest van de organisatie. De impliciete gedachte is natuurlijk dat daar een disciplinerende werking vanuit gaat. Saillant detail is dat veel CEO salarissen de laatste jaren volgens deskundigen zijn gestegen juist als gevolg van meer transparantie. Iets wat men nu met nog meer transparantie probeert op te lossen.

Rabobank Private Banking schrijft de fondshuizen waarmee ze werkt niet voor hoe zij moeten stemmen als het gaat om beloningen voor topbestuurders. Wel verwachten wij een kritische houding ten aanzien van dit onderwerp en, in bredere zin, aandacht voor het HR-beleid van bedrijven waarin wordt belegd. Een goed HR-beleid (waarvan het beloningsbeleid een belangrijke, maar niet de enige component vormt) is ontzettend belangrijk voor het aantrekken en vasthouden van getalenteerd personeel. Niet alleen aan de top, maar in alle geledingen van het bedrijf.

Oh ja, Fat Cat Day. Die dag viel dit jaar op vier januari.

Gert van de Paal
Specialist Maatschappelijk Verantwoord Beleggen - Rabobank Particulieren & Private Banking

9 mei 2018

Archief

Hieronder vindt u de voorgaande publicaties van Gert van de Paal over maatschappelijk verantwoord beleggen.

Lees de column van 22 februari 2018

Een soep die zwaar op de maag ligt

Plastic is zowel een zegen als een plaag. Veel gebruiksvoorwerpen worden ervan gemaakt. Ruim een kwart van alle plastic wordt gebruikt als verpakkingsmateriaal. Dat kan bijvoorbeeld voedselbederf voorkomen, maar de verpakking zelf moet niet het probleem worden. Feit is dat plastic verpakkingsmateriaal in 95% van de gevallen maar één keer gebruikt wordt en dan weer wordt weggegooid. We zitten dus steeds meer met al dat plastic in ons maag. Want hoe kom je er weer van af? Maar 14% van alle gebruikte plastic verpakkingen wordt namelijk verzameld om te recyclen.* 

Veel, heel veel plastic eindigt als zwerfafval. Soms duidelijk zichtbaar maar veel vaker microscopisch klein. Inmiddels schijnt er  op de Grote Oceaan een plastic soep,- een verhoogde concentratie plastic deeltjes, rond te drijven die een oppervlakte heeft van 34 keer Nederland. Het werkelijke probleem is nog groter want er zijn wereldwijd meerdere van dit soort concentraties plastic.**  

Dat plastic in zee zorgt voor problemen. Dieren die het eten, kunnen hierdoor sterven. Ook komt het plastic terecht in onze voedselketen. Maar de gevolgen reiken verder. Een maand geleden zag ik foto’s van de stranden van Bali. Het eiland word elk jaar, met name rond deze tijd, letterlijk overspoeld met plastic. Dagelijks zijn honderden mensen in de weer om de stranden te ontdoen van tonnen plastic. De situatie is inmiddels zo schrijnend dat de lokale autoriteiten de “noodtoestand” hebben uitgeroepen. Plastic haalde vaker de headlines de afgelopen weken: bijvoorbeeld het bericht dat China ons Europese plastic niet meer wil recyclen. 

Maar er was ook positief nieuws. De Europese Commissie wil namelijk dat in 2030 alle plastic verpakkingen recyclebaar zijn. Op het World Economic Forum in Davos beloofden elf multinationals daar vijf jaar eerder al aan te zullen voldoen. Daaronder zijn bedrijven als CocaCola, PepsiCo en Unilever.

Ook beleggers laten zich niet onbetuigd. Plastic (her)gebruik, afvalscheiding of in bredere zin de impact van een bedrijf op het milieu, zijn aspecten die doorgaans worden meegewogen door beleggers die de duurzaamheid van bedrijven beoordelen. Naast vele andere duurzaamheidsaspecten overigens. 

Er zijn ook steeds meer beleggers die bedrijven hierop aanspreken. Actiam is één van de fondshuizen die zich onlangs aansloot bij een initiatief van As you Sow. Deze Amerikaanse niet-gouvernementele organisatie riep door middel van een aandeelhoudersresolutie McDonald’s op om definitief afscheid te nemen van piepschuimverpakkingen van polystyreen. Daar worden bijvoorbeeld meeneemcups voor koffie van gemaakt. Deze plastic bekers eindigen gemakkelijk als zwerfafval en zijn ook moeilijk te recyclen. McDonald’s laat het niet tot een stemming over dit onderwerp komen en heeft toegezegd om dit jaar wereldwijd het gebruik van piepschuim verpakkingen te staken. Geen grote stap aangezien er al een begin was gemaakt door het concern, maar wel één in de juiste richting. Het agendapunt is daarop ingetrokken en wordt niet ter stemming gebracht. Zowel Actiam als Northern Trust, wiens verantwoorde indexfondsen een belangrijke positie innemen in onze beheerportefeuilles, hadden een jaar eerder ook al vóór een gerelateerde resolutie op de jaarvergadering gestemd. Toen werd McDonald’s gevraagd om een onderzoek naar de impact van dergelijke verpakkingen op het milieu. 

Dat is actief eigenaarschap in de praktijk. Nota bene van “passieve” indexbeleggers.

22 februari 2018

Bronnen:
*The New Plastics Economy: Rethinking the future of plastics. World Economic Forum & the Ellen MacArthur Foundation (2016).
** Flotsametrics and the Floating World (2009), C. Ebbesmeyer.

Lees de column van 20 december 2017

De gouden tip voor 2018. En voor 2019 en 2020 en …

Afgelopen week was Al Gore, de voormalig vicepresident van de VS, in Nederland ter promotie van zijn nieuwe film An Inconvenient Truth 2. Elf jaar na het verschijnen van deel 1 is er het nodige gebeurd. Zo worden de gevolgen van de klimaatverandering steeds zichtbaarder. Het goede nieuws is dat technologische oplossingen voor het probleem op grotere schaal worden ingezet. Denk aan de opmars van ledverlichting en het aantal geïnstalleerde zonnepanelen dat snel toeneemt. Toch is hier volgens Gore nog een wereld te winnen. De zon straalt in één uur zoveel energie af op de aarde dat we daarmee wereldwijd een jaar vooruit kunnen. De nieuwe technologieën worden echter nog niet snel genoeg omarmd. Het kan, nee, het móet sneller betoogde Gore. En beleggers hebben daarbij een rol te spelen. Voor mensen die nu denken, niet weer die grijsgedraaide klimaatplaat voor duurzame beleggers: blijf lezen. Want dit verhaal raakt alle beleggers.

Aan belangstelling voor klimaatverandering niet te klagen. Het onderwerp staat volop in de picture. Overheden hebben zich, via het akkoord van Parijs, gecommitteerd aan de ambitie om de temperatuurstijging op aarde te beteugelen. Er is momentum ontstaan. En steeds meer grote beleggers omarmen het thema. Daarmee wordt het vanzelf ook relevant voor de non-believers onder ons.

