Update

Inflatiemonitor 2026Q1: lagere inflatie verrast – is prijsrust eindelijk in zicht?

13 februari 2026 14:30 RaboResearch

De inflatie in Nederland is het nieuwe jaar begonnen met een duidelijke afkoeling. In januari 2026 kwam de HICP inflatie uit op 2,2%, een daling ten opzichte van 2,7% in december vorig jaar. De inflatie schuift daarmee verder in de richting van de doelstelling van de Europese Centrale Bank. Voor heel 2026 verwachten we dat de inflatie gemiddeld uitkomt op 2,2%, waarna deze naar verwachting afneemt tot 2,0% in 2027 en 1,9% in 2028. De afkoeling in januari kwam zowel door lagere diensteninflatie als door lagere voedselprijsinflatie. Alleen energie viel hoger uit, vooral door het gedeeltelijk terugdraaien van de accijnskorting per 1 januari.

Man in supermarkt met mandje en kassabon

In het kort

    De inflatie daalde in januari 2026 naar 2,2% (HICP) en beweegt daarmee verder in de richting van de ECB‑doelstelling. Vooral lagere diensten‑ en voedselinflatie drukten het totaal, terwijl energie licht opliep. Dat cijfer was lager dan verwacht. Ondanks hogere btw op logies en het gedeeltelijk terugdraaien van de accijnskorting bleven veel ondernemers terughoudend met prijsverhogingen. In meerdere goederencategorieën – zoals elektronica, meubels en huishoudelijke apparaten – liggen de prijzen lager dan een jaar eerder, mede door goedkope import en sterke internationale concurrentie. De voedselprijsinflatie koelt duidelijk af. Boodschappen waren in januari 2% duurder dan een jaar eerder, maar een nieuwe ronde prijsverhogingen bleef uit door lagere grondstofprijzen en scherpe supermarktconcurrentie. Wij verwachten voor 2026 een gemiddelde inflatie van 2,2% (HICP), dalend naar 2,0% in 2027 en 1,9% in 2028. De kerninflatie blijft die jaren hardnekkig hoog, door een aanhoudend sterke diensteninflatie. Terugblik op 25 jaar inflatie: het prijspeil is sinds 2000 met bijna 80% gestegen, vooral door hogere kosten voor wonen, energie en vrije tijd; telecom en elektronica drukten de totale inflatie juist door forse (voor kwaliteit gecorrigeerde) prijsdalingen.

Opbouw en definities in de inflatiemonitor

Nu de inflatie voor het eerst sinds jaren weer in de buurt ligt van de ECB doelstelling van 2%, wordt de directe economische impact steeds kleiner. Daarom zullen we vanaf 2026 onze inflatiemonitor in verkorte vorm naar buiten brengen, waarbij we stilstaan bij het meest recente maandelijkse inflatiecijfer, in dit geval dat van januari 2026, en onze verwachtingen voor de komende jaren. In beide onderdelen staan we kort stil bij de belangrijkste onderdelen van de inflatie:

    ontwikkeling van de energieprijzen prijsstijgingen van voedsel kerninflatie, oftewel de inflatie exclusief energie en voedsel

We sluiten deze editie af met een terugblik op 25 jaar inflatie.

De cijfers en verwachtingen in deze publicatie zijn gebaseerd op de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). In bijlage 1 presenteren we daarnaast onze ramingen voor de nationale consumentenprijsindex (CPI), die onder andere wordt gebruikt voor het indexeren van huren en pensioenen. Voor een toelichting op onze ramingsmethodiek verwijzen we naar de bijlage bij een eerdere editie van deze monitor.

Inflatiecijfer januari 2026: 2,2%

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam de inflatie in januari op basis van de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) uit op 2,2%. De consumentenprijzen lagen daarmee gemiddeld 2,2% hoger dan in januari 2025. Dat is een opvallende daling, juist omdat we eerder rekenden op een stabieler inflatiebeeld door de accijnsverhoging op brandstoffen en de hogere btw op logies, die vanaf 1 januari zijn ingegaan. Volgens de nationale consumentenprijsindex (CPI) bedroeg de inflatie in januari 2,4%, een daling ten opzichte van 2,9% in december. Het verschil met de HICP komt vooral doordat de HICP – anders dan de CPI – geen toegerekende huur voor woningeigenaren meeneemt.

