Onderzoek
Een kwart van de werkenden gebruikt vaak nieuwe technologie (zoals GenAI)
In deze studie maken we inzichtelijk wat werkenden in Nederland ervaren en verwachten van de opkomst van nieuwe technologieën. Een kwart van de werkenden geeft aan nieuwe technologieën zoals GenAI vaak te gebruiken. Bijna een derde (29%) van de werkenden voorziet hiervan een positieve impact op hun werk, terwijl 15% een negatieve impact inschat. Van alle werkenden verwacht ongeveer één op de tien dat nieuwe technologie leidt tot inkomensverlies of dat hun beroep overbodig raakt.

In het kort
Sinds de introductie van (generatieve) kunstmatige intelligentie ((Gen)AI in het vervolg) zoals ChatGPT in 2022 staat de impact van deze nieuwe technologie op de arbeidsmarkt in de schijnwerpers. In een recente publicatie lieten we de eerste mogelijke effecten op de Nederlandse arbeidsmarkt zien: in beroepen met een hoge blootstelling aan GenAI neemt zowel het aantal vacatures als de werkgelegenheid voor starters af. Dat zou kunnen betekenen dat taken worden geautomatiseerd. Maar automatisering is slechts een van de drie manieren waarop nieuwe technologie een effect op werk en banen kan hebben. Ook productiviteitswinst kan een gevolg zijn, net als het ontstaan van nieuwe taken en banen (Acemoglu en Restrepo, 2019).
Er is nog veel onzeker rondom de gevolgen van GenAI op de arbeidsmarkt, en welke van bovengenoemde drie effecten dominant wordt. Efficiencywinst door nieuwe technologieën is dus niet één-op-één te vertalen naar de impact op arbeidsplaatsen, en concrete getallen over mogelijk banenverlies zijn niet te geven. Om daar overtuigende conclusies over te kunnen trekken, is meer tijd nodig. Wél kunnen we onderzoek doen naar de inschattingen van werkenden zelf door de temperatuur op de werkvloer te meten: in hoeverre verwachten werknemers dat nieuwe technologieën (zoals GenAI) hun taken overnemen of aanvullen? En welke impact verwachten ze dat dit heeft op hun baan? In 2023 maakten we dat op basis van een enquête inzichtelijk (Bijkerk en Hardeman, 2023); in deze studie geven we daarvan een update.
De impact van nieuwe technologieën op werk en banen hangt af van meer factoren, zoals de (bedrijfs)cultuur, bedrijfsstrategieën en het niveau van de bestaande (digitale) processen. Maar het is vooral afhankelijk van het type taken dat werkenden uitvoeren (Acemoglu en Restrepo, 2019). Economen onderscheiden daarbij doorgaans vijf verschillende typen taken:
- routinematige fysieke taken: werkzaamheden waarbij lichamelijke inspanning nodig is en waarin vaak dezelfde handelingen terugkomen (bijvoorbeeld machines bedienen en toezicht houden op processen);
- routinematige cognitieve taken: werkzaamheden die een beroep doen op het denkvermogen en waarin vaak dezelfde handelingen terugkomen (bijvoorbeeld vergaderingen inplannen en boekhouden);
- niet-routinematige fysieke taken: werkzaamheden waarbij lichamelijke inspanning nodig is en waar weinig herhaling in zit omdat zich vaak nieuwe situaties voordoen (zoals het repareren van machines en medische handelingen);
- niet-routinematige cognitieve taken: werkzaamheden die een beroep doen op het probleemoplossend vermogen en waar weinig herhaling in zit omdat zich vaak nieuwe situaties voordoen (denk aan onderzoek verrichten en het interpreteren van regels);
- niet-routinematige interactieve taken: werkzaamheden waarin contact met andere mensen noodzakelijk is en waar weinig herhaling in zit omdat zich vaak nieuwe situaties voordoen (zoals het aansturen van een team en onderwijzen of presenteren).
Met name werkenden die de eerste twee typen taken verrichten, worden waarschijnlijk geraakt door nieuwe technologieën. Bij routinematige fysieke taken gaat het bijvoorbeeld om robotisering en bij routinematige cognitieve taken spelen (Gen)AI-toepassingen een rol. Gezien de recente opkomst van (Gen)AI-toepassingen ligt daar in deze studie de nadruk op.
In Nederland bestaat 40% van de werkzaamheden uit routinematige taken
Om na te gaan welk deel van de werkzaamheden in Nederland bestaat uit fysiek en cognitief routinematige taken, hebben we de werkenden in onze enquête gevraagd om op basis van hun werkzaamheden percentages toe te wijzen aan ieder van de vijf typen. Het totaal moest optellen tot 100%. Gemiddeld genomen bestaat zo’n 40% van de werkzaamheden uit routinematige taken, waarvan 18 procentpunt uit fysiek routinematige taken en 22 procentpunt uit cognitief routinematige taken. Zoals te zien in figuur 1 kwam een vergelijkbaar beeld naar voren in 2023.
Figuur 1: Werkzaamheden bestaan voor 40% uit routinematige taken