Het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, de energietransitie, gaat in alle sectoren tot veranderingen leiden. In sommige sectoren zelfs tot zeer grote veranderingen. Dat proces is al in volle gang. Denk bijvoorbeeld aan nutsbedrijven als RWE en E.ON die groene en niet-groene activiteiten hebben gescheiden. Dat ging gepaard met miljardenafschrijvingen. Maar ook olie- en gasbedrijven en automobielfabrikanten merken de gevolgen van de energietransitie en moeten daarop inspelen. Wat als straks de CO2-emissierechten wel goed beprijsd (lees: duurder) worden? Dan gaan nog veel meer ondernemingen, zeker de vervuilende, de gevolgen voelen. Koplopers worden dan spekkopers. Mijn boodschap is dan ook: klimaatverandering en de energietransitie gaan alle beleggers raken. Maar ook: als belegger kun je hier veel kanten mee op.

Je kunt vervuilende bedrijven uitsluiten door er niet in te beleggen. Een alternatief is om dat juist wel te doen. Bijvoorbeeld door in olie- en gasbedrijven te beleggen en gebruik te maken van stemrecht of de dialoog om hen tot een omslag te bewegen. Ook een mogelijkheid: beleg alleen in de meest duurzame ondernemingen uit een sector. Beloon gewoon de bedrijven die hun CO2-uitstoot sterk verminderen. Of kies voor een accent in de portefeuille met een van de vele duurzame themafondsen. Ja, natuurlijk zijn er de fabrikanten van windmolens en zonnepanelen maar er is meer. Wat te denken van beleggingen in bedrijven die ervoor zorgen dat we efficiënter omspringen met energie? Producenten van isolatiematerialen bijvoorbeeld. Of lichtgewicht materialen voor auto’s en vliegtuigen. Of enzymen om op lagere temperaturen te wassen. Ten slotte zijn er nog de green bonds. Een klein maar snelgroeiend segment van de obligatiemarkt. Het geld gaat in dit geval specifiek naar projecten die als doel hebben klimaatverandering tegen te gaan of de gevolgen ervan te bestrijden. Kortom, mogelijkheden te over.

Wij zijn bij Rabobank niet zo van het snelle scoren of dé gouden tip. Maar dit thema gaat beleggers heel erg bezig houden. Volgend jaar en de jaren daarna. Die voorspelling durf ik wel aan.

20 december 2017

Lees de column van 26 september 2017

Data dilemma’s

‘Bedrijven in paniek over Europese privacywet’ kopte het Financieele Dagblad onlangs. Kern van het krantenartikel was dat bedrijven momenteel alle zeilen bij moeten zetten om op tijd te voldoen aan nieuwe Europese wetgeving die de privacy van persoonsgegevens beter moet waarborgen (de Algemene Verordening Gegevensbescherming). Dat betekent niet alleen dat bedrijven een privacybeleid moeten formuleren, maar vaak ook dat de ICT- infrastructuur binnen bedrijven aangepast moet worden. Dat zijn soms lange en kostbare trajecten. Maar ook noodzakelijk, want als bedrijven hun zaakjes niet op orde hebben, leidt dat in de toekomst mogelijk tot fikse boetes. Die kunnen oplopen tot wel vier procent van de jaaromzet.

De nieuwe wetgeving is een logisch gevolg van de digitalisering van onze samenleving en het toenemend gebruik van (big) data. Het combineren van deze gegevens leidt tot op maat gesneden advertenties en aanbiedingen en kent talloze andere toepassingen die ons leven gemakkelijker maken. Maar het heeft ook een keerzijde. De privacy van consumenten mag immers niet in het gedrang komen. En om het nog gecompliceerder te maken; de vrijheid van meningsuiting ook niet.

Bedrijven als Alphabet (Google) en Facebook bestaan bij de gratie van big data. Het is voor hen van levensbelang om hier zorgvuldig mee om te gaan. Er lopen al talloze rechtszaken tegen deze bedrijven vanwege vermeende privacy schendingen. Maar ook burgers die zich beroepen op het ‘vergeetrecht’ melden zich met het verzoek om informatie over hen te wissen van het internet. Tegelijkertijd doen overheden in toenemende mate een beroep op deze bedrijven om gegevens over bepaalde klanten vrij te geven. Of om ongewenste content te weren van hun netwerken. Dat vergt een continue doorontwikkeling van beleid, maar ook van techniek.

Zo kwam Google onlangs met het bericht dat Youtube -  in aanvulling op het bestaande beleid om filmpjes waarin wordt opgeroepen tot geweld te verwijderen - nu ook een beleid heeft voor filmpjes die op het randje zijn. Deze worden niet verwijderd, maar de verspreiding ervan wordt tegengegaan door het onmogelijk te maken deze filmpjes te delen, te liken of te becommentariëren. Op deze manier raken ze al snel ondergesneeuwd. Dit soort maatregelen is geen overbodige luxe, zeker niet omdat talloze bedrijven hebben aangegeven niet langer te willen adverteren op Youtube. Ze willen hun advertenties namelijk niet in de buurt van aanstootgevende boodschappen hebben staan.

Het zijn echter niet alleen de Facebooks en Googles van deze wereld die worden geraakt door wetgeving waaronder de nieuwe Europese privacywetgeving. Bijna alle bedrijven krijgen hier in meer of mindere mate mee te maken. Daarmee is het een niet te onderschatten aspect voor beleggers. Het is dus niet verwonderlijk dat institutionele beleggers deze aspecten steeds nadrukkelijker meewegen in hun beleggingsbeslissingen en hierover informeren bij ondernemingen. Hoe worden deze risico’s gemanaged? Hoe wordt omgegaan met klantgegevens? Is er een privacy- of mensenrechtenbeleid? Het zijn dit soort vragen die in het kader van maatschappelijk verantwoord beleggen moeten worden gesteld. En die relevanter zijn dan menigeen denkt.

26 september 2017

Benieuwd naar het standpunt van Rabobank? Zie ons privacy statement op Rabobank.com.

Lees de column van 3 juli 2017

Sweet talk

Vroeger was suiker voorbehouden aan de happy few. Hoe anders is het nu. Vandaag de dag is het een hele opgave om een teveel aan suiker te vermijden. En wij zijn er niet goed in, zo blijkt: Nederland staat volgens onderzoeksbureau Euromonitor in de wereldwijde top drie als het gaat om de dagelijkse suikerconsumptie per persoon. Een teveel aan suiker zorgt - onder meer - voor een verhoogde kans op diabetes, tandbederf en zwaarlijvigheid.

De voedingsmiddelenindustrie wordt in toenemende mate geconfronteerd met zorgen over het suikergehalte van haar producten. Niet verwonderlijk, gegeven de trend naar een gezondere levensstijl én een bewuster voedingspatroon bij een groeiende groep consumenten. Volgens het eerder genoemde Euromonitor zoekt bijna de helft van alle wereldwijde consumenten inmiddels naar voedingsmiddelen met weinig of geen toegevoegde suiker. Maar ook (lokale) overheden komen in beweging tegen suiker. Dat heeft in diverse landen en in een aantal Amerikaanse steden al geresulteerd in een suikerbelasting. Om de suikerinname terug te dringen en de stijgende kosten van de gezondheidszorg te financieren.

Deze ontwikkelingen vragen om actie. Immers, een deel van de omzet en winstgevendheid van voedingsfabrikanten staat potentieel onder druk. En al lijkt het er nu op dat advocaten er een zware dobber aan zullen hebben om rechtszaken over de gevolgen van ongezonde voeding ook daadwerkelijk te winnen, neemt de kans op die rechtszaken wel toe. Daarom is het niet verwonderlijk dat beleggers, de vooruitstrevende dan toch, inmiddels suiker op de radar hebben. Ze stellen voedingsbedrijven vragen over hun productportfolio’s. Worden deze gepositioneerd in de richting van gezondere producten? Wordt er voldoende informatie gegeven over de voedingswaarde van de producten? Is de reclame richting kinderen verantwoord?

Als bedrijven dat uit zichzelf al niet doen. Want dat lijkt gewoon smart business: als de klantvraag verandert, verander je mee. Zo maakt McDonalds werk van een gezondere menukaart, en lanceerden frisdrankproducenten kunstmatig gezoete varianten. Al zijn er inmiddels ook wel onderzoeken te vinden waaruit blijkt dat die niet noodzakelijkerwijs altijd gezond zijn. Coca Cola introduceerde onlangs in Japan een colavariant zonder suiker, zonder calorieën maar met … vezels; Coca Cola Plus. Met een heuse gezondheidsclaim. Weer andere producenten proberen het met kleinere verpakkingen. Of ze werken mee aan overheidsprogramma’s om obesitas te bestrijden. Soms wordt de productportfolio gezonder gemaakt door overnames: Dr Pepper Snapple kocht Bai Brands, een maker van drankjes met antioxidanten en Danone lijfde WhiteWave in, de maker van onder meer sojadrank Alpro.

Een overname van Unilever door Kraft Heinz had de laatste onderneming op dit vlak waarschijnlijk ook een impuls gegeven.

Beleggers kunnen hier op inspelen door met het thema gezondheid rekening te houden bij de selectie van thema’s of bedrijven in hun portefeuille. Of door vragen te stellen aan bedrijven. De Access to Nutrition Index is een van de initiatieven om inzichtelijk te krijgen hoe voedingsbedrijven hun portefeuille gezonder maken en hun verantwoordelijkheid nemen. Met behulp van deze index hebben institutionele beleggers in ieder geval een basis om het gesprek aan te gaan met de achterblijvers. Zodat het niet blijft bij sweet talk.

3 juli 2017

Lees de column van 13 april 2017

Lehman Sisters, fearless women en het bijenkoningin-syndroom

Zouden we ook een financiële crisis hebben gehad als Lehman Brothers, de bank die omviel door het nemen van teveel risico's, Lehman Sisters zou zijn geweest? Dit vraagstuk, gevoed door de gedachte dat vrouwen risico's meer mijden dan mannen, is onderzocht. Enkele uitkomsten: alle vrouwen zijn anders, het risico van stereotyperingen bestaat en banken met relatief veel vrouwen in bestuursfuncties nemen niet minder risico's dan andere banken.

De samenstelling van de Raad van Bestuur (RvB) en de Raad van Commissarissen (RvC) is één van de aspecten waarnaar wordt gekeken in het kader van maatschappelijk verantwoord beleggen. Wat men wil bevorderen, is creativiteit en innovatie. Wat men wil voorkomen, is groepsdenken. Een brede en diverse samenstelling van de RvB en RvC is daarom wenselijk. Dat kan door meer vrouwen in het bestuur, maar ook door meer ruimte voor de jeugd, andere culturen, nationaliteiten et cetera. Toch spitst de discussie rond diversiteit binnen bedrijven zich vaak toe op de nog altijd scheve verhouding tussen mannen en vrouwen aan de top.

In tegenstelling tot bovengenoemde studie laten diverse andere studies wél een positief verband zien tussen vrouwen aan de top en de financiële resultaten.

Een onderzoek van indexmaker MSCI bijvoorbeeld, toont aan dat bedrijven met relatief veel vrouwen in het bestuur een beter rendement op eigen vermogen genereren dan ondernemingen waar dat niet het geval is (10.1% versus 7.4%).

Je zou denken dat bedrijven dan in actie komen. Toch blijkt het in de praktijk een hele opgave om het tij te keren. Er zijn grote verschillen per land. In Noorwegen zijn de bestuurskamers voor bijna de helft (46.7%) gevuld met vrouwen. In Nederland is dat iets meer dan een kwart (26.2%). Hekkensluiter is Japan met 3.5%. Het aantal vrouwen in topposities wereldwijd bedroeg eind 2015 volgens Credit Suisse 14.7%.

Een belangrijke nuance is op zijn plaats. Uit de meest recente Female Board Index (2016) van business school Tias blijkt dat weliswaar 23.1% van de RvC van Nederlandse beursgenoteerde bedrijven uit vrouwen bestaat, maar op RvB-niveau is dat slechts 7.1% . Een lichte afname bovendien ten opzichte van een jaar eerder.

Ter informatie: bij Rabobank zijn deze percentages respectievelijk 33% en 14%.

In diverse landen probeert men al een tijd de gewenste samenstelling met wettelijke quota's af te dwingen. De laatste maanden zie ik ook hernieuwde aandacht voor dit thema bij beleggers. BlackRock liet weten diversiteit van het bestuur als een speerpunt te zien in de dialoog met bedrijven. Ook vermogensbeheerder State Street stuurt sinds kort aan op het aannemen van meer vrouwelijke bestuursleden wanneer bedrijven daar zelf onvoldoende werk van maken. Als onderdeel van deze campagne werd op Internationale Vrouwendag een beeld van "fearless girl" geplaatst op Wall Street.

Een steuntje in de rug is welkom, maar veel vrouwen zitten niet te wachten op een quotum of positieve discriminatie. Zij willen aangenomen worden omdat ze de juiste persoon zijn voor de job. Omdat ze iets naar de bestuurstafel brengen. En dus zullen bedrijven vooral moeten zorgen voor de doorstroom van vrouwelijk talent. Dat vraagt om een duidelijke strategie, beleid en verantwoording. Denk aan mogelijkheden om flexibel te werken. Voor vrouwen én mannen. Maar er moet ook gewerkt worden aan een gelijke beloning en, in bepaalde landen, betere toegang tot onderwijs voor vrouwen.

Op deze manier kunnen vrouwen geleidelijk doordringen tot de top. Tenzij het zogenoemde bijenkoningin-syndroom daadwerkelijk bestaat. De achterliggende gedachte is dat als een vrouw de hoogst mogelijke positie heeft bereikt binnen een organisatie, zij geen concurrentie van vrouwen op andere hoge posities duldt. In dat geval zouden vrouwen, en niet mannen, het struikelblok vormen. Ook dat is onderzocht, maar voor deze hypothese is geen bewijs gevonden. Integendeel, er lijkt sprake van een zelfversterkend effect met een vrouw aan de top. En dat biedt hoop voor "fearless women".

13 april 2017

Lees de column van 9 februari 2017

Meer aandacht voor mensenrechten

Mensenrechten en andere sociale aspecten van de bedrijfsvoering blijven vaak onderbelicht bij de beleggingsbeslissingen van vermogensmanagers. Dat blijkt uit een recente studie van Barclays onder obligatiebeleggers. Vermogensmanagers hebben traditioneel meer oog voor goed bestuur dan voor mens en milieu.

Waarmee niet gezegd is dat vermogensmanagers geen rekening houden met sociale aspecten van de bedrijfsvoering van bedrijven waarin ze beleggen. Een financiële prikkel om dat te doen, lijkt echter te ontbreken. Uit hetzelfde onderzoek blijkt namelijk dat de prestaties op de sociale dimensie het minst bijdragen aan de financiële performance. Het verband tussen goed bestuur en obligatierendementen is veel sterker.

