Opinie
Gaat het aangekondigde energie- en klimaatbeleid van Jetten-I drastisch op de schop?
De wisseling van regeringen heeft de afgelopen jaren geleid tot sterk wisselend energie- en klimaatbeleid in Nederland. De coalitie Jetten-I lijkt het beleid van de vorige regering grotendeels te willen voortzetten, maar op 28 januari van dit jaar oordeelde de rechter dat de overheid de energietransitie moet versnellen omdat ons land geen eerlijke bijdrage levert om de opwarming van de aarde te beperken. Ook moet de overheid meer doen om inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Om dit te kunnen doen, zijn ingrijpende maatregelen en veel geld nodig. Gaat het aangekondigde energie- en klimaatbeleid drastisch op de schop?

Eind 2021 publiceerde het kabinet Rutte-IV zijn coalitieakkoord. Daarin is het belangrijkste energie- en klimaatdoel voor 2030 aangescherpt en in lijn gebracht met het Europese doel; geen 49% maar netto 55% minder broeikasguitstoot ten opzichte van 1990. Dit doel is vervolgens ook vastgelegd in de Nederlandse Klimaatwet. “Klimaatdrammer” Rob Jetten mocht er als minister voor Klimaat en Energie voor gaan zorgen dat Nederland dit doel zou halen. Er werd een klimaatfonds opgericht, met de warmtepompsector afgesproken dat hybride warmtepompen vanaf 2026 de norm worden, een nationale CO2-heffing voor de industrie aangekondigd, veel geld uitgetrokken voor verduurzaming van de industrie, mobiliteit en woningen en de plannen voor grootschalige windparken op zee werden uitgebreid. Dit beleid leidde er mede toe dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van 2023 voor het eerst concludeerde dat Nederland op koers lag om het 2030-doel te behalen, als alles meezat. Het halverwege 2024 aangetreden kabinet Schoof-I draaide echter veel van het Rutte-IV-beleid terug zonder met alternatieven te komen, waardoor het PBL in de KEV van zowel 2024 als 2025 aangaf dat de kans minder dan 5% was geworden om het 55%-reductiedoel te behalen.
De onlangs aangetreden nieuwe regering lijkt dit beleid grotendeels te willen voortzetten. In het coalitieakkoord wordt duidelijk dat men net als Schoof-I inzet op vier nieuwe kerncentrales en op afschaffing van de onder Rutte-IV aangekondigde nationale CO2-heffing voor de industrie. Ook wil de coalitie blijven inzetten op maatwerkafspraken met de industrie, die tot op heden weinig hebben opgeleverd. Er komt “prioriteit” voor de verduurzaming van woningen, maar geen extra geld om dit te realiseren. Ook wil de coalitie “vol inzetten op warmtenetten” maar ook daar wordt geen extra geld voor uitgetrokken, waardoor het de vraag is of de overheid de zeer stroef lopende aanleg van nieuwe warmtenetten in bestaande woonwijken kan versnellen. Op het gebied van waterstof en CO2-opslag verandert er waarschijnlijk ook weinig.
Wat wel verandert, is dat de door Schoof-I afgeschafte norm voor hybride warmtepompen weer terugkomt. Ook trekt het nieuwe kabinet tot en met 2030 ruim drie miljard euro uit ter compensatie van de elektriciteitsrekening van de industrie die ten opzichte van andere Europese landen relatief hoog is. Daarnaast komt er tot en met 2030 acht miljoen euro voor nieuwe openstellingsrondes van de SDE++ (een subsidiemaatregel voor CO2-reductie, bijvoorbeeld via de opwekking van hernieuwbare energie) en 381 miljoen euro voor een nieuwe subsidiemaatregel (Contracts for Difference) om de ontwikkeling van wind op zee te stimuleren. De totale hoeveelheid geld die deze coalitie daarmee extra uittrekt voor energie- en klimaatbeleid staat met ruim 3,5 miljard euro echter niet in verhouding tot de 28 miljard euro die tijdens Rutte-IV beschikbaar was.
Daarmee lijkt de kans erg klein dat Jetten-I met de huidige plannen het 2030-doel gaat halen. Dat beseft de regering zelf ook, want in het coalitieakkoord staat: “Het klimaatdoel van 2030 wordt lastig”. Nu kun je zeggen: het is aan de politiek om te kiezen waar ze wel en waar ze niet op wil inzetten. Daar is de rechter het echter niet mee eens. Op 28 januari van dit jaar oordeelde die namelijk dat Nederland geen eerlijke bijdrage levert aan het beperken van de opwarming van de aarde. Daarom moet de Nederlandse overheid onder meer binnen achttien maanden een juridisch bindend emissiereductiedoel voor 2030 vastleggen.[1] Het huidige 55%-reductiedoel is een streefdoel, geen bindend doel. Omdat het vast te stellen bindende doel in lijn moet zijn met het Parijs-akkoord, zal dat doel op z’n minst 55% en mogelijk zelfs hoger moeten zijn.
Hiermee ontstaat de vraag of de huidige coalitie alles op alles wil zetten om dat doel te behalen. Zo ja, dan zullen er vergaande maatregelen moeten worden genomen om de komende jaren grote stappen te zetten op het gebied van emissiereductie: strengere normen, fossiele brandstoffen zwaarder belasten, meer subsidie voor hernieuwbare energie en energiebesparing et cetera. Zo nee, dan kiest de Staat er bewust voor om mensenrechten te schenden. Het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens ligt immers ten grondslag aan de uitspraak van de rechter.[2]
Deze onduidelijke situatie over het toekomstige energie- en klimaatbeleid levert onzekerheid op. Waarom zou je als huishouden of bedrijf op korte termijn investeren in energiebesparing en verduurzaming, als de overheid de komende anderhalf jaar haar beleid mogelijk drastisch wijzigt en bijvoorbeeld veel meer geld uittrekt voor subsidies? En wat gebeurt er als Nederland niet voldoet aan de uitspraak van de rechter? Het vonnis beschrijft geen specifieke afdwingmiddelen omdat de rechter ervan uitgaat dat de Staat rechterlijke uitspraken volgt. Als de Staat dat niét doet, kunnen eisers de rechter vragen om dwangsommen op te leggen of handhaving af te dwingen, bijvoorbeeld door executiemaatregelen op te leggen. Dit zou tot vele rechtszaken kunnen leiden en tot situaties waarin bepaalde spelregels voor burgers en bedrijven plotseling veranderen. Een soort stikstof-scenario. Het is daarom te hopen dat de net aangetreden regering Jetten-I snel met duidelijkheid komt over hoe ze met de uitspraak van de rechter om wil gaan.
Deze column is eerder gepubliceerd bij Energiepodium.
[1] Ook moet de Staat in 2030 een uitgewerkt plan hebben en invoeren om Bonaire weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
[2] Volgens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een lidstaat van de Europese Unie verplicht om passende maatregelen te treffen tegen klimaatverandering als bepaalde concrete risico’s bestaan voor het leven en welzijn van zijn ingezetenen en de staat van die risico’s op de hoogte is.
Deze column is eerder verschenen op Energiepodium.nl.