Figuur 1: Inflatie (HICP) kwam in januari 2026 uit op 2,2%

Inflatie (HICP) kwam in januari 2026 uit op 2,2%
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Componenten

De daling van de inflatie in januari werd breed gedragen: goederen, diensten én voeding stegen minder hard in prijs dan een maand eerder. Dat is opvallend, omdat we juist rekening hielden met opwaartse druk door twee factoren:

    hogere brandstofprijzen doordat de eerdere accijnskorting deels is teruggedraaid, en duurdere overnachtingen door de btw-verhoging op logies van 9% naar 21% per 1 januari.

In de praktijk vielen deze prijsstijgingen echter mee. Meerdere hotels, campings en vakantieparken hebben hun prijzen in het laagseizoen nauwelijks laten oplopen – en in sommige gevallen zelfs licht verlaagd – waardoor de hogere btw in de totaalprijs in januari beperkt zichtbaar werd. Het is aannemelijk dat ondernemers de hogere kosten pas in het hoogseizoen volledig laten terugkomen in de prijzen. In die periode is de vraag sterker en is de bereidheid van consumenten om hogere prijzen te accepteren groter. Hierdoor zal het zichtbare effect van de btw‑verhoging waarschijnlijk pas in de lente en zomer van 2026 duidelijk in het inflatiecijfer naar voren komen.

Wat eruit springt, is dat goederenprijzen al maanden nauwelijks stijgen. Voor diverse categorieën – zoals elektronica, meubels en huishoudelijke apparaten – is de prijsstijging op jaarbasis klein of zelfs negatief. Bij huishoudelijke apparaten liggen de prijzen al bijna twee jaar lager dan een jaar eerder. Een mogelijke verklaring is de instroom van goedkope import, onder meer uit China, die marges en prijzen onder druk zet. Onderzoek hiernaar volgt nog, maar uit de handelscijfers blijkt wel dat Nederland sinds september 2024 structureel maandelijks voor een hoger bedrag aan huishoudelijke en elektrische apparatuur uit China binnenkrijgt dan uit EU‑lidstaten; in eerdere jaren gebeurde dat slechts af en toe. Tegelijk houdt de Europese Commissie bij welke producten worden gedumpt en welke maatregelen daarbij horen. Zo heeft zij vorige week besloten dat keramisch tafel‑ en keukengerei uit China onder een vaste anti‑dumpingheffing van 79% valt. Uit het onderzoek bleek dat China deze producten nog steeds te goedkoop verkoopt, waardoor Europese bedrijven schade lijden. De maatregel geldt vijf jaar, tenzij de Commissie tussentijds besluit dit te veranderen.

Onze boodschappen waren in januari 2% duurder dan een jaar eerder, fors lager dan de 3,1% in december. Normaal zien we in januari altijd een nieuwe ronde prijsverhogingen. Die bleven dit jaar grotendeels uit. In de eerste weken van februari zijn de prijzen eveneens nauwelijks veranderd. Belangrijkste redenen hiervoor zijn de dalende grondstofkosten en hevige supermarktconcurrentie, waarin retailers slechts beperkt hogere inkoopkosten durven door te berekenen.

Energie vormt de uitzondering: de prijzen van deze categorie lagen als enige hoger dan vorige maand. Het gedeeltelijk terugdraaien van de accijnskorting op brandstoffen per 1 januari maakte benzine en diesel duurder, ondanks dat de internationale olieprijs lager lag dan begin 2025. De energierekening voor gas en elektra was wel lager dan vorig jaar, maar onvoldoende om binnen de totale energiecomponent te resulteren in een prijsdaling.

Inflatieverwachtingen

Vooruitkijkend verwachten we dat het gemiddelde inflatiecijfer (HICP) in 2026 uitkomt op 2,2%, in 2027 op 2,0% en in 2028 op 1,9%. Zie tabel 1 voor een volledig overzicht, inclusief de componenten waaruit het zogeheten headline-cijfer is opgebouwd.

Tabel 1: Inflatievoorspelling HICP

Inflatievoorspelling HICP
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Energieprijzen

In januari viel energie als enige post iets hoger uit dan een maand eerder. Dit kwam vooral doordat de brandstofprijzen stegen nadat de eerdere accijnskorting deels was teruggedraaid. Tegelijk was de energienota lager dan een jaar eerder, zelfs met de hogere energiebelasting op gas en een lagere korting op de energierekening. Hoewel de (groothandels)gasprijs tijdelijk iets opliep in januari – zelfs even in de richting van de 40 euro per MWh – lag die nog altijd beduidend onder het niveau van een jaar eerder, toen de prijs ruimschoots boven de 50 euro uitkwam. Per saldo woog die verlichting op de energierekening niet op tegen de duurdere motorbrandstoffen, waardoor de totale energiepost in januari iets opliep.