Wanneer we deze inzichten uitsplitsen naar opleiding en inkomen zien we ook een consistent beeld in vergelijking met 2023 (zie figuur 3 en figuur 4 van die studie). Onder werkenden die theoretischer geschoold zijn en meer inkomen verdienen is het aandeel routinematige taken lager. Ook zien we dat opleiding en inkomen samenhangen met de verdeling daarvan over fysieke en cognitieve taken: naarmate werkenden theoretischer geschoold zijn en meer inkomen verdienen, is het aandeel cognitief routinematige taken juist groter.
Ook zijn er verschillen te zien tussen sectoren. Figuur 2 laat zien dat het aandeel routinematige taken het grootst is binnen de agrarische sector, de horeca en de groot- en detailhandel. Dit aandeel ligt het laagst binnen de specialistische zakelijke dienstverlening (bijvoorbeeld de accountancy en advocatuur), cultuur en recreatie en het openbaar bestuur. Als we enkel naar de cognitief routinematige taken kijken, dan zien we het grootste aandeel binnen het onroerend goed, elektriciteit, water en afval, specialistische zakelijke dienstverlening en financiële dienstverlening. In die laatste sectoren is de impact van AI daarom naar verwachting het grootst.
Figuur 2: Aandeel van routinematige taken per sector

Bijna een kwart van de werkenden maakt veel gebruik van nieuwe technologieën
We hebben ook vragen opgenomen over de mate waarin werkenden gebruik maken van nieuwe technologieën en in welke mate ze verwachten dat dit de komende jaren zal gebeuren. Ook vroegen we naar de noodzaak om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen, de gevolgen voor de invulling van hun werk (positieve en/of negatieve invloed) en naar de verwachting dat nieuwe technologie hun salaris negatief beïnvloedt of hun beroep overbodig maakt. In figuur 3 is het aandeel respondenten zichtbaar dat het eens is met de voorgelegde stelling.
Figuur 3: Van alle werkenden verwacht 11% dat hun beroep door nieuwe technologie overbodig raakt

Bijna een kwart van de werkenden gebruikt op dit moment vaak nieuwe technologie. Tegelijkertijd verwacht 32% dat nieuwe technologieën in de komende twee jaar worden geïmplementeerd. Als gevolg van de implementatie van nieuwe technologieën verwacht 36% van de werkenden nieuwe kennis en vaardigheden op te moeten doen.
Per saldo zien we dat werkenden voornamelijk een positieve impact verwachten: 29% verwacht een positieve impact; 15% een negatieve. Overigens kunnen die ook samengaan: zo’n 6% van de werkenden denkt dat nieuwe technologie zowel een duidelijk positieve als een negatieve invloed heeft op de invulling van het werk. Van alle werkenden verwacht 11% dat nieuwe technologie leidt tot inkomensverlies of dat hun beroep overbodig raakt.
Het gebruik van nieuwe technologieën in 2025 kunnen we vergelijken met 2023. In figuur 4 is per leeftijdsgroep het aandeel werkenden te zien dat aangeeft veel gebruik te maken van nieuwe technologieën. Voor alle werkenden samen (ongeacht leeftijd) zien we een duidelijke toename: van 9% frequent gebruikers in 2023 naar 24% in 2025. Hoewel de voorgelegde vraag gaat over nieuwe technologieën - die méér omvatten dan enkel de nieuwste (Gen)AI-toepassingen – is het waarschijnlijk dat GenAI de voornaamste reden is voor die toename.
Voor bijna alle leeftijdsgroepen is het aandeel frequent gebruikers van nieuwe technologieën meer dan verdubbeld, met uitzondering van de leeftijdsgroep jonger dan 25 jaar. Onder die groep was het aandeel dat nieuwe technologieën vaak gebruikt in 2023 al het hoogst (17%) en dat is toegenomen tot 30%. Daarmee heeft die groep in 2025 een gelijk aandeel frequent gebruikers als de groep 25- tot 35-jarigen. In die laatste groep is de stijging sinds 2023 met 18 procentpunt het hoogst van alle leeftijdsgroepen. Relatief gezien is de stijging onder de groep 55- tot 65-jarigen het grootst, met 3,5 keer zo veel frequent gebruikers als in 2023.
Figuur 4: Het gebruik van nieuwe technologieën (zoals AI) onder werkenden neemt toe