Toch is het onderwerp voor diverse sectoren bijzonder materieel. Denk aan de food & agrisector, de mijnbouw en de kleding- en elektronicasector. De ramp rond Rana Plaza in 2013 is daar een duidelijk voorbeeld van. Het instorten van deze textielfabriek in Bangladesh kostte meer dan duizend werknemers het leven. De ramp was terug te voeren op een gebrekkig veiligheidsbeleid. Naast het persoonlijke leed, raakte Rana Plaza ook de betrokken bedrijven. Diverse kledingbedrijven liepen imagoschade op, raakten verwikkeld in rechtszaken of moesten compensatie bieden aan de slachtoffers.

Mede als gevolg van deze gebeurtenis is er meer druk ontstaan bij bedrijven en professionele beleggers om het thema mensenrechten mee te wegen in hun beslissingen en beleid. Naast reputatierisico’s wordt het risico op boetes voor bedrijven daarbij steeds groter. Nieuwe regelgeving is een goede stok achter de deur (bijvoorbeeld de UK Modern Slavery Act, het ILO Forced Labour Protocol en het EU Non-Financial Reporting Directive). Maar ook de sociale druk wordt steeds groter. Dit voorjaar wordt de eerste Corporate Human Rights Benchmark voor mensenrechten gepubliceerd waarmee 100 bedrijven de maat wordt genomen. Als bedrijf wil je niet onderaan in dit soort lijstjes terecht komen. En in november vindt in Argentinië de vierde wereldwijde conferentie over kinderarbeid plaats. Met ongetwijfeld hernieuwde aandacht voor het thema als gevolg. Ook zorgen de Sustainable Development Goals (SDGs) van de Verenigde Naties de komende jaren voor meer focus op talloze sociale aspecten van de bedrijfsvoering.

In onze doorlopende dialoog met fondshuizen zullen wij dit jaar expliciet aandacht besteden aan mensenrechten. Wij dringen aan op een pro-actieve houding van fondshuizen, in het bijzonder bij beleggingen in sectoren waar de risico’s en de gevolgen van het schenden van mensenrechten groter zijn. Fondshuizen kunnen daar bijvoorbeeld invulling aan geven door het gesprek aan te gaan met bedrijven op basis van best practices of door aandacht te besteden aan mensenrechten bij het formuleren van hun stembeleid.

9 februari 2017

Lees de column van 28 november 2016

Deze film is gebaseerd op ware gebeurtenissen

Wij vragen fondshuizen waarmee we samenwerken hun verantwoordelijkheid te nemen en het gesprek aan te gaan met de ondernemingen waarin ze beleggen. Bijvoorbeeld als er dingen fout gaan. Maar liever nog daarvoor. Dat heet actief eigenaarschap.

Momenteel draait in de Nederlandse bioscopen de film Deepwater Horizon. Deze film is helaas gebaseerd op ware gebeurtenissen.  Het is een spannende thriller over het gelijknamige booreiland van olieconcern BP dat in april 2010 explodeerde. Daarbij vielen de nodige slachtoffers. Maandenlang hield het dichten van het lek op de zeebodem de gemoederen bezig. Ondertussen stroomden tot wel 60.000 vaten olie per dag de zee in. Boze Amerikaanse automobilisten reden voorbij aan de tankstations van het concern en weigerden er te tanken. Vissers moesten worden gecompenseerd en de schade aan het milieu hersteld.

Wat heeft dat te maken met beleggen? Alles. Als je zes jaar later de balans opmaakt blijkt ook de financiële schade enorm. Inmiddels staat de teller van de door BP uitgekeerde schadevergoedingen, compensaties en andere kosten op USD 62 miljard.

Wat moet je hier nu mee als belegger? Sommige beleggers trokken destijds hun handen af van het bedrijf om een signaal af te geven. Andere beleggers deden dat door als aandeelhouder het gesprek aan te gaan met het bedrijf om herhaling te voorkomen. Daarbij helpt het om te leren van de gemaakte fouten. Of zoals Winston Churchill met Brits gevoel voor understatement pleegde te zeggen: “Never let a good crisis go to waste”.

Ik was vorige maand bij een bijeenkomst waar het Robeco team dat zich bezig houdt met Governance & Active Ownership, verslag deed over de actieve dialoog die met het bedrijf is gevoerd naar aanleiding van de ramp. Heel veel beleggers hebben BP aangesproken. Het olieconcern heeft inmiddels maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. Bijvoorbeeld door de oprichting van het Houston Monitoring Center van waaruit nauwgezet alle operaties in de Golf van Mexico rond de klok worden gevolgd. Verder zijn veiligheidsprocedures en trainingen aangescherpt.

Maar hiermee hield het niet op. Deze ramp leerde het team ook dat sommige andere oliebedrijven vergelijkbare risico’s liepen. En dus volgde een intensieve dialoog met diverse branchegenoten van BP, waaronder een Chinees olieconcern. Daar viel ook het nodige te verbeteren en dat is, mede op aandrang van Robeco, ook gebeurd. Bijvoorbeeld door best practices te delen. Het aantal operationele storingen bij het Chinese olieconcern daalde de afgelopen jaren beduidend.

De manier waarop Robeco invulling geeft aan engagement gaat verder dan de dialoog. Het fondshuis probeert van de opgedane ervaring te leren door gerichtere vragen te stellen aan andere oliebedrijven. In een poging toekomstige risico’s beter in te schatten en op die manier een betere belegger te worden. Het is goed te zien dat ook andere fondshuizen steeds beter invulling geven aan de wijze waarop ze het gesprek aangaan met ondernemingen waarin ze beleggen. Hopelijk blijft ons daarmee een film met de titel Deepwater Horizon 2 bespaard.

Publicatiedatum 28 november 2016

Lees de column van november 2016

What’s in a name?

Het is wellicht niet bekend, maar van alle uitstaande Raboleningen op het gebied van energieopwekking gaat 99% naar hernieuwbare energie. Denk aan de financiering van windmolens en zonnepanelen. Enkele weken geleden gaf Rabobank haar eerste groene obligatie uit. De opbrengsten van deze obligatie worden specifiek gebruikt voor de financiering van dergelijke projecten op het vlak van hernieuwbare energie.

Er was veel vraag naar de groene obligatie bij institutionele partijen. Niet verwonderlijk want na de klimaatconferentie in Parijs eind vorig jaar is er veel belangstelling voor groene obligaties. Steeds meer grote beleggers zoals pensioenfondsen ruimen een deel van hun portefeuille hiervoor in. Of iets terecht kwalificeert als groen wordt daarbij vaak beoordeeld door externe partijen. En uiteindelijk door beleggers zelf. Als de Franse energiereus Electricité de France (EdF) een groene obligatie uitgeeft zijn er beleggers die dat beschouwen als een vorm van ‘green washing’. Andere beleggers loven de onderneming voor het feit dat zij met de opbrengsten van de lening probeert minder afhankelijk te worden van fossiele en nucleaire energiebronnen. Voor veel beleggers is het in ieder geval een prettig idee te weten dat hun geld bij een groene obligatie specifiek naar groene projecten gaat. Het risico en rendement van een groene obligatie zijn doorgaans hetzelfde als dat van een gewone (vergelijkbare) obligatie, uitgegeven door dezelfde instantie.

Voor de meeste particuliere beleggers zijn deze obligaties niet direct aan te kopen.  Er zijn wel andere manieren om als particulier deze groene obligaties (green bonds) in portefeuille te krijgen. Bijvoorbeeld via beleggingsfondsen die alleen in groene obligaties beleggen. Maar ook “gewone” duurzame obligatiefondsen nemen deze obligaties soms op in portefeuille.

