Onderzoek

Vergrijzing vraagt om nieuwe vormen van samenwerken en samenleven

13 april 2023 9:00 RaboResearch

Toekomstbestendig wonen in de regio Leiden-Den Haag vraagt niet alleen iets van (bestaande en nieuwe) huizen en het zorgsysteem. We moeten ook op een andere manier (samen)werken en samenleven.

Caregiver – woman helping senior man with shopping

Voorwoord

“We hebben de afgelopen twintig jaar op tal van terreinen de ballen gewoon vooruit geschopt. En dat noemen we nu een crisis. De asielcrisis, de woningbouwcrisis, de stikstofcrisis.” Aldus CDA-prominent en Commissaris van de Koning Jaap Smit in een recent interview met het Financieele Dagblad.

De komende jaren dient zich nog een ander urgent maatschappelijk probleem aan. Door de vergrijzing neemt het aantal oudere huishoudens de komende twintig jaar sterk toe. In de regio Leiden-Haaglanden is de verwachting dat in 2040 één op de drie huishoudens een 65-plus huishouden is. Ouderen moeten langer zelfstandig thuis wonen, ook bij toenemende gebreken, waardoor zorg en ondersteuning thuis nodig is. Daarbij komt dat meer dan de helft van alle ouderen in een huis woont dat minder geschikt is om in te blijven wonen als er mobiliteits- of gezondheidsproblemen ontstaan. Ook zijn dagelijkse voorzieningen lang niet altijd op loopafstand. Dat betekent dat er een forse uitdaging ligt om toekomstbestendig wonen in deze regio te versterken.

Een uitdaging die geen enkele partij alleen kan realiseren. Samenwerking tussen alle betrokken partijen – gemeenten, woningcorporaties, zorgverzekeraars, zorgkantoren, zorgaanbieders en banken – is noodzakelijk. Vanuit dat besef organiseerde Rabobank in december vorig jaar en januari van dit jaar twee dialoogsessies. Op 14 februari volgde nog een verdiepende sessie met alle betrokkenen. De uitkomsten van die sessies zijn door RaboResearch handzaam samengevat in de publicatie die voor u ligt.

De dialoogsessies maakten duidelijk dat het versterken van toekomstbestendig wonen vraagt om de realisatie van meer geschikte woningen op de juiste plekken. Dat vraagt om nieuwbouw, maar ook om ‘ombouw’ van bestaande panden. De dialoogsessies maakten tevens duidelijk dat toekomstbestendig wonen niet alleen over woningen gaat. Het vraagt ook om de verschuiving van zorg en hulp naar het woondomein. En tot slot vraagt toekomstbestendig wonen om een andere manier van samenwerken en samenleven vanuit een holistische kijk op de maatschappij. Niet alleen van professionals, maar ook van burgers; van jong tot oud.

Deze publicatie is wat ons betreft niet een eindpunt. Maar het startpunt om een regionale coalitie te vormen, waaraan ook Rabobank een constructieve bijdrage wil leveren. Laat we – om met Jaap Smit te spreken – niet wederom de bal vooruitschoppen. En met vereende krachten toekomstbestendig wonen in deze regio daadwerkelijk realiseren.

Wim Nobel, directeur coöperatieve Rabobank Groene Hart Noord

Marius Hovius, directeur coöperatieve Rabobank Leiden-Katwijk

Inleiding: Vergrijzing in Leiden-Haaglanden

De Nederlandse bevolking vergrijst in een rap tempo, vooral de groep van 75 jaar of ouder groeit de komende jaren hard. De vergrijzing raakt alle regio’s, zowel steden als de meer landelijke gebieden. En dus ook Leiden-Haaglanden, een grote kustregio die loopt van de Bollenstreek tot aan Maassluis en van het zeer sterk stedelijke Den Haag tot het meer landelijke Groene Hart (zie figuur 1).

Figuur 1: Leefgebieden in regio Leiden-Haaglanden

Ouderen wonen vaker dan vroeger tot op hoge leeftijd zelfstandig thuis. Onveranderd is echter dat ouderdom vaak met gebreken komt: veel ouderen worden op den duur minder goed ter been of krijgen te maken met andere gezondheidsproblemen. Dat kan een hele uitdaging zijn in een huis met trappen of in een buurt waar geen supermarkt of bushalte op loopafstand is.