Uit figuur 4 komt ook duidelijk naar voren dat het gebruik samenhangt met leeftijd. We zien een afnemende trend: méér jongere werkenden gebruiken nieuwe technologieën dan oudere werkenden. In figuur 5 vergelijken we dit met het aandeel werkenden dat verwacht dat hun beroep overbodig raakt door nieuwe technologieën. Gemiddeld genomen ligt dit op 11%. Wanneer we dit koppelen aan leeftijd, zien we ook daarin een afnemende trend: het aandeel dat verwacht dat hun beroep overbodig raakt ligt hoger onder jongere werkenden dan onder oudere werkenden. In een recente publicatie laten we zien dat deze zorgen onder jongeren mogelijk niet ongegrond zijn: in beroepen met een hoge blootstelling aan GenAI neemt de werkgelegenheid voor starters sinds 2022 af.
Verder valt op dat er geen duidelijk verband is tussen het aandeel cognitief routinematige taken (de oranje lijn in figuur 5) en leeftijd. Dat impliceert dat het takenpakket van oudere werknemers niet per se minder is blootgesteld aan de impact van nieuwe technologieën dan dat van hun jongere collega’s. Desondanks gebruiken zij nieuwe technologieën beduidend minder én houdt een kleiner deel van hen er rekening mee dat hun beroep overbodig raakt. Dit kan te verklaren zijn door het verschil tussen gecodificeerde kennis en impliciete kennis (Ide, 2025). Gecodificeerde kennis leer je tijdens opleidingen of in trainingen, en is opgeschreven in documenten en handleidingen. Impliciete kennis bestaat juist uit praktische inzichten, die je met ervaring opdoet. GenAI benut gecodificeerde kennis, maar heeft geen impliciete kennis. Daarmee concurreert GenAI in theorie met name met jonge werkenden, die – net uit de schoolbanken – vooral gecodificeerde kennis hebben maar nog weinig praktijkervaring.
Figuur 5: Jongere werkenden verwachten eerder dat hun beroep overbodig zal raken dan oudere werkenden

Werkenden die nieuwe technologieën (zoals AI) vaak gebruiken verwachten een grotere impact
In 2023 lieten we zien dat werkenden die veel cognitief routinematige taken doen (meer dan 20% van alle taken) op alle voorgelegde stellingen gemiddeld een hogere score invulden. Met andere woorden: hoe relevanter nieuwe technologieën zijn voor een beroep, hoe groter de verwachte impact. Dat beeld is onveranderd in 2025.
Ditmaal onderzoeken we binnen die groep ook de samenhang met de gebruiksfrequentie van nieuwe technologie. Een hoog technologiegebruik kan aangeven dat de respondent in staat is die technologie met succes toe te passen. Werkenden die nieuwe technologieën, zoals GenAI, veel gebruiken zijn vermoedelijk productiever en kunnen daarmee het gevoel hebben dat ze zich, vergeleken met werkenden die minder vertrouwd zijn met deze toepassingen, minder zorgen hoeven te maken over salarisverlies of baanzekerheid. Op basis van een wereldwijde enquête laat PwC bijvoorbeeld zien dat werkenden die GenAI dagelijks gebruiken een positievere impact verwachten op zowel salaris als baanzekerheid.
We zien op basis van onze enquête echter wederom een versterkend effect: hoe meer AI wordt gebruikt, hoe groter de verwachte (negatieve of positieve) impact. Figuur 6 laat zien dat werkenden die vaak nieuwe technologieën gebruiken, verwachten dat dit een negatievere impact heeft op salaris en dat de kans groter is dat hun beroep overbodig raakt. Ook op de andere stellingen zijn zij uitgesprokener.
Een verklaring voor het verschil met de PwC-studie kan worden gezocht bij het framing-effect: de stellingen in onze enquête zijn negatief geformuleerd (“salarisverlies”) in plaats van positief (“salary increase”). Daarnaast vragen wij in bredere zin naar “nieuwe technologieën” in plaats van enkel GenAI. En ook de onderzoekspopulatie is anders, aangezien wij geen wereldwijde studie doen maar enkel voor Nederland.
Figuur 6: Frequente gebruikers van nieuwe technologieën verwachten een grotere impact

Werkenden in de ICT en financiële dienstverlening verwachten de grootste impact van nieuwe technologieën
Om inzicht te krijgen in hoe het gebruik van nieuwe technologieën verschilt per sector, rangschikken we in figuur 7 alle sectoren op basis van het gemiddelde percentage cognitief routinematige taken. In de specialistische zakelijke dienstverlening en financieel dienstverlenging is het aandeel cognitief routinematige taken het hoogst; in de horeca het laagst. In sectoren met een hoge score zal, naar verwachting, het gebruik het hoogst liggen.
In de figuur laten we zien hoeveel procent van alle respondenten in die sector aangeeft dat zij voor hun werk veel gebruik maken van nieuwe technologieën. We zien dat dit voor alle sectoren de afgelopen twee jaar sterk is toegenomen. In de sectoren informatie en communicatie, financiële dienstverlening en specialistische zakelijke dienstverlening is het gebruik in 2025 het hoogst. Daarbij zien we voor de specialistische zakelijke dienstverlening de grootste absolute groei (26 procentpunt) en voor de zorg de grootste relatieve groei (4,5 keer zoveel frequente gebruikers als in 2023). In de overige zakelijke dienstverlening (bijvoorbeeld schoonmakers en beveiligers) en agrarische sector is het percentage van frequente gebruikers het laagst. De mate van gebruik van nieuwe technologieën per sector ligt daarmee redelijk in lijn met de verwachting op basis van het aandeel cognitief routinematige taken.
Figuur 7: Gebruik van nieuwe technologieën per sector

De relatie tussen het gebruik van nieuwe technologieën en de verwachting dat nieuwe technologieën een beroep overbodig maken is op sectorniveau zichtbaar gemaakt in figuur 8. Daarin is uiteengezet hoe de gemiddelde score voor de desbetreffende stellingen (op een schaal van 1 tot en met 7) zich tot elkaar verhouden in 2025.
In het kwadrant rechtsboven bevinden zich de sectoren waar het gemiddeld gebruik én de verwachting dat hun beroep overbodig raakt het hoogst is. De financiële dienstverlening en informatie en communicatie vallen op met de hoogste scores. Een andere opvallende sector is de horeca, vanwege de hoge score voor de verwachting dat een beroep overbodig raakt ten opzichte van een relatief lage score voor gebruik van nieuwe technologie. Dit impliceert dat de technologie in deze sector (denk aan bestelzuilen en QR-codes) mogelijk eerder een vervanging van arbeid betekent dan een aanvulling.
Figuur 8: Samenhang tussen het gebruik van nieuwe technologie en de verwachting dat een beroep overbodig raakt, per sector

Conclusie
Veel is nog onzeker rondom de gevolgen van de nieuwste technologieën (zoals GenAI) op de arbeidsmarkt. Nieuwe technologieën kunnen de productiviteit verhogen, taken automatiseren én juist zorgen voor nieuwe taken en banen. In deze studie laten we zien welke ervaringen en verwachtingen werkenden zelf hebben.
Sinds de introductie van GenAI (zoals ChatGPT in 2022) is het gebruik van nieuwe technologieën door werkenden in Nederland duidelijk toegenomen. In 2025 maakte bijna een kwart van de werkenden vaak gebruik van nieuwe technologieën, ten opzichte van 9% in 2023.
De verwachte impact van nieuwe technologieën verschilt per sector. Met name in de financiële dienstverlening en de informatie en communicatie lijken nieuwe technologieën de grootste impact te hebben. Respondenten in die sectoren gebruiken nieuwe technologie vaker en geven relatief vaak aan dat zij verwachten dat hun beroep overbodig raakt. Binnen de overheid en het onderwijs liggen deze scores rond het gemiddelde. In de zorg, agrarische sector en handel ligt het gebruik relatief laag.
De verwachte impact van nieuwe technologieën verschilt ook per leeftijdsgroep. Jongere werkenden gebruiken nieuwe technologie vaker dan oudere werkenden, en meer jongeren houden er rekening mee dat hun beroep in de toekomst overbodig raakt. Of oudere werkenden daarmee de impact van GenAI op de arbeidsmarkt onderschatten, moet de toekomst uitwijzen.
Literatuur
Acemoglu, D., en Restrepo, P. (2019). Automation and new tasks: How technology displaces and reinstates labor. Journal of Economic Perspectives, 33(2), 3-30.
Bijkerk, S. en Hardeman, S. (2023). Werkenden in Nederland verwachten nauwelijks baanverlies door kunstmatige intelligentie (RaboResearch).
PwC (2025). Global Workforce Hopes and Fears Survey 2025; Rewiring the future of work.
Ide, E. (2025). Automation, AI, and the Intergenerational Transmission of Knowledge. arXiv preprint arXiv:2507.16078.
Appendix – Onderzoeksverantwoording
Enquêtevragen
De vragen in dit onderzoek zijn afkomstig uit de Brede-welvaartenquête van RaboResearch die jaarlijks plaatsvindt. De enquête is afgenomen in de periode mei-juni. Twee enquêtevragen hieruit staan centraal in dit onderzoek:
1. Geef op een schaal van 1 tot en met 7 voor iedere stelling aan in hoeverre deze stelling van invloed is op jouw werk (1= helemaal mee oneens, 7= helemaal mee eens). Ze gaan over het gebruik van nieuwe technologieën, zoals de nieuwste generatie kunstmatige intelligentie (denk aan ChatGPT, Copilot, Gemini, Deepseek, Claude).*
2. We zijn benieuwd naar de aard van de werkzaamheden die je voor je werk uitvoert. We maken daarbij onderscheid tussen de volgende typen werkzaamheden:
We willen je nu vragen om aan te geven welk deel van je werk bestaat uit een combinatie van deze werkzaamheden. Geef aan hoeveel procent van je werk bestaat uit de volgende werkzaamheden (optellend tot 100 procent):
* Noot: ten opzichte van eerdere versies van de enquête is de formulering gewijzigd. De zin “Ze gaan over het gebruik van nieuwe technologieën, zoals de nieuwste generatie kunstmatige intelligentie (denk aan ChatGPT, Copilot, Gemini, Deepseek, Claude)” is toegevoegd in de inleiding van de vraag bij alle stellingen. In de versies van 2023 en 2024 was deze formulering enkel te zien bij de stelling “Ik maak voor mijn werk veel gebruik van nieuwe technologieën”. Door deze wijziging in de formulering kunnen we enkel die laatste stelling (over gebruik) tussen verschillende jaren vergelijken.
Representativiteit van de enquête
Onderstaande tabel geeft de representativiteit van de enquêteresultaten weer. Achteraf heeft op basis van CBS-data een weging (“stratificatie”) plaatsgevonden ten aanzien van geslacht, leeftijdscategorie en sector. Deze weging is voor 2025 gebaseerd op CBS-data van 2024, aangezien de data over 2025 nog niet beschikbaar was op het moment van de analyse. Voor de meeste analyses is een steekproef voor 2025 van 5.287 observaties gebruikt en gewichten tussen [0,2 ; 5].
Tabel 1: Representativiteit enquêteresultaten

Tabel 2: Lineaire regressies - dummyvariabele voor hoog AI-gebruik