Vooruitkijkend denken wij de groothandelsprijs voor gas (TTF) in 2026 op gemiddeld rond de 29 euro per MWh uitkomt (figuur 2). Dat zorgt voor een lagere energierekening, maar het pad blijft hobbelig: Europa heeft deze winter meer gas uit opslag gehaald dan verwacht en moet in de zomer extra inkopen, waardoor de markt gevoeliger blijft. Dit houdt aan totdat de verwachte extra LNG‑capaciteit uit onder meer de VS en Qatar de markt instroomt.

Voor olie en brandstoffen gaan wij uit van relatief stabiele olieprijzen in 2026, met een gemiddelde prijs van rond de 64 dollar per vat Brent – maar wel met het risico op tijdelijke uitschieters (figuur 3). Geopolitieke spanningen en een relatief krappe dieselmarkt (lage voorraden en stevige vraag) kunnen ervoor zorgen dat benzine‑ en dieselprijzen soms sneller bewegen dan de ruwe‑olieprijs. Dit kan af en toe kort zichtbaar zijn aan de pomp en daarmee in de energiecomponent van de inflatie, zonder dat het jaargemiddelde voor 2026 voor olie wezenlijk verandert.

Figuur 2: Na korte winterprijspiek verdere daling in gasprijs verwacht

Na korte winterprijspiek verdere daling in gasprijs verwacht
Bron: ICE, Macrobond, RaboResearch 2026

Figuur 3: De olieprijs schommelt naar verwachting rond 64 dollar per vat

De olieprijs schommelt naar verwachting rond 64 dollar per vat
Bron: ICE, Macrobond, RaboResearch 2026

Voedselprijsinflatie

Onze boodschappen werden in januari ‘slechts’ 2% duurder dan in dezelfde maand vorig jaar. Een snelle daling van het inflatieniveau van december (3,1%) was op zichzelf wel verwacht, maar normaal gesproken zien we in de eerste maanden van het jaar altijd wel wat prijsverhogingen. Die bleven dit jaar grotendeels achterwege. Ook in de eerste twee weken van februari zijn de prijzen niet of nauwelijks van hun plek gekomen. Deels is dat te relateren aan lagere grondstofkosten – zoals in de zuivelcategorieën (zie tabel 2), maar de ruimte voor eventuele prijsverhogingen wordt ook beperkt door de stevige onderlinge concurrentie tussen verschillende supermarktketens. Voor het hele jaar 2026 verwachten we een voedselprijsinflatie van rond de 2%.

Tabel 2: Prijsontwikkeling voedingsmiddelen in Nederlandse supermarkten per 30 januari 2026

Prijsontwikkeling voedingsmiddelen in Nederlandse supermarkten per 30 januari 2026
Noot: prijsontwikkeling gebaseerd op schapprijzen, dus exclusief aanbiedingen, in een beperkt aantal full-service supermarkten. Gemeten over producten die in de gehele periode beschikbaar waren. Bron: RaboResearch 2026

Kerninflatie

We verwachten dat de kerninflatie de komende jaren slechts langzaam terugloopt. De onderliggende dynamiek verschilt echter duidelijk tussen goederen en diensten. Bij goederen voorzien we een voorzichtige prijsdaling in de komende twee jaar, met -0,1% in 2026 en -0,2% in 2027, onder meer doordat de sterkere euro invoer goedkoper maakt. Daartegenover staat een hardnekkig hoge diensteninflatie, die naar verwachting – net als in 2025 – ook dit jaar stijgt met 4,0%. Vooral de loonontwikkeling veroorzaakt deze opwaartse druk: we verwachten dat de cao-lonen in 2026 stijgen met 4%, en de stijging blijft in 2027 met ruim 3% eveneens stevig. Omdat loonkosten een groot aandeel vormen in de prijszetting van dienstverlenende sectoren, vertaalt deze loonstijging zich vrijwel direct in hogere dienstenprijzen. Ook de verhoogde btw op logies zal in 2026 de diensteninflatie verhogen.

