Economie Internationaal - Column Hans Stegeman

Hans Stegeman

Nieuwe werkelijkheid, ander doel

Ik heb jarenlang de gewoonte gehad 's ochtends vroeg mijn hartslag op te meten. Een gewoonte die voortkwam uit de tijd dat ik nog veel sportte. Dat was erg nuttig; aan mijn rusthartslag kon ik zien of ik weer was hersteld van de trainingsinspanning van de dag ervoor. Ook toen ik al minder sportte, heb ik deze gewoonte nog tijden vastgehouden. Mijn hartslag werd daarbij langzaam hoger, terwijl ik niet had getraind. Was ik nu niet hersteld? Nee, natuurlijk niet. Door beduidend minder te trainen gaat simpelweg je rusthartslag omhoog.

Aan deze ervaring moest ik denken bij de inflatiedoelstelling van 2% die de ECB hanteert: wellicht nuttig in een fitte economie, maar de veranderde omgeving vraagt wellicht om een hoger percentage.

Veranderende economische omgeving

De periode van begin jaren tachtig tot 2007 is inmiddels door economen geboekstaafd als 'de Grote Matiging'. Een periode van gelijkmatige, redelijk voorspelbare economische groei en lage inflatie.

De huidige werkelijkheid is anders. Door de financiële crisis en de naweeën ervan ligt een groot deel van die macro-economische receptuur onder vuur. Centrale banken, met de ECB voorop, houden echter nog vast aan de inflatiedoelstelling die veel Westerse centrale banken begin jaren negentig expliciet invoerden: een doelstelling van een inflatie van onder, maar dichtbij de 2%. Het succes daarvan was immers bewezen in de afgelopen twintig jaar.

Inflatie als prijsstabiliteit

Op het eerste gezicht is het een vreemd fenomeen dat prijsstabiliteit in de ogen van centrale bankiers een continue prijsstijging impliceert. Een aantal redenen pleit echter wel voor in ieder geval een beetje inflatie. Ten eerste slaat de prijsstabiliteit vooral op een voorspelbare en niet-volatiele prijsontwikkeling. Een stabiele en voorspelbare prijsontwikkeling zorgt voor de beste groeiprestaties. Ten tweede wordt deflatie over het algemeen als een desastreuzer fenomeen gezien dan een beetje inflatie. En daarbij gaat het eigenlijk niet om de werkelijke prijsontwikkeling, maar vooral om de inflatieverwachtingen.

Hiermee samenhangend en op dit moment veel belangrijker is ten derde dat een hoge inflatie relatief eenvoudig kan worden beteugeld door de rente te verhogen. Dit heeft evenwel een economische prijs; de economie koelt dan namelijk af. Voor deflatie is dit lastiger, zo leert ook Japan. Negatieve nominale rentevoeten zijn niet of zeer moeilijk te realiseren. Dit staat bekend als het zogeheten nulrenteprobleem, ofwel de Zero Lower Bound. Ten vierde zorgt geldillusie voor nominale neerwaartse prijsstarheid. Dit is voor Europa wellicht nog belangrijker dan de nulrentegrens. Geldillusie is eenvoudig gezegd het feit dat mensen vooral rekenen met nominale bedragen en geen rekening houden met inflatie. Een gemiddelde stijging van het prijsniveau zorgt ervoor dat nominale prijsstarheden minder pijn doen, waardoor op de arbeidsmarkt relatieve reële loonaanpassingen gemakkelijker zijn door te voeren en de werkloosheid lager uitkomt.

2% te laag

Een beetje inflatie is dus in ieder geval verkoopbaar als goed voor de prijsstabiliteit. Maar het is wel de vraag waarom dit exact de 2% zou moeten zijn die de ECB hanteert. Daar is geen enkel empirisch bewijs voor. Er kleeft een aantal bezwaren aan zo’n rigide doelstelling, zeker in de eurozone.

Ten eerste heeft het monetaire beleid in de hele Westerse wereld al geruime tijd de nulrentegrens bereikt. Als de inflatiedoelstelling hoger zou zijn geweest, was deze grens minder snel bereikt. Ook de komende jaren zal de rente niet snel omhoog gaan, zodat dit probleem niet zomaar verdwijnt. Ten tweede zorgt de huidige inflatie en daarmee samenhangend de inflatiedoelstelling er voor dat de economie van de totale eurozone zich langzamer aanpast dan nodig is. Na het invoeren van de inflatiedoelstelling van 2% is er in de afgelopen jaren niet zo’n test van de effecten van nominale starheden geweest.

Pas doel aan fitheid aan

Het streven naar een inflatie van bijvoorbeeld 4% zou de hiervoor genoemde problemen kunnen verminderen. Temeer daar er een grens is aan wat de ECB voor elkaar kan krijgen met verdere monetaire verruiming. In de woorden van Krugman kan dan een "geloofwaardige belofte om ongeloofwaardig te zijn" ervoor zorgen dat de inflatieverwachtingen op een hoger niveau komen te liggen. Dat zou leiden tot meer mogelijkheden voor een effectief monetair beleid en een snellere reële prijsaanpassing waardoor ook de loon- en prijsaanpassingen binnen de eurozone sneller kan verlopen.

Toch stuit dit op veel weerstand. Het belangrijkste argument van veel centrale bankiers is dat de huidige inflatiedoelstelling niet in strijd is met een consistent monetair beleid. Het grootste succes van het huidige beleid is immers dat het voorspelbaar en geloofwaardig is.

Maar dan vergeten die centrale bankiers een cruciale zaak: de economische omgeving is veranderd. Dan wordt het wellicht tijd om ook anders te denken over monetaire beleidsdoelstellingen. Net als mijn hartslag: minder fit betekent een hogere rusthartslag.

Publicatiedatum 05-06-2014