De toenemende vergrijzing brengt een stevige opgave met zich mee rond toekomstbestendig wonen. Die vraagt iets van onze huizen en buurten, maar ook van de wijze waarop we in Nederland de hulp en zorg voor ouderen organiseren. In deze publicatie verkennen we de kansen en uitdagingen rondom toekomstbestendig wonen in Leiden-Haaglanden. Hoe wonen ouderen in deze regio? Is hun huis geschikt om in te blijven wonen als zij bijvoorbeeld moeite krijgen met traplopen? En welke kansen zien regionale betrokkenen om toekomstbestendig wonen samen verder te versterken?

Op basis van deze laatste vraag gingen mensen met (professionele) affiniteit met wonen en zorg met elkaar in gesprek tijdens twee regionale dialoogsessies (zie box 1). In het vervolg van deze publicatie worden de inzichten uit de dialoogsessies nader toegelicht. Maar eerst staan we kort stil bij de mate waarin de regio vergrijst en kijken we naar de huidige woonsituatie van ouderen: in hoeverre is hun huis geschikt om in te blijven wonen als zij te maken krijgen met mobiliteitsbeperkingen?

Box 1: Waarderend onderzoek om te verbinden, dromen en realiseren

In november 2022 en januari 2023 vonden twee dialoogsessies plaats, georganiseerd door Rabobank Leiden-Haaglanden en het Dialoog Expertisecentrum van de Rabobank. De sessies werden bijgewoond door 54 regionale betrokkenen. Onder meer woningcorporaties, zorginstellingen, zorgverzekeraars, bouwers en ontwikkelaars, ouderenbonden en overheden namen deel.

De dialogen werden gevoerd volgens de Appreciative Inquiry-methode. Dat is een gestructureerde manier van gespreksvoering in groepen van zeven tot negen mensen, waarbij de focus ligt op wat er al goed gaat, waar kansen liggen en wat het ideale toekomstbeeld is.

In totaal waren er vier verschillende gesprekstafels. Binnen die tafels gingen deelnemers in gesprek onder begeleiding van getrainde dialoogbegeleiders. Daarbij doorliepen ze vijf gestructureerde fasen.

  1. Na een korte kennismaking deelden de deelnemers hun eerste associatie bij de centrale vraagstelling ‘Welke kansen zien we om toekomstbestendig wonen in deze regio samen te versterken?’
  2. In de tweede fase stonden de persoonlijke ervaringen centraal. Het ging over successen maar ook over wat (nog) beter kan.
  3. In de deze fase werd deelnemers gevraagd naar hun toekomstbeeld: hoe ziet toekomstbestendig wonen er in 2030 idealiter uit in Leiden-Haaglanden?
  4. De vierde fase stond in het teken van het realiseren van het ideaalbeeld: wat en wie is er nodig om het toekomstbeeld te verwezenlijken?
  5. In de afsluitende fase ging de dialoog weer naar het hier en nu: welke stappen kunnen al worden gezet om dichterbij het ideaalbeeld te komen?

De bijdragen van individuele deelnemers zijn geanonimiseerd vastgelegd in een verslag. De gespreksverslagen zijn vervolgens geanalyseerd in twee fasen. De eerste stond in het teken van open coderen. We bestudeerden iedere bijdrage en vatten deze samen met een label. In de tweede fase brachten we alle labels samen keken we naar onderlinge relaties en verbanden tussen de labels. In deze fase kwamen drie overkoepelende opgaven naar boven die – gegeven de uitspraken en informatie van de deelnemers – cruciaal lijken om toekomstbestendig wonen in de regio Leiden-Haaglanden te versterken. De conclusies komen geheel voor rekening van Rabobank en zijn onze interpretatie van de collectieve wijsheid die naar boven kwam tijdens de dialogen.

“De helft van alle 75-plus huishoudens heeft lichte tot zware mobiliteitsbeperkingen.”

Langer zelfstandig wonen in Leiden-Haaglanden

Meer ouderenhuishoudens en meer ouderenhuishoudens met beperkingen

In 2021 telde de regio Leiden-Haaglanden ruim 220.000 ouderenhuishoudens. Dat zijn huishoudens waarvan tenminste een persoon 65 jaar of ouder is. Nu meer en meer babyboomers de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, neemt dit aantal in rap tempo toe. Naar verwachting telt de regio in 2040 bijna 335.000 ouderenhuishoudens (zie figuur 2). Iets minder dan de helft van deze huishoudens zal dan (net als nu) in Den Haag en omstreken wonen.

