Onderzoek
Toekomstbestendige warmte(-koude)netten in Nederland – deel 5: de glastuinbouw als potentiële startmotor voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving
Warmte(-koude)netten gaan een grotere rol spelen in de gebouwde omgeving en de glastuinbouw. Nieuwe netten moeten worden aangelegd en bestaande verduurzaamd. In dit vijfde en laatste artikel uit een serie over warmte(-koude)netten gaan we in op de voor- en nadelen van gecombineerde warmte(-koude)netten: netten voor de gebouwde omgeving én de glastuinbouw. Kan de glastuinbouw de startmotor zijn voor de verduurzaming van de bestaande gebouwde omgeving?

In het kort
De verduurzamingsopgave van de glastuinbouw
Om de klimaatdoelen te behalen en de afhankelijkheid van het buitenland voor de energievoorziening te verkleinen, moet Nederland het gebruik van fossiele energiebronnen sterk verminderen. Zo moet de gebouwde omgeving in 2050 aardgasvrij zijn en heeft de glastuinbouwsector in het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022-2030 de ambitie uitgesproken om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Het convenant werkt met een wortel en een stok. Zo zijn er stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming overeengekomen, maar is ook afgesproken om de verlaagde energiebelastingtarieven voor aardgas in de glastuinbouw af te schaffen. Hierdoor stijgen de kosten van het gebruik van aardgas voor tuinders aanzienlijk. Daarnaast gaat de glastuinbouw waarschijnlijk onder het nieuwe emissiehandelssysteem ETS2 vallen, waardoor er extra kosten komen voor de uitstoot van broeikasgassen.
Nederland heeft ongeveer 10.000 hectare aan glastuinbouwareaal,[1] met een totale warmtevraag van ongeveer 75 PJ. Dit is aanzienlijk, wetende dat de warmtevraag van de gebouwde omgeving ongeveer 400 PJ bedraagt. De warmtevraag van de glastuinbouw wordt nu nog voornamelijk ingevuld met niet-hernieuwbare energie uit aardgasgestookte warmtekrachtkoppelingen (WKK’s), aardgasketels en ingekochte warmte van derden. In 2024 werd bijna 13 PJ[2] aan hernieuwbare warmte verbruikt, oftewel ongeveer 17% van de warmtevraag, zie figuur 1. Van de verbruikte hernieuwbare warmte was ruim de helft afkomstig van geothermie, bijna 40% van biobrandstoffen[3] en 6% van zonthermie.[4]
[1] Bron: Compendium voor de leefomgeving (2025). Land- en tuinbouw: ruimtelijke spreiding, grondgebruik en aantal bedrijven, 1980-2024 | Compendium voor de Leefomgeving.
[2] Bron: Wageningen University & Research (2025). Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2025. (De exact genoemde hoeveelheid is 12,7 PJ.)
[3] Dit betreft met name resthout uit de houtverwerkende industrie, snoeihout uit groenbeheer en in mindere mate biogas. Bron: Wageningen University & Research (2025). Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2025.
[4] Bron: Wageningen University & Research (2025). Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2025.
Figuur 1: Totale warmtevraag glastuinbouw uitgesplitst naar energiebron: niet-hernieuwbaar verreweg grootste bron

De exacte koudevraag van de glastuinbouw is onbekend, maar erg laag vergeleken met de warmtevraag. Koude wordt gebruikt voor het ontvochtigen van kassen en daarnaast worden sommige specifieke teelten zoals sla en aardbei gekoeld opgeslagen (bij temperaturen van een paar graden Celsius boven nul). Verder hebben bijvoorbeeld fresia’s en amaryllissen wortelkoeling nodig, maar het aantal hectare van deze teelten is in Nederland zeer beperkt.
De rol van warmte(-koude)netten in de glastuinbouw
Net als de gebouwde omgeving heeft de glastuinbouw grofweg drie alternatieven voor aardgas, namelijk groen gas,[5] elektriciteit en hernieuwbare warmte. Omdat tuinders een deel van de CO2 die vrijkomt bij het verbranden van aardgas gebruiken voor het bevorderen van het groeiproces in de kassen moet bij overschakeling naar elektriciteit of hernieuwbare warmte vaak extern CO2 worden ingekocht.[6]
Naar schatting bevindt ongeveer 80%[7] van het Nederlandse glastuinbouwareaal zich in een cluster.[8][9] De gemiddelde warmtevraag bedroeg in 2024 ongeveer 200 kWh/m2.[10] Deze vraag verschilt wel sterk per teelt; zo ligt die bij glasgroenten rond de 350 kWh/m2 en bij bijvoorbeeld bloemzaden op minder dan 100 kWh/m2. Maar zelfs dat laatste is nog steeds meer dan de warmtevraag van een gemiddelde Nederlandse woning, die ongeveer 85 kWh/m2 betreft.[11] Door de relatief hoge warmtevraag van de glastuinbouw en de grotendeels geclusterde ligging van het areaal zijn warmte(-koude)netten een interessant alternatief voor aardgas. Een aantal clusters beschikt al over één of meer warmtenetten die hoofdzakelijk of alleen maar leveren aan glastuinders, zoals het Westland, Agriport A7 Middenmeer, Bergerden/NEXTgarden Lingewaard, Het Grootslag (Medemblik) en Plukmadese Polder. Maar het grootste deel van de glastuinders in Nederland verbruikt nog hoofdzakelijk aardgas en moet de komende jaren keuzes maken over hoe zij hun aardgasverbruik gaan afbouwen. De eerder genoemde afspraken uit het Convenant zijn hierbij een belangrijke stok achter de deur.
[5] In theorie is ook groene of blauwe waterstof een optie, maar dat lijkt geen realistische optie vanwege de zeer beperkte beschikbaarheid en de hoge kosten.
[6] Naast de inkoop van CO2 zou ook Direct Air Capture (DAC) een manier kunnen zijn voor tuinders om aan extra CO2 te komen, maar deze technologie wordt nog niet grootschalig commercieel toegepast.
[7] Bron: Glastuinbouw Nederland (2023). Visie klimaatneutrale glastuinbouw 2040.
[8] En dat percentage gaat waarschijnlijk toenemen, omdat de overheid in de Ontwerpnota Ruimte inzet op meer clustering.
[9] Doorgaans wordt hierbij de grens van minstens 80 hectare aangehouden.
[10] Bron: Wageningen University & Research (2025). Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2025.
[11] Uitgaande van een gemiddeld aardgasverbruik van 1.040 m3 en een gemiddeld woningoppervlak van 120 m2.
Voor- en nadelen van gecombineerde warmte(-koude)netten
Voor veel glastuinbouwclusters zijn warmte(-koude)netten dus een interessant alternatief voor aardgas. Dat kan kansen opleveren voor omliggende buurten, want gecombineerde netten die leveren aan zowel de glastuinbouw als de gebouwde omgeving hebben een aantal voordelen ten opzichte van netten die alleen leveren aan de gebouwde omgeving, zie figuur 2. Daar staan echter ook nadelen tegenover, zie figuur 3.
Voordelen van gecombineerde warmte(-koude)netten
Figuur 2: Voordelen van gecombineerde warmte(-koude)netten voor de gebouwde omgeving

Flexibelere warmtevraag
Zoals uitgebreid toegelicht in artikelen één en drie uit deze serie is het een uitdaging om vraag en aanbod van warmte (en koude) goed te balanceren, omdat het vraagprofiel van warmte niet overeenkomt met het aanbodprofiel van hernieuwbare bronnen. De warmtevraag van tuinders is echter veel flexibeler dan die van de gebouwde omgeving. Zo zijn tuinders eerder bereid om de temperatuur in hun kassen tijdelijk iets te verlagen bij een grote vraag naar warmte (bijvoorbeeld op een koude winterdag) dan de meeste huishoudens en hebben zij vaak al warmtebuffers op hun bedrijven staan die kunnen worden gebruikt voor egalisering van de warmtevraag van het net. Daarnaast kunnen veel tuinders zelf warmte produceren met een WKK, gasketel en/of warmtepomp als aanvulling op of als back-up voor het gebruik van de warmte van het warmte(-koude)net.
Dit alles geeft hun extra flexibiliteit, wat niet alleen helpt bij het balanceren van vraag en aanbod van warmte, maar nog meer voordelen heeft zoals een optimaler gedimensioneerd warmte(-koude)systeem, minder slijtage, lagere operationele kosten door minder inzet van piekinstallaties, lagere broeikasgasemissies, betere benutting van hernieuwbare energiebronnen, lagere kosten voor het gebruik van het elektriciteitsnet, snellere aansluiting op het elektriciteitsnet in het geval van congestie en aan een lagere belasting van het elektriciteitsnet. Deze voordelen zijn in artikel vier uit deze serie uitgebreid toegelicht. Onderstaand kader legt uit waarom flexibiliteit voor tuinders zo belangrijk is en hoe hun flexibiliteit zo goed mogelijk kan worden benut.
Box 1: De noodzaak van een flexibele warmtevraag voor tuinders
Huishoudens en andere klanten die zijn aangesloten op een warmte(-koude)net mogen zelf bepalen hoeveel warmte ze afnemen en wanneer. Bijvoorbeeld veel in de ochtend en de avond en minder in de middag en ‘s nachts. Het warmtebedrijf moet er vervolgens voor zorgen dat het aanbod van warmte overeenkomt met de vraag van de klanten. Voor tuinders werkt het anders. Zij spreken met het warmtebedrijf een vaste warmtevraag af, die het hele jaar door geldt. Doorgaans wordt dit vastgelegd in een contract met een looptijd van tien tot vijftien jaar. Vervolgens moeten de tuinders er zelf voor zorgen dat ze extra warmte kunnen produceren als het bijvoorbeeld erg koud is en de kassen meer warmte nodig hebben dan dat ze geleverd krijgen via het warmte(-koude)net. Of dat ze warmte kunnen opslaan als ze meer warmte geleverd krijgen dan ze op dat moment nodig hebben. Daarbij moeten ze de juiste balans vinden tussen een vaste warmtevraag via het net en de extra installaties die ze zelf nodig hebben om warmte te produceren en op te slaan. De totale kosten zijn een belangrijke parameter om op te optimaliseren.
Voor het totale systeem zou het echter gunstig zijn als er niet per klant, maar per warmte(-koude)systeem wordt geoptimaliseerd. Om dat te kunnen doen, is onderlinge handel van warmte nodig. Sommige warmtebedrijven werken daarom met een handelsplatform waarop tuinders (een deel van) hun ingekochte warmte onderling kunnen verhandelen. Zo ligt tomatenkas A bijvoorbeeld wekenlang stil door een teeltwissel terwijl de komkommerkas B best extra hernieuwbare warmte wil benutten in plaats van aardgas. Door onderling warmte te verhandelen, kan het warmte(-koude)systeem een stabiele hoeveelheid warmte blijven leveren en hoeft er waarschijnlijk minder warmte te worden geproduceerd met gasgestookte piekinstallaties. Dit zorgt voor een efficiëntere inzet van de bronnen van het warmte(-koude)net, lagere totale kosten en minder CO2-uitstoot. Om nóg beter te optimaliseren, is niet alleen handel maar ook de juiste prijsprikkel nodig. Warmte Netwerk Westland (WNW) werkt daarom op hun handelsplatform met een merit order. Een merit order is een rangschikking op basis van marginale kosten voor de levering van – in dit geval – één extra hoeveelheid warmte. Het werken met een merit order zorgt ervoor dat de goedkoopste aanbieders als eerste worden ingezet.
Minder ruimtebeslag gebouwde omgeving
De flexibele warmtevraag van de glastuinbouw kan ertoe leiden dat er minder aanvullende warmte(-koude)opslaginstallaties nodig zijn om de piekvraag naar warmte van de gebouwde omgeving af te dekken. Aangezien ruimtebeslag één van de belangrijkste barrières is bij het ontwikkelen van warmte(-koude)opslag, is het een groot voordeel als de gebouwde omgeving kan meeliften op de buffers en piekinstallaties die al aanwezig zijn in de glastuinbouw. Dit voordeel wordt versterkt wanneer tuinders ook warmte kunnen leveren aan het net. In dat geval kunnen hun piek- en back-upinstallaties niet alleen worden gebruikt voor hun eigen warmtevraag, maar mogelijk ook deels voor de piekvraag naar warmte van de gebouwde omgeving. Dit scheelt extra piekinstallaties in de gebouwde omgeving.
Betere uitkoeling van geleverde warmte
Glastuinders zijn veel beter in het goed uitkoelen van de geleverde warmte (oftewel het verlagen van de retourtemperatuur) dan huishoudens. Dat komt onder meer doordat tuinders goed ontworpen en goed ingeregelde warmteafgiftesystemen hebben, hun warmtevraag kunnen uitmiddelen met behulp van hun eigen buffers en hun warmteverbruik continu monitoren. Het verlagen van de temperatuur van de geretourneerde warmte levert veel voordelen op voor een warmte(-koude)systeem. Zo verhoogt dit het rendement van de warmtebronnen omdat zij hun warmte beter kunnen afgeven aan water van een lagere temperatuur. Ook zijn lagetemperatuurbronnen hierdoor beter te benutten. Daarnaast werkt het systeem efficiënter bij een groter verschil tussen de afgeleverde temperatuur en de teruggeleverde temperatuur, omdat er dan met de levering van dezelfde hoeveelheid water (m3) meer warmte is afgeleverd (MJ). Daardoor is minder pompenergie nodig en volstaan vaak ook dunnere leidingen. Ook zijn de warmteverliezen minder. Dit alles leidt tot lagere kosten en minder CO2-uitstoot.
Kleiner vollooprisico
De aanleg van een nieuw warmte(-koude)net kent hoge investeringskosten. Hetzelfde geldt voor langetermijnopslagsystemen en bepaalde hernieuwbare bronnen, zoals geothermie. Deze hoge investeringskosten moeten worden terugverdiend met de levering van warmte. Een van de belangrijkste risico’s bij de ontwikkeling van dergelijke projecten is daarom het zogenaamde vollooprisico. Dit is het risico dat het aantal aangeslotenen en de vraag naar warmte achterblijven bij de verwachting op het moment dat het investeringsbesluit wordt genomen. Het aansluiten van tuinders met een aanzienlijke en vooraf vastgelegde warmtevraag verkleint het vollooprisico. Een lager risico leidt tot lagere kosten om het risico af te dekken en daardoor tot een betere businesscase. Dit kan de doorslag geven om daadwerkelijk met het project aan de slag te gaan.
Nadelen van gecombineerde warmte(-koude)netten
Figuur 3: Nadelen van gecombineerde warmte(-koude)netten

Afhankelijkheid van flexibiliteit glastuinders
De flexibiliteit die glastuinders bieden, levert veel voordelen op voor een warmte(-koude)systeem, maar kan problemen opleveren als die plotseling wegvalt, bijvoorbeeld als de tuinder van teelt wijzigt, stopt met de bedrijfsvoering of failliet gaat. In dat geval zal het warmtebedrijf zelf voor meer flexibiliteit moeten zorgen, bijvoorbeeld door piek- en back-upinstallaties meer in te zetten (of door een gebruiksrecht op de warmtebuffer van de tuinder). Hier zijn wel extra kosten aan verbonden.[12] In een extreme situatie zou zelfs een leveringszekerheidsprobleem kunnen ontstaan, als er te weinig mogelijkheden zijn om buiten de tuinder om warmte op te slaan en piekvermogen te leveren. Bij grote netten met meerdere tuinders is dit risico aanzienlijk kleiner dan bij kleinere netten, tenzij er problemen ontstaan voor de hele glastuinbouwsector.
Verslechterde businesscase bij wegvallen warmtevraag glastuinbouw
Zoals genoemd leidt het aansluiten van tuinders met een aanzienlijke warmtevraag tot een lager vollooprisico en doorgaans ook tot een betere businesscase van het warmte(-koude)systeem. De keerzijde is dat de businesscase waarschijnlijk aanzienlijk verslechtert als de warmtevraag van de gecontracteerde tuinders (deels) wegvalt. Gedurende de looptijd van het contract dat tuinders met het warmtebedrijf hebben, zal het lastig zijn om het af te nemen vermogen te verlagen, maar tuinders zouden na afloop van hun contract wel degelijk kunnen kiezen voor een lager af te nemen vermogen, bijvoorbeeld omdat ze overstappen op een minder warmte-intensieve teelt of omdat ze andere maatregelen hebben genomen om hun warmtebehoefte te verlagen. Ook zouden ze ervoor kunnen kiezen om helemaal buiten het warmte(-koude)net om in hun eigen warmtebehoefte te voorzien. Dit zou tot extra kosten kunnen leiden voor de aangeslotenen van het warmte(-koude)net in de gebouwde omgeving.
Gecombineerde netten lastiger voor projectfinanciering
Er zijn grofweg twee manieren om warmte(-koude)netten te financieren, namelijk via de balans van een (voldoende kredietwaardig) warmtebedrijf of als los project. Het optuigen van projectfinanciering voor netten die enkel leveren aan glastuinders en andere bedrijven komt met enige regelmaat voor. In dergelijke financieringsovereenkomsten is vaak een verbod op levering aan kleinverbruikers (zoals huishoudens) opgenomen. Vanwege consumentenbescherming is namelijk sprake van stringente wet- en regelgeving voor levering aan kleinverbruikers, zoals een wettelijk prijsplafond, financiële compensatieverplichtingen voor niet-levering en veel hogere administratieve verplichtingen. Dit alles leidt tot meer risico’s voor het warmteproject waardoor het veel complexer is om projectfinanciering toe te passen. Een mogelijke oplossingsrichting is om het project en de financiering op te splitsen. Het gedeelte dat levert aan kleinverbruikers wordt dan in een apart vennootschap ondergebracht, zodat op het gedeelte dat levert aan tuinders projectfinanciering kan worden toegepast. Als men dit niet wil en toch liever voor het volledige project in aanmerking wil komen voor projectfinanciering, zullen financiers hoge eisen stellen aan de uitvoerders van het project. Daarbij is het met name de vraag in welke mate ze in staat zijn om de genoemde risico’s te beheersen.
Meer partijen maakt realisatie project tijdrovender
Een ander nadeel van een gecombineerd warmte(-koude)net is dat er meer verschillende partijen bij betrokken zijn, met allen hun eigen belang. Daardoor duur het vaak langer om een nieuw project te realiseren.
[12] Ook aan de flexibiliteit die tuinders leveren zijn kosten verbonden, maar als het warmtebedrijf ervoor kiest om die flexibiliteit in te kopen, dan liggen die kosten waarschijnlijk lager dan die van eigen piek- en back-upinstallaties.
Kan buurt meeliften op warmte(-koude)net van nabijgelegen glastuinbouwcluster?
Gemeenten hebben de regie over het verduurzamen en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Zij moeten uiterlijk eind 2027[13] een warmteprogramma vaststellen, waarin ze beschrijven welke buurten de komende tien jaar van het aardgas gaan en hoe dat gebeurt, bijvoorbeeld met warmte(-koude)netten, warmtepompen of een alternatief gas. Om hen hierbij te ondersteunen, heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de Startanalyse per buurt berekend welk alternatief voor aardgas de laagste nationale kosten heeft. Hierbij worden vier alternatieven (strategieën) bekeken, zoals te zien is in tabel 1. In deze tabel hebben we de buurten met minder dan 500 woningequivalenten[14] (WEQ) buiten beschouwing gelaten.[15]
[13] In artikel 1 staat nog de deadline van eind 2026 benoemd. Ondertussen is dit veranderd naar 2027.
[14] De warmtevraag van een gemiddelde woning.
[15] Er is voor gekozen om buurten met minder dan 500 WEQ niet mee te nemen, omdat enige schaal en concentratie nodig zijn voor de aanleg van een warmte(-koude)net.
Tabel 1: Overzicht resultaten Startanalyse voor buurten ≥ 500 WEQ

In de Startanalyse wordt (de warmtevraag van) de glastuinbouw buiten beschouwing gelaten. Uit een analyse van RaboResearch blijkt echter dat 1.271 van de 4.868 buurten die volgens het PBL niet op een MT-/HT- warmtenet uitkomen (S1, S3 en S4), binnen vijf kilometer[16] van een glastuinbouwgebied liggen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Erica, Nieuw-Amsterdam, Klazienaveen en verschillende buurten in Emmen, zie figuur 4. Van die 1.271 buurten liggen er 629 zelfs binnen twee kilometer van een glastuinbouwcluster. Mogelijk is een MT-/HT-warmtenet voor deze buurten toch interessanter/goedkoper vanwege de nabijheid van een glastuinbouwcluster. RaboResearch heeft echter niet gerekend aan nationale kosten en ook niet gekeken welke hernieuwbare bronnen al dan niet beschikbaar zijn in alle buurten. Uit onze analyse kan dus niet de conclusie worden getrokken dat een MT-/HT-warmtenet voor de genoemde buurten per definitie de beste optie is, maar het is wel een indicatie dat er mogelijk synergievoordelen te behalen zijn met het verduurzamen van het naburige glastuinbouwgebied door een MT-/HT-warmtenet.[17]
[16] Hoe kleiner de afstand tussen een glastuinbouwgebied en buurten uit de gebouwde omgeving, hoe groter de kans dat een gezamenlijk warmte(-koude)net interessant is. De aanleg van een warmte(-koude)net is namelijk kostbaar en de warmteverliezen nemen toe met de afstand. De grenzen van vijf en twee kilometer zijn in deze analyse willekeurig gekozen.
[17] (Z)LT-netten kunnen voor de glastuinbouw ook een interessante optie zijn om aardgasvrij te worden, maar omdat het PBL geen alternatief heeft doorgerekend waarbij de hele buurt overschakelt op een (Z)LT-net, hebben we niet gekeken welke buurten met minimaal 500 WEQ binnen vijf kilometer van een glastuinbouwgebied liggen.
Figuur 4: Voorbeeld van buurten ≥ 500 WEQ binnen 5 km van een glastuinbouwgebied in (de omgeving van) Emmen

Als het verschil in nationale kosten tussen de goedkoopste optie en de op-één-na goedkoopste optie minder dan 20% is, dan noemt het PBL de uitkomst niet robuust. Van de 1.671 buurten met 500 WEQ of meer die volgens het PBL uitkomen op een MT-/HT-warmtenet (S2), is bij 1.202 buurten de uitkomst niet robuust. Van die niet-robuuste buurten liggen er 281 binnen vijf kilometer van een glastuinbouwgebied, zoals de twee blauw gekleurde buurten in Arnhem in figuur 5; 93 van die buurten liggen zelfs binnen 2 kilometer van een glastuinbouwgebied. Ook voor deze buurten is het mogelijk extra interessant om gezamenlijke verduurzaming door een MT-/HT-warmtenet met het naastgelegen glastuinbouwcluster te onderzoeken.
Figuur 5: Voorbeeld buurten ≥ 500 WEQ met een niet-robuuste uitkomst voor een MT-/HT-warmtenet binnen 5 km van een glastuinbouwgebied in Arnhem

Glastuinbouw potentiële startmotor voor verduurzaming gebouwde omgeving?
Zowel de gebouwde omgeving als de glastuinbouw moeten klimaatneutraal worden. Die laatste sector heeft in een vrijwillig convenant toegezegd dit al in 2040 te willen bereiken. Veel glastuinders zijn daarom actief aan het nadenken over de verduurzaming van hun warmtevoorziening. Gezien hun relatief hoge warmtevraag en de vaak geclusterde ligging zijn warmte(-koude)netten in veel gevallen een interessante optie. Dit kan kansen bieden voor omliggende buurten, die mogelijk kunnen meeliften op een dergelijk net. Het is voor gemeenten – die uiterlijk volgend jaar hun Warmteprogramma’s moeten vaststellen – daarom wellicht interessant om bij de verduurzamingsopgave van de gebouwde omgeving rekening te houden met de plannen van eventueel aanwezige glastuinbouwclusters. Daarbij is het goed om te weten dat de Startanalyse van het PBL geen rekening houdt met (de warmtevraag van) de glastuinbouw, terwijl uit de analyse van RaboResearch blijkt dat honderden buurten binnen twee kilometer van een glastuinbouwcluster liggen. Dit kan synergievoordelen opleveren. Naast een aantal nadelen zitten er namelijk ook voordelen aan gecombineerde warmte(-koude)netten die zowel leveren aan de glastuinbouw als aan de gebouwde omgeving.
Zoals toegelicht in artikel 1 uit deze serie, is er echter nog een aantal grote barrières die de succesvolle ontwikkeling van nieuwe warmte(-koude)netten in de gebouwde omgeving belemmeren. Dit betreft met name de relatief hoge warmtetarieven die ervoor zorgen dat bewoners er financieel lang niet altijd op vooruit gaan als ze overstappen van aardgas op warmte. Hierdoor is het lastig om hen over te halen zich aan te laten sluiten. Daarnaast staan de investeerbaarheid en betaalbaarheid van warmte(-koude)netten onder druk door (de onduidelijkheid over) de route naar een publiek meerderheidsbelang in warmtebedrijven en economische ontwikkelingen. Daar komt bij dat beter geïsoleerde panden minder warmte nodig hebben, waardoor warmtebedrijven de hoge investeringskosten minder snel kunnen terugverdienen met de verkoop van warmte. Ook de congestieproblemen op het elektriciteitsnet vormen een barrière, die steeds relevanter wordt aangezien de ontwikkeling van hernieuwbare warmtebronnen doorgaans gepaard gaat met een grotere elektriciteitsvraag. Een deel van deze barrières – met name de hoge investeringskosten – zijn ook een barrière voor nieuwe warmte(-koude)netten in de glastuinbouw.
Als deze barrières kunnen worden opgelost, kan de glastuinbouw dienen als startmotor voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving door warmte(-koude)netten.
Met dank aan
Elmasije Kurul en Evelien Brederode – Capturam
Alexander Formsma en Hans van den Berg – Glastuinbouw Nederland
Robert Crabbendam - HVC