De groene obligatie is niet te verwarren met de groenobligaties die de Rabobank in het verleden uitgaf. Veel klanten van de Rabobank zijn er bekend mee. Of een belegging groen is of niet, wordt in dit geval bepaald door de Nederlandse overheid. Daarbij is groen tamelijk ruim gedefinieerd  en omvat het bijvoorbeeld ook projecten op het vlak van biologische landbouw. In ons assortiment duurzame beleggingsfondsen vindt u een fiscaal vriendelijk groenfonds. Deze vorm van beleggen levert onder bepaalde voorwaarden en tot een beperkte omvang een fiscaal voordeel op van 1,9% voor de particuliere belegger. Het fiscale voordeel verandert voor veel particuliere beleggers overigens per 1 januari 2017 door de invoering van de nieuwe vermogensrendementsheffing (box 3). Het voordeel wordt daardoor afhankelijk van de hoogte van het box 3-vermogen en kan groter (bij een groot vermogen in box 3) of kleiner (bij een klein vermogen in box 3) uitvallen dan nu het geval is. Er bestaat ook zoiets als groen sparen, maar dat staat al een tijdje dicht bij Rabobank; wegens succes gesloten zou u kunnen zeggen.

Publicatiedatum 1 november 2016

Lees de column van september 2016

Doelbeleggen

Begin dit jaar zijn de Sustainable Development Goals (SDGs) in werking getreden. De SDGs zijn de opvolgers van de Millennium Goals van de Verenigde Naties. Het is een set van zeventien doelen met betrekking tot onderwerpen als het bestrijden van armoede, honger en ongelijkheid in de wereld, het beschermen van onze planeet en toegang tot water en sanitaire voorzieningen. Elk doel heeft op zijn beurt weer subdoelen (169 in totaal) die als richtpunt fungeren voor de komende vijftien jaar. Iedereen kan een bijdrage leveren: de overheid, particulieren en het bedrijfsleven. Zo ook de financiële sector.

Dat uit zich onder meer in nieuwe producten en diensten die onder de noemer ‘impact investing’ zijn te scharen. Naast een financieel rendement wordt daarbij expliciet gestreefd naar een sociaal-maatschappelijk rendement. Er zijn talloze vormen denkbaar. Bekend zijn waarschijnlijk wel de microkredietfondsen (gelinkt aan SDG 1: no poverty). Recenter zijn de green bonds, ofwel groene obligaties. Met de opbrengst pakt men klimaatverandering of de gevolgen ervan aan. Dat is SDG 13: climate action. Het geld kan gaan naar projecten op het vlak van zonne-energie, of naar dijkverzwaring bijvoorbeeld.  Inmiddels zijn er al enkele ‘green bond’ beleggingsfondsen op de markt. Minder bekend zijn social impact bonds. Wat te denken van investeringen in werk- en leertrajecten voor jongeren of ex-gedetineerden met een afstand tot de arbeidsmarkt? Op die manier hoopt men hun kansen op een vaste baan te vergroten. Een ambitie die te linken is aan SDG 10: reduced inequalities. Het rendement is afhankelijk van het succes van de gefinancierde programma’s. Nu nog experimenteel, maar wie weet?  Tenslotte zijn er talloze duurzame themafondsen die beleggen in ondernemingen of projecten die een duidelijke link hebben met de SDGs.

Het probleem met veel van de hiervoor genoemde beleggingen is dat ze beperkt in omvang of moeilijk schaalbaar zijn. Een opkomende vorm van impact investing voorziet daar in door juist te beleggen in (grote) beursgenoteerde bedrijven die met hun producten en diensten bovengemiddeld bijdragen aan een of meerdere SDGs. Grote fondshuizen en institutionele beleggers proberen op die manier aansluiting te vinden bij de nieuwe duurzame doelen. Logisch, want zij zoeken naar schaalbare oplossingen, waar grote sommen geld naar toe kunnen.

Kritiek is er ook op deze nieuwe vorm van impact investing. Ik hoorde in de wandelgangen van een congres over dit thema al de term ‘lazy investing’ vallen. Impact beleggers van het eerste uur vinden dit soms een te gemakkelijke oplossing, omdat er in grote beursgenoteerde bedrijven wordt geïnvesteerd in plaats van kleinschalige projecten of ondernemingen. In het managen en opschalen van die kleine projecten gaat namelijk veel meer werk zitten. Ik denk dat het belangrijk is om weg te blijven van al te strakke definities. Wat alle bovengenoemde beleggingen gemeen hebben, is het expliciete streven naar een maatschappelijk rendement naast een financieel rendement. En daar wordt de portefeuille ook actief op gestuurd. Vanuit het besef dat in principe elke investering die u doet sociaal-maatschappelijke impact heeft of kan hebben.

Publicatiedatum 26 september 2016

Lees de column van augustus 2016

Duurzaamheid in kaart gebracht

Rekening houden met mens, milieu en goed bestuur bij het nemen van beleggingsbeslissingen wordt steeds meer gemeengoed. Het dwingt automatisch een langetermijnperspectief af en daar kunnen veel  beleggers baat bij hebben. Een goed personeels- of klimaatbeleid bijvoorbeeld,  betaalt zich pas uit op de wat langere termijn, maar is zeer relevant voor de beleggingscase. Informatie over deze aspecten kan helpen om risico’s en kansen beter in te schatten. Kortom, een betere belegger te worden. Niet verwonderlijk dus, dat institutionele beleggers deze ESG-factoren (environment, social, governance) meewegen. 

Sinds kort biedt Morningstar ook particuliere beleggers de mogelijkheid om dat te doen bij het selecteren  van een beleggingsfonds. Hun nieuwe “Sustainability Rating” zegt iets over hoe goed de bedrijven in een beleggingsfonds hun ESG-kansen en -risico’s managen. De bedrijfsvoering dus. De rating is ook geschikt om te kijken of duurzame beleggingsfondsen inderdaad de meest duurzame bedrijven selecteren, als dat is wat ze beloven. Een mooi initiatief van Morningstar, dat geïnitieerd is vanuit Nederland en het resultaat van een samenwerking met Sustainalytics, een partij met Nederlandse wortels. De Morningstar duurzaamheidsrating vindt u op de Morningstar website en is kosteloos beschikbaar voor (vooralsnog) aandelenfondsen.

Enkele kanttekeningen zijn op hun plaats. Het aangaan van de dialoog met bedrijven in portefeuille om hun duurzaamheidsprestaties te verbeteren (engagement) wordt niet meegewogen in de Morningstar rating. En voor Rabobank is dat een belangrijke component van maatschappelijk verantwoord beleggen. Wij stimuleren fondshuizen al jaren om actief te zijn (of worden) op dit vlak. Ook het uitsluiten van bedrijven met controversiële activiteiten zoals de productie van clustermunitie wordt niet meegewogen in de rating en heeft dus geen invloed op de score.

Wij hebben de nieuwe Sustainability Rating losgelaten op de fondsen in RBBAD, de nieuwe duurzame variant van Rabo Beheerd Beleggen. Uit deze analyse wordt duidelijk dat de duurzame fondsen veelal doen wat ze beloven, namelijk beleggen in de meest duurzame bedrijven uit elke sector.