Ouderen maken bovendien een steeds groter deel uit van de regionale bevolking. In 2021 was een op de vier huishoudens een 65-plus huishouden en in 2040 is dat een op de drie. Daarnaast is sprake van een ‘dubbele vergrijzing’: binnen de groep ouderen neemt vooral het aantal oudere ouderen toe. In 2040 telt de regio naar verwachting bijna twee keer zo veel 75-plus huishoudens als in 2021. Dit is een forse toename, ook in vergelijking met de rest van het land; landelijk is de toename van het aantal 75-plus huishoudens zo’n 77 procent.

Meer ouderen betekent ook dat er meer ouderen bijkomen die op den duur behoefte krijgen aan zorg en ondersteuning. Veel 75-plussers hebben een chronische aandoening en de meesten kampen met lichamelijke beperkingen, psychische aandoeningen of geheugenproblemen, zo blijkt uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau. In lijn met het landelijke beeld heeft in deze regio ongeveer de helft van alle 75-plus huishoudens lichte tot zware mobiliteitsbeperkingen. Bij lichte beperkingen gaat het bijvoorbeeld om moeite met (trap)lopen. In ouderenhuishoudens waar sprake is van matige tot zware beperkingen worden mobiliteitshulpmiddelen gebruikt, zoals scootmobielen of rollators. Naar verwachting stijgt het aantal ouderenhuishoudens met mobiliteitsbeperkingen van bijna 70.000 in 2021 tot bijna 100.000 in 2040.

Figuur 2: Steeds meer ouderen in Leiden-Haaglanden

Bron: ABF Research

Ouderen (vooral 85-plussers) ontvangen zorg en ondersteuning in de regel aan huis, via de thuiszorg en wijkverpleging en via het eigen sociale netwerk. Dat komt omdat zij vaker dan vroeger zelfstandig blijven wonen, ook wanneer de gezondheid achteruit gaat en ze bijvoorbeeld moeite krijgen met traplopen. Vanaf het 85ste levensjaar loopt het aandeel dat in een zorginstelling woont wel wat op. Maar zelfs van de 95-plussers woont zes op de tien nog zelfstandig, ook in deze regio. Naar verwachting wijzigt dit beeld de komende jaren niet, gelet op de voorkeuren van ouderen en ook het beleid rondom wonen en zorg. Al decennialang wordt ingezet op het zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Het is veelzeggend dat er de komende jaren geen verpleeghuisplekken bijkomen, terwijl het aantal 85-plussers in Nederland naar verwachting verdubbelt tot 2040.

Het aantal ouderen dat op enig moment zorg en ondersteuning (thuis) nodig heeft, groeit echter vele malen harder dan het aantal personen in de werkzame leeftijd. De verhouding tussen zorgbehoevenden en mogelijke zorgverleners loopt dus verder uiteen. Volgens de meest recente regionale bevolkingsprognose van het PBL en het CBS telt Leiden-Haaglanden in 2040 ongeveer 82.000 mensen extra in de werkzame leeftijd, wat neerkomt op een groei van ruim 7 procent. Deze groei staat in schril contrast met de voorziene groei van het aantal inwoners van 65 jaar of ouder (ruim 47 procent).

Een op de twee woont in een potentieel ongeschikt huis

Iets meer dan de helft van de zelfstandig wonende Leids-Haagse ouderenhuishoudens woont in een huis dat op het eerste oog minder geschikt is om in te blijven wonen als de gezondheid het laat afweten en mobiliteitsbeperkingen de kop op steken (figuur 3). De regio is op dit punt goed vergelijkbaar met de rest van Nederland. Vooral in het Groene Hart Noord en in de Bollenstreek wonen relatief veel ouderenhuishoudens in een huis dat (nog) niet geschikt is.

Ouderenhuishoudens die al wel geschikt wonen, wonen vaak in een zogenoemde ‘nultredenwoning’. Dat is een huis waarvan de voordeur en de belangrijkste ruimten, zoals de woonkamer, slaapkamer en keuken, zonder een trap te bereiken zijn. Ongeveer een op de tien ouderenhuishoudens woont verder in een geclusterde woonvorm. Zulke woonvormen omvatten deels ‘traditionele’ vormen zoals serviceflats en aanleunwoningen. Aanleunwoningen zijn zelfstandige woningen in de buurt van een zorginstelling of steunpunt van waaruit bepaalde voorzieningen en diensten worden aangeboden. Geclusterde woonvormen verwijzen ook naar (soms meer vernieuwende) vormen zoals hofjeswoningen – denk bijvoorbeeld aan knarrenhofjes - en kleinschalige woonzorggroepen. Daarnaast woont een klein deel van de ouderenhuishoudens in een huis dat al is aangepast.