Figuur 4: Vrijwel overal kromp de bijdrage aan kerninflatie in januari ten opzichte van december, alleen voor stoffering en huishoudelijke apparaten nam de bijdrage toe

Vrijwel overal kromp de bijdrage aan kerninflatie in januari ten opzichte van december, alleen voor stoffering en huishoudelijke apparaten nam de bijdrage toe
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Een kwart eeuw inflatie: prijspeil bijna 80% hoger, vooral door wonen, energie en vrije tijd

Nu de inflatie in rustiger vaarwater terecht lijkt te komen, is het interessant om de inflatiedynamiek sinds het uitbreken van de energiecrisis in 2022 te beschouwen over een langere tijdsperiode. In deze paragraaf analyseren we daarom de ontwikkeling van de consumentenprijzen over de afgelopen 25 jaar.

In 2025 lag het gemiddelde prijspeil bijna 80% hoger dan in 2000, vooral door stijgende kosten voor wonen, energie en vrijetijdsdiensten. Daarbij is het belangrijk om op te merken dat de gemiddelde cao-loonstijging over dezelfde periode ruim 87% was.

Figuur 5: Inflatieverloop verschilt sterk per productcategorie

Inflatieverloop verschilt sterk per productcategorie
Noot: betreft seizoengecorrigeerde indices. Bron: CBS, bewerking RaboResearch 2026

Vooral tabak, gas en vliegtickets fors duurder

Sommige producten en diensten stegen echter veel harder dan het gemiddelde. Tabak, gas en vliegtickets behoren tot de grootste uitschieters: deze producten werden meer dan drie keer zo duur (zie tabel 3). Tabak spant de kroon met een prijs die in 2025 ruim vijf keer zo hoog lag als in 2000, zoals ook is af te lezen uit figuur 5.

Daartegenover staan categorieën waarin de prijzen juist sterk daalden – soms met 60% tot bijna 90%. Dit geldt vooral voor technologie en telecom: telefoonabonnementen, televisies, computers en mobiele telefoons werden aanzienlijk goedkoper.

De forse prijsdalingen bij elektronica en telecom komen enerzijds door technologische vooruitgang, schaalvoordelen en internationale concurrentie. De productie wordt efficiënter, chips worden krachtiger en goedkoper, en fabrikanten concurreren wereldwijd op prijs. Daardoor kunnen apparaten elk jaar meer voor minder geld.

Daarnaast corrigeert het CBS voor kwaliteitsverbeteringen. Een smartphone uit 2025 kan veel meer dan een mobiele telefoon uit 2000, dus wordt een deel van de hogere verkoopprijs gezien als kwaliteitswinst in plaats van pure inflatie. Het CBS doet dan een schatting: “Hoeveel zou dit nieuwe apparaat kosten als het dezelfde kwaliteit had als een oud model?” De extra functies, betere camera’s of snellere chips worden dus niet of slechts ten dele meegerekend als prijsstijging. Hierdoor lijken producten als computers, telefoons en tv’s in de inflatiestatistiek vaak sterk in prijs te dalen, ook al betalen consumenten soms evenveel of zelfs meer dan vroeger.

Tabel 3: Tabak was in 2025 ruim vijf keer zo duur als in 2000

Tabak was in 2025 ruim vijf keer zo duur als in 2000
Bron: CBS

Wonen, energie en vrije tijd leverden de grootste bijdrage

Sterke prijsstijgingen betekenen niet automatisch dat ze ook veel bijdragen aan de totale inflatie. Sommige posten hebben namelijk een zeer klein gewicht in het consumptiepakket. Zo telt de verdrievoudiging van de reparatiekosten van tv’s, radio’s en computers voor minder dan 0,1 procentpunt mee in de totale prijsstijging van 79,3% sinds 2000. Consumenten geven aan deze diensten simpelweg maar weinig uit, waardoor de impact ervan op de CPI beperkt blijft.

Kijk je naar de gehele periode 2000-2025, dan springen drie categorieën er duidelijk uit als de grootste motoren achter de totale prijsstijging: woonlasten, energie en vrije tijd (horeca, recreatie en cultuur). Samen waren deze categorieën goed voor meer dan de helft van de totale inflatiestijging over deze kwart eeuw (zie figuur 6). Alleen communicatie en audio-/videoapparatuur drukten de inflatie. Forse prijsdalingen bij smartphones, tv’s, computers en telefoonabonnementen drukten de totale inflatie over de hele periode met ongeveer 6%.