Rabobank heeft overigens een aantal jaar geleden zelf al een indicator ontwikkeld om duidelijk te maken of een beleggingsfonds of tracker wel, niet of gedeeltelijk aan onze criteria op het gebied van maatschappelijk verantwoord beleggen voldoet. Deze indicator, met een korte toelichting, is te vinden op de Fondsselector van Rabobank. Daarnaast is er beknopte informatie beschikbaar over het duurzaamheidsgehalte van individuele bedrijven binnen Beursinfo onder het tabblad MVB (Maatschappelijk Verantwoord Beleggen). U ziet daar in één oogopslag of de bedrijfsvoering van een bedrijf duurzamer is dan het industriegemiddelde of niet. Er wordt echter geen uitspraak gedaan over het duurzaamheidsgehalte van de producten of diensten van het desbetreffende bedrijf.

Publicatiedatum 16 augustus 2016

Lees de column van juni 2016

Zoveel mensen, zoveel meningen

More doctors smoke Camels than any other cigarette … Het was een bekende reclameslogan uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. In de advertentie werd de boodschap kracht bijgezet door de afbeelding van een dokter in witte jas met een sigaret van het betreffende merk losjes tussen de middel- en wijsvinger geklemd. In die tijd keek niemand er van op.

Zestig jaar later (in 2012) daarentegen, zorgde het nieuwsbericht dat Nederlandse huisartsen via hun pensioenfonds belegden in tabaksfabrikanten voor de nodige media-aandacht en ophef. Beleggen in tabaksbedrijven is inmiddels niet meer voor iedereen vanzelfsprekend en er zijn meerdere institutionele beleggers die tabaksfabrikanten uitsluiten.

Dat het niet zo lang hoeft te duren voordat bepaalde zienswijzen veranderen, bewijst de ramp met een kernreactor in het Japanse Fukushima. Diverse overheden hebben hun ambities op het gebied van kernenergie als gevolg daarvan razendsnel bijgesteld. Maar ook weer niet overal.

Houd een enquête over het recht op particulier wapenbezit in Nederland en in de VS en je krijgt hele verschillende uitslagen en zienswijzen. En een studie van Harvard University enkele jaren terug liet zien dat er een dunne lijn is tussen het geven van een fooi (een beloning achteraf voor verleende diensten) en een steekpenning (een "beloning" voor nog te verlenen diensten). Het lijken vooral culturele verschillen te zijn die bepalen hoe er in verschillende landen tegen deze vormen van "beloning" wordt aangekeken.

Waarmee ik maar wil zeggen dat waarden en normen veranderlijk zijn en niet alleen tijds- maar ook plaatsafhankelijk. En dan ook nog voor een belangrijk deel heel persoonlijk.

Het is om die reden dat wij zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij internationale normenkaders zoals de Global Compact principes voor de invulling van maatschappelijk verantwoord beleggen. Deze principes vormen wereldwijd toch een redelijk universeel referentiekader als het gaat om fatsoenlijk gedrag, ook al zijn lokale nuances mogelijk. Daarbij wordt vooral gekeken naar de bedrijfsvoering en niet zozeer de producten die een onderneming maakt. Veel mensen herkennen zich in deze uitgangspunten. Het tegengaan van corruptie, bescherming van het milieu, het uitbannen van kinderarbeid. Het zijn zaken waar je als belegger moeilijk op tegen kunt zijn.

Voor ons als bank is het belangrijk mee te bewegen en aan te voelen wat onze klanten willen zodat de meeste van hen zich herkennen in onze (uitsluitings)criteria en uitgangspunten. Zo heeft Rabobank bijvoorbeeld een aantal jaar geleden besloten zijn Statement Wapenindustrie aan te passen en de uitsluitingscriteria ook toe te passen op ondernemingen die wapens leveren aan controversiële regimes. Concreet betekent dit dat wapenleveranties aan de betreffende regimes ook onder de reikwijdte van ons uitsluitingsbeleid vallen.

Daarnaast is het van belang beleggende klanten die verder willen gaan dan onze standaard (maatschappelijk verantwoord beleggen) daartoe de mogelijkheden te bieden. Wij noemen dat duurzaam beleggen. Daar hebben we talloze duurzame beleggingsfondsen voor en een gespecialiseerde dienstverlening. En sinds kort ook een kant-en-klare oplossing in de vorm van Rabo Beheerd Beleggen Actief Duurzaam. Want de wens naar meer gemak is tamelijk universeel en van alle tijden … 

Publicatiedatum 10-06-2016

Lees meer over duurzaam beleggen

Lees de column van februari 2016

Actief eigenaarschap in de praktijk

De Rabobank vraagt de fondshuizen waarmee ze werkt om zich op te stellen als actief eigenaar. Wat wil dat zeggen? Een actieve eigenaar is een betrokken eigenaar. Een eigenaar met het besef dat een aandeel in een onderneming rechten met zich meebrengt. Denk aan het stemrecht op aandeelhoudersvergaderingen of het recht om de dialoog aan te gaan. Dat laatste staat bekend als ‘engagement’. Op die manier kan een belegger sturing geven aan de koers van een onderneming.

Om enig idee te geven wat dat betekent, een praktijkvoorbeeld. Een van de fondshuizen waarmee we samenwerken is het Deense Sparinvest, een relatief kleine speler. Zij lieten ons onlangs zien hoe ze in 2015 invulling hebben gegeven aan het begrip actief eigenaarschap.

Zo stemden zij op bijna 90% van de aandeelhoudersvergaderingen van de bedrijven in hun portefeuilles. Daarvoor bestuderen zij de agendapunten kritisch en het komt regelmatig voor dat zij tégen de voorstellen van het management stemmen. Veelal gaat het om bestuurszaken zoals de samenstelling van de raad van bestuur of de beloning van topbestuurders.

Het fondshuis zet ook actief in op de dialoog met bedrijven. In 93 gevallen deden fondsmanagers dat zelf, in aanloop naar de aandeelhoudersvergadering. In nog eens 62 gevallen ging dat via een breder samenwerkingsverband. En in 45 gevallen voerde ISS-Ethix, een gespecialiseerde dienstverlener, de dialoog mede namens Sparinvest. Dat gebeurt als een bedrijf bepaalde duurzaamheidsnormen (bijvoorbeeld de UN Global Compact) niet respecteert. Een mooie mix van directe betrokkenheid van de eigen fondsmanagers enerzijds en samenwerkingsverbanden om de effectiviteit te vergroten anderzijds.

Wij eisen van fondshuizen dat zij de Principles for Responsible Investment (PRI) ondertekenen, een gedragscode voor verantwoord beleggen. Bijkomend voordeel van het lidmaatschap is dat institutionele beleggers ook gezamenlijk kunnen optrekken in de richting van bedrijven. In de periode augustus 2013 tot juni 2015 bijvoorbeeld, voerden 34 institutionele beleggers met 32 bedrijven de dialoog om hun anti-corruptiestandaarden te verbeteren. In 28 gevallen leidde dat tot resultaten.

Sparinvest nam de taak op zich om, mede namens 33 andere aandeelhouders, over dit onderwerp met het Japanse telecombedrijf NTT Communications de dialoog aan te gaan. En met resultaat: de onderneming scherpte zijn anti-corruptiebeleid aan en werd hier transparanter over. Dat resultaat is meetbaar. De score op dit onderwerp verbeterde van 4.5 naar 14.5 punten op een 18 punts-schaal van Transparency International, een belangengroep die zich inzet voor dit thema. Door concrete doelstellingen te formuleren en de resultaten te meten is het engagement-proces ontdaan van vrijblijvendheid. Inmiddels is het fondshuis gestart met een vergelijkbaar collectief engagement-programma ten aanzien van mensenrechten in de winningsindustrie (mijnbouw, olie en gas).

De inspanningen van dit fondshuis laten zien dat ook kleine institutionele beleggers op constructieve wijze veranderingen kunnen bewerkstelligen. Steeds meer institutionele partijen vullen het engagement-proces op een gestructureerde manier in. Omdat de fondshuizen waarmee we samenwerken de PRI hebben ondertekend, rapporteren zij ook over deze inspanningen, dat is namelijk een verplichting. En tevens een mooie stok achter de deur.

Publicatiedatum 18-02-2016

Lees de column van december 2015

What gets measured, gets done

De klimaattop in Parijs nadert zijn hoogtepunt. Laten we hopen dat het ook een hoogtepunt wordt, met concrete en ambitieuze doelstellingen. In aanloop naar, maar ook tijdens de top, lieten diverse partijen al hun goede voornemens blijken. Daaronder ook beleggers die aankondigden bepaalde beleggingen af te stoten of juist op te nemen om klimaatverandering tegen te gaan.

Klanten die klimaatvriendelijker willen beleggen, kunnen bij de Rabobank die voorkeur steeds duidelijker mee laten wegen in hun beleggingskeuze. Daarmee willen wij concreet gehoor geven aan de zorgen die er leven omtrent klimaatverandering en de risico’s die dat met zich meebrengt voor beleggers.

De Rabobank werkt bijvoorbeeld samen met Sustainalytics, een leverancier van ratings op het gebied van duurzaamheid, om de portefeuilles van instellingen en goede doelen (die daar prijs op stellen) door te lichten op CO2-intensiteit. Aan een aantal van deze klanten is tijdens de klimaattop een dergelijke portefeuille-analyse aangeboden. Zodat zij, als zij dat willen, kunnen sturen op CO2. Daar kunnen meerdere redenen voor zijn. Bijvoorbeeld omdat het past bij hun beleggingsfilosofie. Maar ook vanuit de gedachte dat de meest vervuilende bedrijven op termijn slechter zullen renderen.

De Rabobank heeft ook de assortimentslijst met aandelen laten doormeten. Daaruit blijkt dat de pool van aandelen waaruit onze beleggingsspecialisten portefeuilles samenstellen, nu al 46 procent minder CO2-intensief is (per omgezette dollar) dan de wereldwijde referentiebenchmark (de MSCI-Developed Markets Index). De score is mede het gevolg van het feit dat de Rabobank bij de samenstelling van de assortimentslijst in het verleden ook al rekening heeft gehouden met duurzaamheidscriteria. Het streven is om deze pool volgend jaar minimaal 50 procent minder CO2-intensief dan de benchmark te maken. Via een speciale indicator kunnen klanten met behulp van hun adviseur in individuele aandelen beleggen die het goed doen op het gebied van CO2-uitstoot.

Daarnaast gaat de Rabobank de dialoog aan met haar leveranciers van beleggingsfondsen. Uit een recente inventarisatie bleek dat het onderwerp weliswaar bij hen op de radar staat, maar dat specifiek beleid vaak nog ontbreekt op dit vlak. Ook meet de helft van alle fondshuizen waarmee we samenwerken nog niet de CO2-uitstoot van portefeuilles die ze beheren. Inzet is daarom om met behulp van de dialoog het thema klimaatverandering steviger verankerd te krijgen in hun beleggingsproces. Dat kan vele vormen aannemen: bijvoorbeeld het formuleren van een klimaatbeleid, het meten van de CO2-intensiteit van portefeuilles of het aangaan van de dialoog met bedrijven die erg achterblijven met hun inspanningen om hun milieubelasting te reduceren. Onze ervaring is dat alleen al het stellen van dit soort vragen leidt tot bewustwording en nieuwe initiatieven bij fondshuizen.

De Rabobank heeft ook diverse beleggingsfondsen in haar assortiment waarmee beleggers specifiek kunnen beleggen in thema’s als nieuwe energie, water en milieu. Dat biedt beleggers de mogelijkheid om te beleggen in windmolenparken en alternatieve energiebronnen alsook 'green bonds' (groene obligaties). Die laatste zijn specifiek bedoeld om projecten te financieren die het tegengaan van klimaatverandering, of de gevolgen ervan, als doel hebben. Steeds vaker wordt daarbij ook de sociaal-maatschappelijke impact gemeten. Bijvoorbeeld de bijdrage aan CO2-reductie.Meten is weten. En weten stelt je in staat bewust te handelen. Beleggers kunnen dus concreet aan de slag met het thema, ongeacht de uitkomst van de top of wat anderen doen.

Publicatiedatum 10-12-2015

Lees meer over ons aandeel in een beter klimaat

Lees de column van oktober 2015

Uitgestoten…

Mens, milieu en goed bestuur worden nogal eens aangeduid als de niet-financiële factoren om rekening mee te houden in het beleggingsproces. Dat is een ietwat misleidende term want deze niet-financiële factoren kunnen grote financiële implicaties hebben. Dat bleek de afgelopen weken maar weer door het schandaal bij Volkswagen. Met behulp van gemanipuleerde software werd de uitstoot van dieselmotoren van het concern stelselmatig mooier voorgespiegeld dan feitelijk het geval was. Met dramatische consequenties.

Beleggers waardeerden het concern in een tijdsbestek van enkele dagen met veertig procent af. Begrijpelijk. Miljoenen auto’s moeten terug naar de garage, bepaalde modellen worden tijdelijk niet meer verkocht en VW hangt honderden zo niet duizenden claims boven het hoofd. Om nog maar te zwijgen van de boetes en strafrechtelijke vervolging. En dan is er nog de sociaal-maatschappelijke impact op de duizenden medewerkers van het concern en de Duitse economie als geheel. Die komt weliswaar niet direct tot uitdrukking in de koers van VW, maar de gevolgen zijn er niet minder om.

Laten we wel wezen; Volkswagen stond er bij veel duurzame beleggers goed op. De onderneming was net uitgeroepen tot industry group leader door RobecoSAM bijvoorbeeld. Had men dit kunnen zien aankomen? Ik denk dat dat te veel gevraagd is: beleggers en duurzaamheidsratingbureaus zijn nu eenmaal in belangrijke mate afhankelijk van de informatie die ze krijgen van een bedrijf zelf. Daarin schuilt tegelijkertijd ook het gevaar.

Zijn de ratings daarmee waardeloos? Volgens mij niet. Een duurzaamheidsscore wordt bepaald aan de hand van een groot aantal factoren. Daarbij wordt steeds gekeken naar beleid, werkwijze en resultaten op talloze terreinen. Maar ook al gaan er tevens dingen goed bij Volkswagen, feit is dat daar nu even geen oog voor is. Want door het schandaal wordt de autofabrikant, ook qua duurzaamheidsimago, momenteel midscheeps geraakt. En dus volgen de nodige downgrades door de duurzaamheidsratingbureaus. Die doen niets meer of minder dan de nieuwe informatie die hen ter beschikking staat, verwerken in hun opinie. Als mosterd voor de volgende maaltijd.