Figuur 3: Een op de twee woont in ongeschikt huis

Bron: ABF Research

Versterken toekomstbestendig wonen in Leiden-Haaglanden

Hoe kunnen we er voor zorgen dat de groeiende groep ouderen in Leiden-Haaglanden in geschikte huizen en buurten wonen, waar ze ook zorg en hulp aan huis kunnen krijgen? Volgens de deelnemers aan de dialoogtafels behelst het antwoord op deze vraag drie verschillende, maar op punten samenhangende, opgaven. Er moeten in de eerste plaats meer geschikte huizen op de juiste plekken bijkomen. Daarnaast is het nodig om de verschuiving van zorg en hulp naar het woondomein te ondersteunen, rekening houdend met personeelstekorten en in de wetenschap dat de potentiële beroepsbevolking in de regio nog maar zeer beperkt groeit. Tot slot is een omslag nodig in de attitude en mentaliteit van zowel professionals als burgers. Die omslag is alleen mogelijk als zowel woon- als zorgprofessionals meer openstaan voor nieuwe samenwerkvormen en als inwoners meer openstaan voor andere samenleefvormen.

Meer geschikte huizen op de juiste plekken

De toenemende vergrijzing en het versterken van toekomstbestendig wonen vraagt om meer geschikte woningen voor ouderen. Volgens prognoses van ABF Research moeten er in deze regio in totaal zo’n 72.000 geschikte huizen bijkomen tot en met 2040. Dit kan via nieuwbouw (van bijvoorbeeld nultredenwoningen) maar ook door het aanpassen van de huizen waarin ouderen al wonen, voor zover deze huizen minder geschikt zijn om oud in te worden.

Aanpassen en vooral bijbouwen

In Leiden-Haaglanden is circa 62 procent van de huizen in technische zin en tegen relatief beperkte kosten (maximaal 10.000 euro) geschikt te maken (figuur 4). Het gaat hierbij niet om grootschalige bouwkundige aanpassingen, maar om het plaatsen van trapliften, het weghalen van drempels of het aanpassen van het sanitair. Het percentage aanpasbare huizen in deze regio ligt duidelijk onder het Nederlands gemiddelde, want landelijk zijn zo’n drie op de vier huizen aanpasbaar. Dit komt vooral door het grote aantal bovenwoningen en portiekwoningen in Den Haag. Deze zijn doorgaans lastiger aan te passen. Volgens ABF Research moeten er tot en met 2040 12.000 aangepaste huizen bijkomen (tabel 1).

Figuur 4: Veel huizen zijn aan te passen

Bron: Zorg op de Kaart

Toch ging het in de dialogen maar weinig over de mogelijkheid om bestaande huizen aan te passen. Volgens de deelnemers moeten er vooral veel meer nieuwe huizen voor ouderen worden bijgebouwd. Naar schatting gaat het om zo’n 46.000 nultredenwoningen en 14.000 geclusterde ouderenwoningen (tabel 1). Op basis van demografische verwachtingen groeit ook de behoefte aan intramurale plekken, zoals verpleeghuizen. Maar de komende jaren moeten we het doen met het huidige aantal plekken in deze instellingen. Om toch in de behoefte te voorzien, moeten er meer verpleegzorgplekken bijkomen in onder meer geclusterde woonvormen, waar ouderen zorg en begeleiding kunnen krijgen die ze normaliter in een intramurale setting hadden gekregen.

Tabel 1: Toename benodigde ouderenwoningen en intramurale plekken, 2021 en 2040

Bron: ABF Research

“We hebben het heel snel over gerichte maatregelen voor gerichte groepen. Maar de samenleving heeft vooral behoefte om samen te leven.”

Woonconcepten die leefgemeenschappen doen floreren

Maar wat voor huizen of woonruimten moeten er worden bijgebouwd? Tijdens de dialogen passeerden een veelheid aan woonconcepten en woonvormen de revue, waaronder meer traditionele concepten zoals de welbekende serviceflats en aanleunwoningen. Met grote regelmaat wezen deelnemers op de potentie van hofjeswoningen en gestippeld wonen: een concept waarbij ouderen verspreid over een complex wonen maar wel de mogelijkheid hebben om elkaar te ontmoeten en deel te nemen aan gezamenlijke activiteiten.

Woonconcepten of woonvormen voor ouderen onderscheiden zich idealiter door kleinschaligheid, de nabijheid tot zorg (verpleegkundige hulp of bijvoorbeeld een huisarts) en de mogelijkheid tot samenleven. De deelnemers aan de gesprekstafels zien vooral veel potentie in inclusieve woonconcepten, waarbij jong en oud samenkomen. “We hebben het heel snel over gerichte maatregelen voor gerichte groepen. Maar de samenleving heeft vooral behoefte om samen te leven,” zoals een van de deelnemers aangaf. Meerdere deelnemers onderstreepten het belang van samenleven en de waarde van leefgemeenschappen waarin mensen naar elkaar omzien om ervoor te zorgen dat mensen op een prettige manier oud kunnen worden.

Sociale binding cruciaal voor leefkwaliteit van de buurt

Toekomstbestendig wonen vraagt niet alleen iets van de huizen maar ook van onze buurten. De leefkwaliteit in de nabije omgeving is zo mogelijk nog belangrijker dan de woning zelf: “De waarde voor ouderen zit niet in de vierkante meters, maar in de leefkwaliteit van de buurt”. Naarmate mensen ouder en minder mobiel worden, zijn zij meer aangewezen op sociale contacten en voorzieningen in de wijk.

Het leefklimaat in een buurt wordt voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezige sociale binding. In de dialogen viel daarbij meerdere keren de term ‘nabuurschap’. Deelnemers zien gemeenschapshuizen en buurthuizen als belangrijke fysieke schakels om de sociale binding in de buurt te versterken. Plekken als ‘Haags ontmoeten’ dragen in positieve zin bij aan het welzijn van ouderen en ze kunnen eenzaamheid onder ouderen verminderen.

De ontwikkeling en het beheer van ontmoetingsruimtes blijkt in de praktijk alleen soms lastig. Het succes van ontmoetingsruimtes valt of staat bovendien met de houding van ouderen. Het is niet vanzelfsprekend dat ouderen zelf over de drempel van de ruimte stappen. Kliekvorming kan nieuwkomers afschrikken. Ook het negatieve stigma van ontmoetingsruimtes werkt tegen.

De leefkwaliteit van buurten wordt verder bepaald door de aanwezigheid en bereikbaarheid van voorzieningen zoals een supermarkt, arts, apotheek en ov-halte. Als meerdere van deze voorzieningen niet op loopafstand zijn (dat wil zeggen: verder dan 500 meter van het huis liggen), dan is de woonomgeving vanuit functioneel oogpunt minder geschikt. In Leiden-Haaglanden zijn relatief veel ouderen goed af. Want ruim een op de twee 65-plussers (61 procent) heeft ten minste twee primaire voorzieningen op loopafstand (figuur 5). De regio scoort daarmee beduidend beter dan Nederland als geheel, want landelijk woont slechts 45 procent van alle 65-plussers in een functioneel geschikte woonomgeving. Desalniettemin zijn er ook plekken in de regio die minder goed scoren. Dit geldt in het bijzonder voor het Groene Hart: hier heeft meer dan de helft van de ouderen minder dan twee voorzieningen op loopafstand.

Figuur 5: Veel ouderen wonen in een buurt met voorzieningen

Bron: CBS

Nieuwbouw komt niet zonder slag of stoot tot stand

De bouw van woningen of woonconcepten voor ouderen kent volgens deelnemers aan de gesprekstafels een aantal belangrijke uitdagingen. Een veelgehoord geluid is dat dergelijke projecten financieel lastig rond te krijgen zijn. Het kost vaak wat meer geld om toekomstbestendige woningen te bouwen. Volgens een deelnemer vallen de bouwkosten van toekomstbestendige woningen zo’n 20.000 euro hoger uit.

Die hogere bouwkosten laten zich alleen niet zo makkelijk doorberekenen via de huurprijs of koopsom. Dat komt omdat in deze regio relatief veel ouderen wonen met weinig inkomen. De betaalbaarheid van de nieuw te bouwen huizen is daarmee een extra uitdaging. Op het moment dat die knelt, haken ouderen af. Om de betaalbaarheid te versterken, zien sommige deelnemers kansen in het feit dat nieuwe huizen energiezuinig zijn. En dat levert lagere energielasten op. Om woningbouwprojecten voor ouderen te realiseren, is volgens sommigen ook meer subsidie nodig. “Er is een enorme pot beschikbaar voor verduurzaming. Waarom komt er geen seniorenfonds voor de aankoop van gebouwen en grond?”

Een andere uitdaging is het gebrek aan geschikte locaties. Geschikte locaties zijn vooral te vinden binnen de bestaande kernen en steden, in de nabijheid van voorzieningen. Maar de ruimte daar is schaars. De uitdaging is om gebieden te vinden die nog niet optimaal worden gebruikt. Mogelijk is laaghangend fruit te vinden aan de rafelranden van wijken, of rond winkelcentra en oude kantoren. Of dergelijke locaties daadwerkelijk geschikt zijn, hangt zoals gezegd ook af van de afstand tot belangrijke voorzieningen, zoals een supermarkt en huisarts.

Bij de ontwikkeling van woonconcepten en geschikte huizen voor ouderen lijkt een zekere mate van flexibiliteit essentieel. De planontwikkeling kan zo maar vijftien jaar duren en we hebben nog geen zicht op de problemen van straks. We moeten voorkomen dat we bouwen voor het verleden en dat we steeds achter de feiten aanlopen. Flexibiliteit is ook nodig in het type huizen dat wordt gebouwd. Levensloopbestendigheid staat voorop, zodat huizen makkelijk zijn aan te passen en te splitsen (bijvoorbeeld in een benedenwoning en studio boven) als mensen andere woonbehoeften krijgen of in een andere levensfase terecht komen.

Tot slot is het belangrijk dat ouderen als ervaringsdeskundigen meer worden betrokken bij de ontwikkeling van woonconcepten en woningen. We moeten niet spreken óver ouderen, maar mét ouderen. Of zoals een deelnemer het verwoordde: “Houd één stoel vrij voor ouderen als de toekomstige bewoners. En betrek hen bij het gesprek”. Zo krijg je ook meer zicht op de behoeften van ouderen en een scherper bewustzijn dat ‘de oudere’ niet bestaat. Bepaalde groepen ouderen - denk bijvoorbeeld aan migrantenouderen - hebben mogelijk andere woonbehoeften.

Hoe stimuleren we ouderen om te verhuizen?

Ervan uitgaande dat het lukt om al die benodigde geschikte huizen bij te bouwen, hoe raken ouderen vervolgens gemotiveerd om te verhuizen naar deze woningen? Als dit lukt, sla je twee vliegen in één klap. De ouderen wonen zo toekomstbestendig en door de doorstroom komen de huizen waarin ze nu nog wonen vrij voor jongere huishoudens, waaronder starters. Dat is een groep die het volgens de deelnemers lastig heeft op de Leids-Haagse huizenmarkt.

Een van de redenen waarom ouderen soms toch in die relatief grote, minder geschikte woningen blijven wonen, is dat zij er bij een verhuizing gevoelsmatig op achteruit gaan. Verhuizen naar een kleiner huis dat ook nog duurder is, is niet zo aantrekkelijk. De uitdaging is dus om huizen te bouwen die aansluiten bij de behoeften en wensen van ouderen, maar die wel betaalbaar zijn.

Om voor ouderen de stap naar verhuizen te vergemakkelijken, wijzen sommigen op de potentie van verhuiscoaches en consulenten. Deze zijn nog relatief onbekend en mogelijk ligt hier ook een rol voor gemeenten. Ook het vroegtijdig aankondigen van toekomstig aanbod kan helpen. Verhuizen is namelijk een stap die mensen, zeker op oudere leeftijd, niet lichtzinnig nemen. Doorgaans hebben ouderen tijd nodig om na te denken over een eventuele verhuizing. Als ouderen eerder op de hoogte zijn van mogelijk aanbod, dan is de kans groter dat zij daadwerkelijk verhuizen naar geschikte huizen in geschikte buurten en naar woonconcepten die speciaal voor hen zijn ontwikkeld. Dit vraagt concreet om een andere manier van informatie-uitwisseling en interactie, waarbij ouderen ook proactief worden benaderd.

“Er zit een limiet aan de mate waarin de zorg nog kan groeien.”

Ondersteun de verschuiving van zorg en hulp naar woondomein

Het versterken van toekomstbestendig wonen vraagt nadrukkelijk ook om ondersteuning van de bestaande verschuiving van zorg en hulp naar het woondomein. Een breed gedeeld geluid is dat het huidige stelsel zijn langste tijd heeft gehad. Als we doorgaan op de manier zoals we het nu doen, dan lopen we onherroepelijk vast. Dat komt deels door de personeelstekorten in de zorg. Er zijn simpelweg te weinig handen om die groeiende groep ouderen hulp en zorg te bieden op de manier waarop dit in het verleden gebeurde. Enkele uitspraken van deelnemers:

“Er zijn te weinig zorgmedewerkers. We komen dus in een situatie dat er niet genoeg zorg is voor iedereen.”

“De manier hoe we het nu doen, kan niet. Een op de vier werkt al in de zorg.”

“Er zit een limiet aan de mate waarin de zorg nog kan groeien.”

Het stelsel moet bovendien ook betaalbaar blijven.

Om te voorkomen dat de zorg voor ouderen gaat vastlopen, kan zorgpersoneel uit het buitenland verlichting bieden. Gegeven de dubbele vergrijzing en de tekorten in de zorg lijkt het echter onvermijdelijk dat voor de zorg en ondersteuning thuis een groter beroep gedaan wordt op de familie en het eigen sociale netwerk – waaronder buren. “Er zijn niet genoeg professionals, dus we moeten het meer samen gaan doen.”

Deelnemers verwachten ook veel van technologische innovaties, zowel in huizen als in de zorg. In huizen moeten bijvoorbeeld meer domotica-toepassingen komen, zoals sensoren. Ook innovaties die zorg op afstand (e-health) mogelijk maken zijn belangrijk. Dit kan de druk op zorgpersoneel verlichten en ervoor zorgen dat minder mensen meer ouderen kunnen helpen. Een deelnemer wees ook op de potentie van zorgrobots die kunnen helpen bij het verzorgen en wassen van ouderen. De acceptatie van dergelijke innovaties vraagt wel een zekere mate van omdenken. Of, zoals een van de deelnemers zo treffend beschreef: “Er bestaan wasrobots. Een vrouw in een zorgcentrum had te maken met steeds wisselende medewerkers die haar kwamen verzorgen en wassen. Zij zei: Doe mij die robot maar”.

Anders denken én doen als professional en als burger

Het voorbeeld van de wasrobot raakt aan de derde belangrijke opgave waar de regio voor staat. Het versterken van toekomstbestendig wonen vraagt namelijk ook om een radicale verandering in de manier waarop we denken en handelen. Niet alleen als professional maar ook als burger, van jong tot oud. “Voor de oplossing van morgen moet je anders durven denken en doen.” En dat vraagt ook om opnieuw betekenis te geven aan samenwerken en samenleven.

Meer op de lijntjes kleuren

Vooropgesteld: het ging in de dialogen uiteraard over belemmerende regels, parkeernormen en bestemmingsplannen. Deelnemers wezen ook op de verkokering, de ambtelijke brij en de grote mate van overheidsregulering. Toch vraagt het versterken van toekomstbestendig wonen niet zo zeer om andere wet- en regelgeving, maar veel meer om een andere houding bij professionals.

Het is soms lastig overheden en de raad van commissarissen van bijvoorbeeld woningcorporaties mee te krijgen, en soms is er ook sprake van tegengestelde belangen. Ook ervaart men een zekere mate van starheid bij betrokkenen.

“De gemeente vraagt partijen buiten de kaders te denken, maar vervolgens krijg je te maken met ambtenaren die alleen maar binnen de kaders kunnen denken.”

“De provincie Zuid-Holland blijft in de toetsende rol hangen en dat moeten we zien te doorbreken.”

“Veel raden van commissarissen houden de bestuurder kort.”

De oproep van deelnemers is dan ook: kijk naar wat wél mogelijk is en blijf niet hangen in de gedachte dat iets niet kan. Soms tref je bestuurders, wethouders of ambtenaren die in kansen denken en die bereid zijn hun nek uit te steken. Maar dit gebeurt nog te weinig. Toekomstbestendig wonen vraagt om professionals die meer de randjes opzoeken van de mogelijkheden. “Je moet slim binnen de lijntjes kleuren, of eigenlijk op de lijntjes kleuren, zodat je geen slachtoffer wordt van het systeem.” Daarvoor is lef nodig, net als de bereidheid om risico’s te nemen.

Volgens sommige deelnemers is er ook behoefte aan andere financiële afwegingen. Sommige beoogde projecten blijven op de plank liggen, omdat gemeenten uiteindelijk voor de hoogste opbrengst gaan en niet voor de grootste maatschappelijke impact. Daarnaast vragen enkele deelnemers zich af of Rabobank niet meer kan betekenen in het verstrekken van leningen voor de bouw van geschikte woningen voor ouderen.

Samenwerken is cruciaal

Toekomstbestendig wonen is een gedeelde, maatschappelijke opgave die ons als inwoner van de regio raakt of in de toekomst gaat raken. Deze opgave vraagt dan ook om passende afstemming en interactie met betrokkenen. Het is daarnaast een opgave die vraagt om samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, zorgverzekeraars, zorgkantoren, zorgaanbieders en banken. Voor een goede samenwerking is vertrouwen in elkaar nodig. De partijen kunnen dit bewustzijn en vertrouwen versterken door verbinding te organiseren, en door met elkaar rond de tafel te zitten en oprecht naar elkaar te luisteren. Daarbij moeten ze verschillende perspectieven bij elkaar brengen vanuit het principe van gelijkwaardigheid. Zo komen ze gezamenlijk tot nieuwe oplossingen. Partijen kunnen daarbij ook van elkaar leren. “We moeten niet bang zijn om over de heg te kijken hoe de buurman het doet.” Zoals een van de deelnemers het zo mooi verwoorde: “We moeten teruggaan naar wat ons verbindt, in plaats van naar wat ons verdeelt.”

De vraag is natuurlijk hoe deze ‘marktkracht’ georganiseerd kan worden. En ook wie de kar moet trekken. Sommigen voelen voor een sturende rol vanuit de provincie of juist vanuit de Rijksoverheid, maar veel vaker wijzen deelnemers naar gemeenten. Die zouden zich ook een aanjager (moeten) voelen. Sommige deelnemers betwijfelen echter of de gemeenten wel beschikken over voldoende kennis, kunde en capaciteit.

Omarm en stimuleer nabuurschap

Toekomstbestendig wonen vraagt niet alleen inspanning van professionals maar ook van ons allemaal. Het is belangrijk dat mensen veel meer naar elkaar gaan omzien en elkaar helpen. Met de zorg voor de eigen ouders maar ook voor andere ouderen, bijvoorbeeld in de buurt. De huidige samenleving is té individualistisch en dat knelt met de opgaven van toekomstbestendig wonen.

“We moeten ervoor kiezen om het met elkaar te regelen, maar onze cultuur is er niet naar, juist door de professionalisering.”

“De gemeenschapszin moet meer worden aangewakkerd, nabuurschap moet terugkomen.”

“De wens is dat nabuurschap vanzelfsprekend wordt, waarbij jong en oud samen leven. En andere mensen de manier van wonen te gunnen die past bij hun levenscyclus.”

Een cultuur- en mentaliteitsomslag heeft natuurlijk wel wat voeten in de aarde.

Om ervoor te zorgen dat mensen minder met zichzelf bezig zijn en meer oog hebben voor de ander en het maatschappelijk belang kan omdenken helpen, net als het persoonlijk maken van de uitdaging. “Omwonenden gingen overal tegenin. Totdat iemand zei: er komen daar ook seniorenwoningen. En als jij daarnaartoe verhuist, dan komt er een huis vrij voor je nichtje die een woning zoekt.” Het is belangrijk dat er een breder besef komt dat toekomstbestendig wonen niet alleen gaat over de ouderen van vandaag maar ook die van de toekomst. Als het je is gegeven, dan behoor ook jij over een x-aantal jaar tot die groep ouderen. Dit besef kan een andere manier van denken en handelen op gang brengen.

Conclusie: drie opgaven

De regio Leiden-Haaglanden vergrijst in een rap tempo. Vooral het aantal 75-plussers neemt de komende jaren toe. Deze oude ouderen wonen vaak thuis, ook als zij minder goed ter been worden en meer behoefte krijgen aan zorg. Maar het aantal ouderen dat op enig moment zorg en ondersteuning (thuis) nodig heeft, groeit veel harder dan het aantal personen dat (professionele) zorg en ondersteuning kan bieden. De toenemende vergrijzing in combinatie met het beleid van langer zelfstandig wonen en het krakende zorgstelsel stelt de regio dan ook voor drie gedeelde uitdagingen. Het vraagt om meer geschikte woningen met woonconcepten waarbinnen nabuurschap kan floreren, het ondersteunen van de verschuiving van zorg en hulp naar het woondomein, én een andere manier van denken en doen, bij professionals én burgers. Bovenal vraagt het versterken van toekomstbestendig wonen om een andere manier van samenwerken en samenleven vanuit een holistische kijk op de maatschappij. Zo bezien gaat toekomstbestendig wonen veel verder dan alleen de woning; het vraagt iets van ons allemaal.

Bijlage: Regionale indeling Leiden-Haaglanden

Colofon

De dialogen waarop dit onderzoek stoelt, zijn georganiseerd door het Rabobank Dialoog Expertisecentrum en Rabobank Leiden-Haaglanden. De dialogen zijn begeleid en mede geanalyseerd door Barbara Broeks, René Schoone, Justine van Ostaijen en Els van Oosten.