Figuur 6: Prijsstijgingen van wonen, energie en vrije tijd droegen meeste bij aan de totale inflatie tussen 2000 en 2025

Prijsstijgingen van wonen, energie en vrije tijd droegen meeste bij aan de totale inflatie tussen 2000 en 2025
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Vooral energie droeg bovengemiddeld veel bij

Geen categorie droeg meer bij aan de inflatie dan wonen. De woonkosten zorgden voor ongeveer een kwart van de totale inflatiestijging. Daarbij komt veruit het grootste deel uit huurprijsstijgingen – wat niet verrast, want huur vormt voor veel huishoudens een grote vaste last en had zowel in 2000 als in 2025 het hoogste gewicht binnen de CPI.

Een huurverhoging van 5 procent werkt daardoor veel harder door in de totale inflatie dan diezelfde 5 procent in een categorie met een klein gewicht, zoals alcohol en tabak.

De categorie horeca, recreatie en cultuur was goed voor iets minder dan een vijfde van de totale inflatie. Binnen die groep waren de bijdragen van recreatie en cultuur (zoals pakketreizen, kranten en boeken, speelgoed, bioscopen en pretparken) ongeveer even groot als die van de horeca. Vooral restaurants en cafés leverden een stevige bijdrage, wat logisch is gezien de grote kostenstijgingen waarmee deze sector in de afgelopen jaren te maken kreeg: eerst de economische schade door de coronacrisis, daarna een scherpe energieprijsschok in 2022, en tot slot sterk oplopende loonkosten.

De categorie energie droeg zo’n 14% bij aan de totale inflatie sinds 2000, vooral door de sterke stijging van de gasprijzen, naast de bijdragen van motorbrandstoffen en elektriciteit. Wat opvalt: het aandeel van energie in de totale inflatie lag ruim twee keer zo hoog als op basis van het gewicht in 2000 én 2025 zou mogen worden verwacht (zie tabel 4). Dit illustreert hoe uitzonderlijk sterk de energieprijzen zijn opgelopen.

Duurdere boodschappen verklaren ongeveer een achtste van de totale inflatie over de afgelopen kwart eeuw. Binnen de voeding waren vooral drie subcategorieën bepalend: vlees, brood en granen, en melk, kaas en eieren. Samen droegen deze categorieën voor meer dan de helft bij aan de totale voedselprijsstijging.

Tot slot valt op dat wonen, vrije tijd en energie een veel grotere rol speelden dan hun gewicht in het huishoudbudget doet vermoeden (zie tabel 4): niet alleen omdat huishoudens er veel aan uitgeven, maar vooral doordat de prijzen in deze categorieën bovengemiddeld sterk opliepen.

Tabel 4: Bijdrage aan prijsstijging in relatie tot het gewicht in een gemiddeld huishoudbudget

Bijdrage aan prijsstijging in relatie tot het gewicht in een gemiddelde huishoudbudget
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Bijlage 1: Inflatieraming CPI

Bij de officiële inflatieramingen van RaboResearch nemen we de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) als uitgangspunt. Deze maatstaf wordt in heel Europa op dezelfde manier samengesteld, waardoor de HICP bijzonder geschikt is voor internationale vergelijkingen. We publiceren daarnaast ook ramingen voor de consumentenprijsindex (CPI) (zie tabel 5), omdat deze in Nederland een grotere rol speelt in het publieke debat en wordt gebruikt bij onder meer de indexatie van huren, pensioenen en contracten.

De CPI en HICP verschillen van elkaar door de manier waarop het consumentenmandje is samengesteld. De HICP telt bijvoorbeeld ook de bestedingen van buitenlandse bezoekers in Nederland mee, terwijl de CPI juist kijkt naar de uitgaven van Nederlanders, ook wanneer deze in het buitenland worden gedaan. Daarnaast verwerkt de CPI de prijsontwikkeling van bepaalde consumptiegebonden belastingen, zoals de motorrijtuigenbelasting, terwijl deze in de HICP buiten beschouwing blijven.

Een ander wezenlijk verschil is de behandeling van het wonen. In de CPI wordt aan huiseigenaren een fictieve huurwaarde toegerekend, zodat het gebruik van de eigen woning als vorm van consumptie wordt meegenomen. Deze fictieve huur beweegt mee met de reguliere huurprijzen. Hierdoor werken huurverhogingen in de CPI ruim twee keer zo zwaar door als in de HICP, waarin dit onderdeel ontbreekt.

Tabel 5: Inflatievoorspellingen CPI

Inflatievoorspellingen CPI
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder