Onderzoek

Van kennis naar waarde: het valorisatie-vermogen van Nederlandse UMC’s

9 april 2026 16:00 RaboResearch

Het rapport Wennink benadrukt dat universiteiten en UMC's wetenschappelijke kennis beter moeten valoriseren zodat publieke R&D-investeringen meer maatschappelijke waarde opleveren. Terwijl de wetenschappelijke output sinds 2019 groeit, nemen patenten en spin-offs licht af. Belangrijke belemmeringen zijn academisch risico, gebrek aan vroege financiering en mobiliteit van wetenschappers; ook winstdeling, faciliteiten en erkenning van valorisatieprestaties spelen een rol.

Intro

In het kort

    UMC’s staan voor de opgave hun kennis sterker te valoriseren, maar uit ons onderzoek blijkt dat hierop de afgelopen vijf jaar niet veel extra meters zijn gemaakt. Vooral de conversie naar patenten en startups blijft achter. De valorisatiepotentie die er is wordt nog te weinig waargemaakt. Uit ons onderzoek blijkt dat het academisch risico van valorisatie, gebrek aan financiering voor de vroegste fasen van venture development en (gedwongen) mobiliteit van wetenschappers belangrijke belemmeringen voor valorisatiesucces zijn. Daarnaast hangen winstdeling, de beschikbaarheid van onderzoeksfaciliteiten en erkenning van valorisatie samen met de mate waarin kennis wordt omgezet in waarde. Het onlangs uitgebrachte rapport Wennink benadrukt het belang van de valorisatie van wetenschappelijke kennis door universiteiten en UMC’s.

Valorisatie is het omzetten van kennis en innovatie naar economische en/of maatschappelijke waarde en staat al jaren hoog op de bestuurlijke agenda van kennisinstellingen, regionale ontwikkelingsmaatschappijen en ook van de Rijksoverheid. Afhankelijk van de context wordt valorisatie gezien als hoofdpijndossier of als kans, maar vrijwel altijd als randvoorwaarde voor toekomstig verdienvermogen en welvaart. Wennink stelt in zijn rapport dat valorisatie van wetenschappelijke kennis in Nederland beter kan – en moet. Bij de coalitiepartijen is deze boodschap aangekomen, zo blijkt uit de ambitie in het regeerakkoord dat wetenschappelijke kennis meer moet worden omgezet naar economische waarde.

De vraag is echter of deze toegenomen aandacht zich ook gaat vertalen in betere valorisatieresultaten. Om dit te kunnen vaststellen, hebben we een nulmeting gedaan, specifiek bij Universitair Medisch Centra (UMC’s) - een belangrijke bron van wetenschappelijke kennis die kan worden gevaloriseerd. Met andere woorden: waar komen de individuele UMC’s vandaan, waar staan ze nu, en wat weerhoudt hen ervan om meer wetenschappelijke kennis te verwaarden? Het antwoord op deze vragen is van belang voor zowel de financiële positie van UMC’s, en daarmee van financiering van toekomstig onderzoek, als voor de patiënt. De zorg staat immers voor een grote transitieopgave, die om steeds meer rendement van medische kennis vraagt.

De patiënt moet er beter van worden

Het belang van valorisatie is duidelijk, maar de definitie blijkt in de praktijk minder eenduidig te zijn. Een economische benadering sluit maatschappelijke waarde niet uit, en andersom. Juist dat maakt valorisatie een containerbegrip: niet iedereen verstaat er hetzelfde onder. In algemene zin gaat het om het omzetten van kennis naar maatschappelijke waarde, bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe toepassingen, verbeterde zorg of innovaties. Uiteindelijk moet de patiënt er beter van worden. In deze analyse richten we ons specifiek op ‘economische’ valorisatie: het omzetten van kennis binnen Nederlandse UMC’s naar waarde die ook leidt tot nieuwe inkomstenstromen voor de instellingen (zie figuur 1).

Figuur 1: Tussen- en eindresultaten van het valorisatieproces

Tussen- en eindresultaten van het valorisatieproces
Bron: RaboResearch 2026

Het is lastig om een allesomvattende indicator van valorisatievermogen of -kwaliteit te definiëren en dus om prestaties over de tijd of tussen ziekenhuizen goed te vergelijken. Vinig en Lips (2015) introduceerden een vernieuwend model om kennisoverdracht van universiteiten te meten. Hun inzichten vormden voor ons een belangrijk uitgangspunt, maar de resultaten zijn inmiddels tien jaar oud.

Om de eerdergenoemde vragen te kunnen beantwoorden, gebruikten we vier databronnen: interviews met vertegenwoordigers van alle UMC’s, jaarverslagen, Dealroom[1] en Espacenet.[2] Eerst pasten we de methode van Vinig en Lips (2015) toe. We onderzochten de conversie van wetenschappelijke publicaties naar patenten en spin-offs voor de jaren 2019 tot en met 2024. Daarnaast hielden we semigestructureerde interviews met vertegenwoordigers van alle UMC’s. Deze gesprekken boden inzicht in de achterliggende processen, keuzes en knelpunten die niet uit cijfers kunnen worden afgeleid. Uit de combinatie van data en praktijkvoorbeelden komt een aantal belangrijke lessen naar voren, die we in het tweede deel van deze publicatie bespreken.

[1] Dealroom is een platform dat data over onder meer startups verzamelt en openbaar beschikbaar stelt.

[2] Espacenet is de database van de European Patent Office.

Valorisatievermogen van de Nederlandse UMC’s kleiner dan dat van de TU’s

Ongeveer 19% van alle academische publicaties heeft veel potentieel voor toepassing in een bedrijf (Techleap, 2026, p.48). De gezondheidszorg wordt gezien als sector waaruit de meeste spin-offs ontstaan (Techleap, 2026, p.49). Spin-offs zijn startups die voortkomen uit onderzoek aan universiteiten, ziekenhuizen of andere onderzoeksinstellingen.

Voor het vaststellen van het huidige valorisatievermogen van UMC’s is het belangrijk om eerst de wetenschappelijke output van de instellingen in kaart te brengen en die te vergelijken met de output van de Technische Universiteiten (TU’s), die vaak worden gezien als valorisatie-benchmark. Het gemiddelde aantal gepubliceerde wetenschappelijke artikelen per instelling is hoger voor de UMC’s dan voor TU’s (gemeten tussen 2019 en 2024). In 2022 was het aantal gepubliceerde artikelen in wetenschappelijke tijdschriften zelfs 37% hoger voor de UMC’s.

UMC’s publiceren dus gemiddeld meer artikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Maar vertaalt dit zich ook naar meer nieuwe patenten? Om dit te analyseren, hebben we gekeken naar de conversie van wetenschappelijke artikelen naar patenten (hierna ‘paper-patent-conversieratio’ genoemd). Deze maatstaf geeft een indicatie van de kans dat een wetenschappelijk artikel resulteert in een patent. Deze conversieratio’s zijn beduidend hoger voor de TU’s. Met andere woorden, TU’s hebben gemiddeld een hoger aantal gehonoreerde patentaanvragen per gepubliceerd artikel dan UMC’s (zie figuur 2). De TU Delft is de overduidelijke koploper, gevolgd door de TU’s in Eindhoven en Twente.

Figuur 2: De conversie van publicaties naar patenten is flink hoger op de TU’s

RR-20260409-valorisatie-fig2
Noot: geen data beschikbaar voor het MUMC. Bron: Jaarverslagen UMC’s en Espacenet, bewerking RaboResearch 2026

De paper-patent-conversieratio is tussen 2019-2024[3] gedaald, zowel voor de UMC’s als voor de TU’s. Ook het aantal nieuwe gehonoreerde patentaanvragen per instelling per jaar laat voor beide een licht dalende trend zien tussen 2019 en 2024 (zie figuur 3). Het aantal spin-offs per instelling laat een vergelijkbare daling zien (zie figuur 4). Opvallend is dat de daling bij de TU’s sterker is dan bij de UMC’s, al brengen de TU’s gemiddeld nog steeds ruim drie keer zo veel startende bedrijven voort als de UMC’s.

[3] Wegens beperkte beschikbaarheid van data keken we voor het LUMC naar gegevens vanaf 2020, voor het Radboud MC naar gegevens vanaf 2021 en voor het Amsterdam UMC naar gegevens vanaf 2022.

Figuur 3: Lichte terugval nieuwe patenten bij de TU’s en de UMC’s

RR-20260409-valorisatie-fig3
Bron: Espacenet, bewerking RaboResearch 2026

Figuur 4: Het aantal spin-offs per UMC daalt licht, en is een stuk lager dan bij de TU’s

RR-20260409-valorisatie-fig4
Bron: Dealroom, bewerking RaboResearch 2026

Om een beeld te krijgen van de bestuurlijke aandacht voor valorisatie, hebben we gemeten hoe vaak het woord ‘valorisatie’ terugkomt in jaarverslagen van de UMC’s. Vanaf 2022 zien we een sterke toename. Als we die vergelijken met de frequentie van het gebruik van woorden die de andere drie kerntaken van UMC’s aanduiden, namelijk ‘patiëntenzorg’, ‘onderwijs’ en ‘onderzoek’, dan lijkt ‘valorisatie’ vanaf 2022 iets aan terrein te winnen ten opzichte van de andere drie kerntaken. Over (het belang van) valorisatie wordt dus iets meer gerapporteerd, maar dat lijkt (nog) geen effect te hebben op het valorisatievermogen van de UMC’s. Toch moet niet worden uitgesloten dat het effect er wel is, omdat we niet hebben kunnen vaststellen hoe groot de inkomstenstroom is en hoe deze zich heeft ontwikkeld. We doelen dan op bijvoorbeeld ontvangen royalty’s voor gelicenseerde patenten, resultaten van deelnemingen of zelfs verkochte patenten. Van twee UMC’s hebben we gegevens ontvangen die daarvan een eerste indicatie geven. Het gaat dan om jaarlijkse inkomsten tussen de 3 (UMC1) en 10 miljoen euro (UMC2).[4] Als we die bedragen extrapoleren, dan zijn de totale inkomsten uit valorisatie minder dan 1% van de totale inkomsten van de UMC’s in 2024.

[4] De opbrengsten uit contractonderzoek en clinical trials zijn hierin niet meegenomen.

Winstdeling, beschikbaarheid van faciliteiten en erkenning van valorisatie hangen samen met het valorisatievermogen van UMC’s

Voor het vaststellen van factoren die het valorisatievermogen van UMC’s bepalen, voerden we semigestructureerde interviews met bestuurders en vertegenwoordigers van Technology Transfer Offices (TTO’s) van de zeven Nederlandse UMC’s.[5]

Tijdens de interviews spraken we onder meer over twaalf factoren die van gebleken of vermoed belang zijn voor valorisatie. Deze factoren komen uit wetenschappelijke literatuur en zijn door ons geclusterd:

  1. prikkels voor onderzoekers (Lach & Schankerman, 2003)
  2. verankering in missie en organisatie (Friedman & Silberman, 2003)
  3. ontzorging van betrokkenen (Boh et al., 2016)
  4. de nabijheid van een ecosysteem (Caldera & Debande, 2010)

De geïnterviewden scoorden voor hun UMC elk van de twaalf succesfactoren op een schaal van 1 (laagste) tot en met 5 (hoogste) (zie figuur 5). Uit de totaalscores blijkt dat UMC’s gemiddeld relatief laag scoren op factoren in het cluster ‘prikkels’ (tijd, promotiebeleid en winstdeling). Het is opvallend dat de beschikbaar gestelde tijd voor valorisatie gemiddeld het laagst scoort, terwijl de strategische inbedding van valorisatie het hoogst scoort. Dit lijkt te wijzen op een paradox - wel belangrijk, maar geen middelen, of is het de uitdaging om het verschil tussen de talk en de walk te verkleinen?

[5] Zie bijlage voor onze lijst met gesprekspartners.

Figuur 5: Gemiddelde scores van de UMC’s op twaalf succesfactoren van valorisatie

RR-20260409-valorisatie-fig5
Bron: RaboResearch, 2026

Vervolgens hebben we de samenhang onderzocht tussen de scores op de twaalf valorisatiefactoren en uitkomstmaatstaven. Tabel 1 toont de correlatie-coëfficiënten en significantieniveaus. Voor de vetgedrukte cijfers geldt dat de kans dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat er sprake is van correlatie kleiner is dan 10%.

Onze resultaten laten zien dat winstdeling met de uitvinder(s), de beschikbaarheid van laboratoriumfaciliteiten, de erkenning en waardering van valorisatie in PhD-trajecten, de strategische inbedding van valorisatie en het eigenaarschap van valorisatie binnen het bestuur van het UMC samenhangen met hogere conversieratio’s, en dus met betere valorisatieresultaten.

Tabel 1: Winstdeling, promotiebeleid en faciliteiten correleren het sterkst positief met de conversieratio's

RR-20260409-valorisatie-tab1
Noot: De sterretjes geven de significantie van de correlatie weer: *p<0,1, **p<0,05, ***p<0,01. Het MUMC is buiten beschouwing gelaten vanwege ontbrekende data. Bron: Espacenet, jaarverslagen TU’s en UMC’s, en Dealroom, bewerking RaboResearch 2026

Ook de onverwachte negatieve samenhang tussen de valorisatiemaatstaven en de toegang tot (netwerken voor) in- of externe financiering valt op. We hebben daar geen verklaring voor, anders dan dat UMC’s die intensiever valoriseren harder tegen dit probleem aanlopen en zichzelf daarom lager gescoord hebben op deze factoren.

Overige lessen uit de interviews

Op het gebied van valorisatie lijkt er nog veel te winnen. Daarvoor moeten wel substantiële hindernissen genomen worden. In de gesprekken die we hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse UMC’s kwamen de volgende obstakels naar voren.

1. Valorisatie wordt vaak gezien als academisch risico

Valorisatie wordt nog te vaak gezien als het nemen van academisch risico. “Elke dag besteed aan ondernemerschap, is er één minder voor het voorbereiden of schrijven van wetenschappelijke publicaties,” zo luidt de redenering in sommige onderzoeksgroepen. Bovendien hebben de UMC’s, naast onderwijs en onderzoek, ook dagelijkse patiëntenzorg als verantwoordelijkheid. Patiëntenzorg gaat vaak voor en is ook vaak urgent, wat het moeilijk maakt om tijd vrij te maken voor valorisatie.

Ook is er kans op reputatieschade. Die is er niet alleen als een bedrijf niet van de grond komt. Soms wordt werken aan valorisatie op zichzelf al gezien als faux pas voor wie stappen wil maken op de academische ladder. De beperkte baanzekerheid waarmee jonge onderzoekers vaak te maken hebben, kan ten slotte ook een reden zijn om niet te veel tijd aan een start-up te besteden. Als je contract na je PhD afloopt, en je op zoek moet naar een postdoc-positie, waar blijft dan de (tijd voor de) start-up?

Om dit obstakel te overwinnen, is een cultuurverandering nodig met personeelsbeleid dat valorisatie erkent. Daar wordt ook over gesproken in het kader van het initiatief ‘Erkennen en waarderen’ van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Sommige ziekenhuizen hebben al valorisatietracks en benoemen al ‘valorisatiehoogleraren’. Dit is een belangrijke stap vooruit en noodzakelijk voor het boosten van het valorisatievermogen van UMC’s.

2. Nog te weinig transparantie over valorisatiesucces

Het uiteindelijke doel van valorisatie door UMC’s is heel eenvoudig: de patiënt moet er beter van worden. Dit kan op allerlei manieren, die lang niet altijd slechts in een patent vast te leggen zijn. De valorisatieopbrengsten zijn veel breder dan enkel geregistreerde patenten of vanuit het UMC gestarte bedrijven. Het zou goed zijn als UMC's transparant zijn over hun valorisatie-opbrengsten en -kosten in de jaarverslagen. Transparantie en vergelijking werken vermoedelijk stimulerend.

3. Valorisatie is een wettelijke kerntaak, maar zonder budget

Valorisatie is wettelijk gezien één van de drie kerntaken van universiteiten (naast onderwijs en onderzoek) en één van de vier kerntaken van UMC’s. Van hen wordt vanzelfsprekend ook zorg voor patiënten verwacht. Voor de eerste drie kerntaken stelt de Rijksoverheid structureel geld beschikbaar, maar voor valorisatie is het budget nihil. De afwezigheid van structurele gelden voor valorisatie kwam in vrijwel alle interviews als hindernis naar voren. Instellingen financieren valorisatie nu uit eigen (incidentele) middelen, maar de mogelijkheden daarvoor zijn beperkt en die zijn onder het vorige kabinet ook niet groter geworden. Omdat de middelen voor de overige kerntaken ook structureel afnemen, worden door UMC’s inkomsten uit valorisatie soms ook afgeroomd en opnieuw gealloceerd. Op die manier nemen de investeringsmogelijkheden voor de TTO’s natuurlijk niet toe. De industrie wil vanwege de grote risico’s ook niet vroeg instappen en hetzelfde geldt voor veel banken. Innovatiesubsidies, zoals bijvoorbeeld van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, kunnen pas worden aangevraagd als de lage Technological Readiness Level (TRL)-niveaus achter de rug zijn.

4. Niet-matchende visies en belangen bemoeilijken het proces

Het ontbreekt regelmatig aan een gedeelde visie tussen de partijen die betrokken zijn bij het valorisatieproces op wat belangrijk, nodig en urgent is. Elke partij heeft zijn eigen (vaak valide) uitgangspunten. De academische wetenschap gaat langzamer, terwijl startups en investeerders juist gefocust zijn op snelheid en resultaat. “De spelregels matchen niet,” en daardoor vinden partijen elkaar niet, of verliezen ze elkaar uit het oog. Universiteiten rekenen zich soms ook te vroeg rijk en eisen (te) grote aandelen in spin-offs. Ook willen uitvinders vaak niet de overstap maken naar de start-up om zo voldoende te kunnen bijdragen aan de doorontwikkeling van embryonale technologieën. Technology transfer is gedoemd te mislukken als wetenschappers niet bereid zijn of in staat gesteld worden om patenten of anderszins gecodificeerde kennis een stap verder te brengen.