Hoe hier vervolgens mee om te gaan als belegger? Dat hangt ervan af welk type belegger je bent. De opportunistische belegger zal misschien redeneren dat het bedrijf te hard is afgestraft. De maatschappelijk verantwoorde belegger die gelooft in actief eigenaarschap zal redeneren dat als - mede door zijn dialoog - verbeteringen worden doorgevoerd, de waardering geleidelijk weer zal aantrekken. Het mes snijdt dan aan twee kanten: de onderneming verduurzaamt en de belegger wordt er beter van. En weer andere beleggers zullen het aandeel een tijd lang mijden. Omdat het vertrouwen in de onderneming weg is, of voor hen een bepaalde grens is overschreden. Zoveel beleggers, zoveel meningen. Financiële markten bestaan bij gratie van dit soort verschillen van inzicht. Ook op het vlak van duurzaamheid.

Publicatiedatum 06-10-2015

Lees de column van juli 2015

Te scherp aan de wind…

Onlangs kwam de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling (VBDO) met haar 'Tax Transparency Benchmark' naar buiten. De kern van het rapport is dat nog altijd meer dan de helft van de onderzochte Nederlandse multinationals geen specifiek belastingbeleid publiceert. Hoewel er vooruitgang is, schort het in veel gevallen nog aan transparantie over dit onderwerp. Het is niet voor alle beleggers evident, maar ook dit onderwerp is te scharen onder maatschappelijk verantwoord ondernemen en beleggen. Maar wanneer doe je het eigenlijk goed als bedrijf?

De meeste mensen betalen niet graag belasting. Dat is voor ondernemingen niet anders. Het drukt immers de winst of het vermogen. Maar iedereen begrijpt dat die belastingen wel noodzakelijk zijn om een goede infrastructuur in een land te onderhouden. Of een goed onderwijssysteem. Daar hebben immers alle bedrijven baat bij. Met andere woorden; je betaalt wat, maar daar krijg je ook wat voor terug.

Ondernemingen die internationaal opereren hebben echter mogelijkheden om over de landsgrenzen heen met opbrengsten en winsten te schuiven en op die manier de af te dragen belastingen te 'optimaliseren'. Sommige bedrijven betalen daardoor veel minder of soms zelfs geen belasting in landen waar ze actief zijn. Terwijl deze ondernemingen vaak toch dezelfde faciliteiten gebruiken als lokale ondernemers die daar wel voor betalen. Dat is niet fair.

Scherp aan de wind zeilen voorkomt dat je als bedrijf te veel belasting betaalt, maar brengt ook het risico met zich mee - om in zeiltermen te blijven - dat je water maakt. Diverse multinationals, waaronder Starbucks in het Verenigd Koninkrijk, hebben dat ondervonden. De koffieketen bleek door een handige constructie al jaren nauwelijks of geen belasting te betalen in het gastland. Als gevolg van alle commotie liepen klanten aan de winkels voorbij, met als resultaat gederfde omzet. Ook werd het bedrijf door een overheidscommissie ter verantwoording geroepen. Starbucks heeft inmiddels besloten om het anders aan te pakken.

Scherp aan de wind zeilen kan namelijk de relatie verstoren met het gastland. Dat kan resulteren in bijvoorbeeld minder aanbestedingen. En als je de grenzen van de wet opzoekt, loop je als bedrijf het risico dat je met de fiscus in de clinch raakt. Al deze zaken brengen, nog even los van de morele aspecten, risico's voor beleggers met zich mee.

Wat is wijsheid? Enkele vuistregels voor bedrijven zijn er wel te geven; dat doet VBDO en ook diverse andere experts en instanties. Ga de dialoog aan over het onderwerp met de diverse belanghebbenden. Acteer niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de (belasting)wet; betaal belasting daar waar je de winst of opbrengsten realiseert en wees daar zo transparant mogelijk over.

Beleggers hebben steeds meer aandacht voor deze aspecten. En ook ten aanzien van de gerapporteerde belastingdruk geldt: if it looks too good to be true, it probably is...

Publicatiedatum 24-07-2015

Lees meer over de Tax Transparency Benchmark op de website van VBDO

Lees ons fiscaal beleidsstatement

Lees de column van maart 2015

Een groen wasprogramma

Een belangrijk onderdeel van maatschappelijk verantwoord beleggen is het aanspreken van bedrijven op hun prestaties op het vlak van mens, milieu en goed bestuur. Dat wordt ook wel de dialoog genoemd of, met een mooi woord, engagement. Engagement kan vele vormen aannemen. Van het schrijven van een brief tot een langdurige gesprekscyclus met evaluatiemomenten of het indienen van een aandeelhoudersresolutie. Dat laatste instrument wordt met name in de Verenigde Staten steeds meer ingezet om onderwerpen op de agenda van een jaarvergadering te krijgen. Vaak als drukmiddel om tot een dialoog met een bedrijf te komen.

De tijd is voorbij dat vrijblijvend een kop koffie drinken met het bestuur van een onderneming kwalificeert als engagement. Dat kan nog steeds een onderdeel van de strategie vormen, maar we bewegen langzaam naar een ander niveau.

Want steeds meer institutionele beleggers gaan routinematig het gesprek aan met bedrijven over deze onderwerpen, zeker als ze achterblijven. Standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals de UN Global Compact en de OECD Guidelines for Multinational Enterprises dienen als referentiekader. Er wordt steeds vaker gewerkt met een plan, engagement doelstellingen en een rapportage over de behaalde resultaten. Er wordt ook steeds vaker samen gewerkt, bijvoorbeeld via het Nederlandse Eumedion of het UNPRI Clearinghouse, een engagement platform. Dat maakt engagement in ieder geval efficiënter en waarschijnlijk ook een stuk effectiever. Bovendien wordt er momenteel door de Europese Commissie gekeken of het mogelijk is om institutionele beleggers te bewegen in de richting van engagement door hen meer transparantie te vragen. Dat legt druk bij deze partijen om een formeel engagement beleid te ontwikkelen.

Maar wat schiet je daar eigenlijk mee op als belegger? Loont engagement, buiten de maatschappelijke opbrengsten, ook financieel gezien?

Er is nog niet heel veel onderzoek naar gedaan, maar de eerste resultaten lijken er op te wijzen dat er financieel rendement is te behalen met succesvol engagement. Ondernemingen presteren beter op de beurs, naarmate zij verduurzamen*.

In dat geval kan het in bepaalde omstandigheden lonen voor grote beleggers om ondernemingen die achterblijven op het duurzaamheidsvlak in portefeuille te nemen (of te houden) en hen hierop aan te spreken. Als deze vervolgens hun gedrag daadwerkelijk verbeteren, zou je dat terug moeten zien in de beurskoers. Zijn de ondernemingen 'schoon', dan kun je een deel van het belang verkopen en je pijlen richten op andere ondernemingen die achterblijven. De wetenschappers Gollier en Pouget noemen dat de 'washing machine' strategie**. Dat geeft volgens mij een hele nieuwe lading aan de term 'green washing'.

De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

*Dimson, Elroy, Xi Li & Oguzhan Karakas, Active Ownership, Review of Financial Studies, nog te verschijnen, 2015.

**Christian Gollier & Sébastien Pouget, “The Washing Machine": Investment Strategies and Corporate Behavior with Socially Responsible Investors”, Working Paper TSE-457, Toulouse School of Economics, January 2014.

Publicatiedatum 24-03-2015