Conclusies

Op de route naar toekomstige welvaart is valorisatie van wetenschappelijke kennis een belangrijke rijbaan. Ons onderzoek laat zien dat het erop lijkt dat in de afgelopen vijf jaar niet veel extra meters zijn gemaakt als het gaat om het ontwikkelen van valorisatievermogen door Nederlandse UMC’s. We moeten echter voorzichtig zijn met een definitieve conclusie, omdat we door gebrek aan data een onvoldoende helder beeld hebben kunnen vormen van de grootte van de inkomstenstromen als gevolg van kennisvalorisatie en van de veranderingen daarin. Bovendien is er natuurlijk ook valorisatie die geen inkomsten oplevert. Dat hoeft ook niet altijd, zolang de patiënt er maar beter van wordt.

Niets wijst erop dat het stroomopwaarts beter gaat. Alleen de input van het valorisatieproces neemt toe, de conversie naar patenten en start-ups niet. UMC’s rapporteren weliswaar meer over valorisatie, zowel in absolute als in relatieve zin maar onze voorlopige conclusie is dat bestuurders valorisatie misschien wel belangrijker vinden, maar dat zij er nog niet in slagen om valorisatie ook belangrijker te maken. Als het klopt dat 19% van de wetenschappelijke publicaties verwaardingspotentieel heeft, dan is het valorisatiepotentieel bijna een factor twintig. Om daar enigszins bij in de buurt te komen, moet de financieringskloof worden gedicht en moet de erkenning en waardering voor valorisatie niet alleen worden uitgesproken, maar ook worden vertaald naar loopbaanperspectief, arbeidsvoorwaarden en faciliteiten.

Bijlage 1: lijst van gesprekspartners

Tab_2

Bijlage 2: bronnen

Beiboer, J. (2025). Standaard voor spin-offs moet academisch onderzoek sneller naar markt helpen. Het Financieele Dagblad.
https://fd.nl/economie/1577931/standaard-voor-spin-offs-moet-academisch-onderzoek-sneller-naar-markt-helpen

Boh, W. F., De Haan, U., & Strom, R. (2016). University technology transfer through entrepreneurship: Faculty and students in spinoffs. The Journal of Technology Transfer, 41, 661–669. https://doi.org/10.1007/s10961-015-9399-6

Caldera, A., & Debande, O. (2010). Performance of Spanish universities in technology transfer: An empirical analysis. Research Policy, 39(9), 1160–1173. https://doi.org/10.1016/j.respol.2010.05.016

Commissie Wennink. (2025). De route naar toekomstige welvaart (Officiële overheidsbijlage). https://www.rapportwennink.nl/

D66, VVD & CDA. (2026). Aan de slag – Coalitieakkoord 2026–2030.
https://www.kabinetsformatie2025.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2026/01/30/aan-de-slag---coalitieakkoord-2026-2030/coalitieakkoord-d66-vvd-cda.pdf

Dealroom. https://dealroom.net/

European Patent Office. Espacenet patent search. https://worldwide.espacenet.com/

Friedman, J., & Silberman, J. (2003). University technology transfer: Do incentives, management, and location matter? The Journal of Technology Transfer, 28(1), 17–30. https://doi.org/10.1023/A:1021674618658

Lach, S., & Schankerman, M. (2003). Incentives and invention in universities (NBER Working Paper No. 9727). National Bureau of Economic Research. https://doi.org/10.3386/w9727

Lange, R. de & van Poll, M. (2024). Geld verdienen met wetenschap levert vooral hoofdpijn op. Het Financieele Dagblad. https://fd.nl/tech-en-innovatie/1519947/geld-verdienen-met-wetenschap-levert-vooral-hoofdpijn-op

NWO. (2026). Erkennen en waarderen. https://www.nwo.nl/erkennen-en-waarderen

Sels, L. (2026). Universiteiten hebben valorisatiefinanciering nodig. Het Financieele Dagblad. https://fd.nl/opinie/1589527/universiteiten-hebben-valorisatiefinanciering-nodig

Techleap. (2026). State of Dutch Tech 2026. https://techleap.nl/stateofdutchtech

Vinig, T., & Lips, D. (2015). Measuring the performance of university technology transfer using meta data approach: The case of Dutch universities. The Journal of Technology Transfer, 40(6), 1034–1049. https://doi.org/10.1007/s10961-014-9389-0

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder