Update

Inflatiemonitor Nederland - april 2022

1 april 2022 18:14

Inflatie is terug van weg geweest en domineert momenteel het economische nieuws. Een sterke stijging van het algemene prijspeil kan de koopkracht van huishoudens uithollen en de winsten van bedrijven aantasten. In deze maandelijkse inflatiemonitor voor de Nederlandse economie geven we duiding aan de inflatiecijfers en presenteren we onze inflatieverwachtingen. Voor meer technische informatie verwijzen we naar de laatste paragraaf van deze publicatie.

Hand met dikke want aan radiatorknop

Flashcijfers voor maart 2022

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft het (voorlopige) inflatiecijfer voor maart 2022 gepubliceerd: 11,9 procent. Dit betekent dat het gemiddelde prijspeil in maart 11,9 procent hoger lag dan in dezelfde maand een jaar geleden. Dubbele inflatiecijfers zijn in historisch perspectief uitzonderlijk en hiervoor moeten we terug naar de oliecrisis van de jaren zeventig. Het inflatiecijfer in maart was veel hoger dan de 7,3 procent waar we in ons oorspronkelijke inflatiemodel op uit kwamen. Het model hebben we daarom ook licht aan moeten passen om de aansluiting te krijgen met de recente ontwikkelingen (zie bijlage 1).

Figuur 1. Inflatie in maart 2022 kwam uit op 11,9 procent

Figuur 1. Inflatie in maart 2022 kwam uit op 11,9 procent
Bron: Eurostat, CBS, RaboResearch

Tabel 1. Heatmap inflatiecijfers

Tabel 1. Heatmap inflatiecijfers
Opmerking: De tabel geeft de bijdrage van de subcomponenten aan het totale inflatiecijfer weer. Bron: Eurostat, CBS, RaboResearch

Energieprijzen verdubbelen in een jaar tijd

Het inflatiecijfer van maart kunnen we wederom voor een groot deel verklaren door de stijging van de energieprijzen (inclusief motorbrandstoffen) – energie bepaalt ongeveer 73 procent van het totaalcijfer (zie tabel 1). De stijging van de inflatie ten opzichte van februari kan voor meer dan 95 procent worden verklaard door de stijging van de prijzen van energie en motorbrandstoffen, die in maart 102,9 procent hoger lager dan een jaar geleden, terwijl dat in februari nog 51,7 procent was.

Voedselprijzen lopen ook rap op

De prijzen voor voedingsmiddelen stegen ook flink door. Gemiddeld genomen zijn de consumentenprijzen in de supermarkt in maart ruwweg 1 procent omhoog gegaan ten opzichte van februari. Vergeleken met vorig jaar maart is het gemiddelde prijspeil in de supermarkt nu opgelopen met zo’n 5,5 procent. Er is duidelijk sprake van een versnelling, want ongeveer de helft van deze prijsstijging vond plaats in de afgelopen drie maanden.

Ook begint de consument de impact van de oorlog in Oekraïne in de supermarkt te merken. Niet alleen vanwege de lege zonnebloemolie-schappen door hamstergedrag, maar ook omdat afgelopen week de vleesprijzen met gemiddeld 4 procent stegen ten opzichte van de week ervoor, vanwege bijvoorbeeld een crisisopslag. Gehakt komt daardoor binnen in de top-5 van categorieën met de hoogste prijsstijgingen (zie tabel 2). Onderin deze ranglijst zien we weinig grote verschuivingen. Gezien de sterke kostenstijging van energie, agri-grondstoffen, diervoeder, transport en verpakkingen ligt het voor de hand dat de consumentenprijzen de komende maanden verder op zullen lopen.

Tabel 2. Prijsontwikkeling in de supermarkten (in % t.o.v. zelfde week één jaar eerder)

Tabel 2. Prijsontwikkeling in de supermarkten (in % t.o.v. zelfde week één jaar eerder)
Noot: Prijsontwikkeling gebaseerd op schap-prijzen, dus exclusief promoties, in een gelimiteerd aantal full-service supermarkten. Gemeten over producten die in de gehele periode beschikbaar waren. Bron: RaboResearch

Nederlandse inflatie in internationaal perspectief

Het Nederlandse inflatiecijfer is ook in internationaal perspectief hoog (zie figuur 2). Waar de inflatie eerst vergelijkbaar was in landen als België en Spanje, staat Nederland nu eenzaam aan de top in West-Europa. Alleen in de Baltische Staten zien we ook een inflatie van boven de 10 procent. De stijging in maart was veel forser dan die in andere West-Europese landen. Dit komt vooral doordat energieprijsstijgingen op de groothandelsmarkten daar minder hebben geleid tot stijgingen in het algemene consumentenprijspeil.

Het is niet direct duidelijk waarom hogere olie- en gasprijzen hier in maart sterker bijdroegen aan de inflatie dan elders in Europa. Er is een aantal mogelijke verklaringen, maar vooraf is het goed te onderstrepen dat hiervoor eigenlijk nader onderzoek nodig is. Een eerste mogelijke verklaring is dat de Nederlandse energiemix meer dan die van andere Europese landen afhankelijk is van het gebruik van gas en olie (zie figuur 3). Een tweede verklaring is dat het CBS de energiecomponent in de HICP vaststelt aan de hand van nieuwe energiecontracten. Vaste, langlopende energiecontracten met in normale tijden een lagere prijs werden in maart amper meer aangeboden in tegenstelling tot een jaar geleden. Energiemaatschappijen bieden momenteel vaak alleen nog het wettelijk verplichte modelcontract met een onbepaalde looptijd en variabele energieprijs aan, vanwege de grote onzekerheid en dus hoge prijs voor het afhechten van prijsrisico’s. Vanzelfsprekend lagen de tarieven voor zo’n modelcontract in maart erg hoog. Mogelijk hanteren andere Europese statistische bureaus een andere rekenmethode en nemen zij de prijzen van bestaande energiecontracten wel mee. Verder is het mogelijk dat consumenten in andere landen minder bloot staan aan variabele energieprijzen door bijvoorbeeld verschillen in regelgeving. Sowieso hebben veel landen een flink deel van de gasvoorziening veiliggesteld via langlopende contracten (onder andere met Nederland), terwijl Nederland voor zichzelf weinig langlopende gascontracten heeft afgesloten op de groothandelsmarkt voor gas.

Figuur 2. Consumenten- en energieprijzen in internationaal perspectief

Tabel 2. Prijsontwikkeling in de supermarkten (in % t.o.v. zelfde week één jaar eerder)
Bron: Eurostat, RaboResearch

Figuur 3. Nederlandse energiemix sterk afhankelijk van gas en olie

Figuur 3. Nederlandse energiemix sterk afhankelijk van gas en olie
Bron: Eurostat, RaboResearch

Inflatieverwachtingen

We verwachten dat de inflatie voor 2022 uit komt op gemiddeld 7,7 procent (zie groene lijn in figuur 4), wat 2,2 procentpunt hoger is dan de verwachting uit de vorige inflatiemonitor. Voor 2023 hebben we onze inflatieverwachtingen ook sterk opwaarts bijgesteld naar 4,5 procent (was 2,9 procent). Hieronder lichten we toe wat er behalve de realisatie voor maart nog meer achter deze bijstellingen zit.

Figuur 4. Inflatie blijft naar verwachting tot midden 2023 rond 5 procent

Figuur 4. Inflatie blijft naar verwachting tot midden 2023 rond 5 procent
Bron: RaboResearch

Hogere grondstoffenprijzen

We gaan in ons basispad uit van een hogere gas- en olieprijs dan waar we eerder mee hebben gerekend (zie figuur 5 en 6). Rusland heeft de afgelopen tijd gedreigd om de gaskraan naar Europa dicht te draaien. Ook heeft president Poetin plannen uit de doeken gedaan om gas – en daarna ook olie, staal en graan – betaald te krijgen in roebels in plaats van in euro’s of dollars. Waar het Kremlin eerder aangaf deze plannen geleidelijk te willen invoeren, lijkt Moskou volgens de meest recente berichtgeving aan te sturen op roebelbetalingen per april. Duitsland heeft inmiddels de eerste fase van een energienoodplan gelanceerd. Ook regeringen in andere Europese landen, waaronder Nederland, onderzoeken opties om het gebruik van Russische brandstoffen uit te faseren. Op korte termijn zijn er echter geen pijnloze opties om van het Russische gas af te gaan (zie deze rapporten voor Europa en Nederland). Dit wordt versterkt door het feit dat de Europese gasvoorraden op dit moment erg klein zijn. Onze verwachting is dat deze ontwikkelingen tezamen de komende periode zullen zorgen voor verdere stijging en meer volatiliteit van de gas- en olieprijzen.

Figuur 5. Opwaartse bijstelling raming van de gasprijs (TTF)…

Figuur 5. Opwaartse bijstelling raming van de gasprijs (TTF)…
Bron: ICE, Macrobond, RaboResearch

Figuur 6. …en de olieprijs

Figuur 6. …en de olieprijs
Bron: Macrobond, RaboResearch

Hogere olie- en gasprijzen leiden (zonder aanvullend mitigerend overheidsbeleid) tot een verdere stijging van de energierekening van huishoudens en hogere kosten voor bedrijven die de risico’s van hogere prijzen niet hebben afgehecht via langlopende contracten of ‘hedging’. De mate waarin bedrijven te maken krijgen met hogere productiekosten door hogere energieprijzen verschilt uiteraard van sector tot sector, en vooral energie-intensieve sectoren hebben het zwaar. Hierbij gaat het onder meer om bedrijven in de glastuinbouw, chemie (onder meer kunstmest), de transportsector, verpakkingsindustrie, rubber- en kunststofsector, en de aluminiumindustrie.

Naast hogere energieprijzen zijn door de oorlog in Oekraïne ook de prijzen gestegen van andere grondstoffen, zoals maïs, graan, kunstmest, nikkel en aluminium (figuur 7). Uiteindelijk is er een reëel risico dat waardeketens, die al waren verstoord door de coronacrisis, wederom te kampen krijgen met disrupties. Hierdoor ontstaat in sommige branches extra inflatoire druk. Hoe sterk dit soort domino-effecten zijn, onderzoekt RaboResearch op dit moment.

Figuur 7. Graan en maïs 40 procent en nikkel 75 procent duurder dan een paar maanden geleden

Figuur 7: Graan en maïs 40 procent en nikkel 75 procent duurder dan een paar maanden geleden
Bron: London Metal Exchange (LME), CME Group, Euronext, Macrobond, RaboResearch

Beleid

De overheid heeft aanvullende maatregelen aangekondigd die de inflatiecijfers in 2022 enigszins zullen drukken. Zo verlaagt het kabinet de btw op energie van 21 naar 9 procent. Deze maatregel gaat in op 1 juli 2022, blijft van kracht tot het einde van het jaar en leidt tot 1,1 miljard aan gemiste belastinginkomsten. Rekening houdend met een totale particuliere consumptie van ongeveer 400 miljard euro op jaarbasis, verlaagt dit de inflatie met ruim 0,5 procentpunt in de tweede helft van dit jaar. Daarnaast verlaagt het kabinet de accijnzen op benzine en diesel met 21 procent. Dit gaat al vanaf 1 april gelden tot en met 31 december. Deze maatregel kost de Nederlandse overheid nog eens 1 miljard euro extra en verlaagt de inflatie van april tot en met december 2022 met ruim 0,3 procentpunt.

De verlaging van de btw en brandstofaccijnzen komen boven op enkele maatregelen die al van kracht zijn en de inflatie reeds drukken, zoals de korting op de energiebelasting voor huishoudens, de bevriezing van de huren in de sociale sector en de halvering van het collegegeld. Zonder het brede pakket aan maatregelen zou de inflatie volgens onze berekeningen gemiddeld dit jaar uitkomen op 9,3 procent (in plaats van 7,7 procent).

Omdat alle maatregelen zijn aangekondigd als tijdelijke maatregelen, zien we extra inflatoire druk op het moment dat regelingen aflopen.[1] Dat soort opwaartse effecten verwachten we dit jaar al in juli te zien, wanneer de huurbevriezing wordt losgelaten, en in september wanneer studenten weer het volle pond moeten betalen. Uiteindelijk zorgen veel van de kabinetsmaatregelen dus vooral voor een verschuiving van inflatie van 2022 naar 2023 (figuur 8).

[1] Omdat we verwachten dat de energieprijzen niet alleen in 2022 hoog zullen blijven, gaan we ervan uit dat niet alle kabinetsmaatregelen worden stopgezet en ook deels door zullen lopen in 2023.

Figuur 8. Beleid overheid duwt deel van inflatie dit jaar naar volgend jaar

Figuur 8. Beleid overheid duwt deel van inflatie dit jaar naar volgend jaar
Bron: CBS, Macrobond, RaboResearch

Stagflatie en kopzorgen voor de ECB

Onze inflatieverwachting van 7,7 procent voor 2022 is uiteraard omgeven met enorme onzekerheid. De energieprijzen kunnen nog verder oplopen in een scenario waarin Rusland bijvoorbeeld de gaskraan dichtdraait of olieleveranties stopzet. In dat geval zal Europa moeite hebben om gedurende de lente- en zomerperiode de gasvoorraden weer aan te vullen. We hebben berekend dat de Nederlandse gasvoorraden zonder extra aanbod of lager gasverbruik in november of december van dit jaar helemaal leeg zouden zijn. Pijnloze opties om dit op te lossen zijn er niet. Meer vloeibaar aardgas (LNG) importeren uit bijvoorbeeld Qatar, Australië, Algerije of de VS is geen optie, omdat deze landen al tegen hun maximumcapaciteit aan zitten. De energietransitie kost tijd. Overschakelen op steenkool en stookolie gaat ten koste van onze klimaatdoelstellingen. En het heropenen van Duitse kerncentrales of boren naar Nederlands gas ligt politiek bijzonder gevoelig.

Uiteindelijk zal de vraag naar aardgas in dit scenario met zo’n 10 tot 15 procent moeten dalen om deze aan te laten sluiten op het lagere aanbod. De prijs van gas en olie zal hierbij een centrale rol spelen en fors stijgen om markten in evenwicht te krijgen. . De gasprijs zou kunnen stijgen tot meer dan 200 euro per megawattuur en de olieprijs richting de 200 dollar per vat. Ook zullen overheden kijken naar het afschalen van de industriële productie om energie te besparen. Dit zorgt voor een verdere disruptie van de Europese waardeketens. Hierdoor slinkt het aanbod van andere producten, wat prijsopdrijvend werkt. Wanneer extra verzachtende maatregelen uitblijven, zou dat de inflatiecijfers de komende tijd nog verder opjagen (zie figuur 7).

Doordat we nu al met dubbele inflatiecijfers te maken hebben, is de kans op een recessie in Europa en Nederland steeds groter. Economen noemen een sterke stijging van de inflatie in combinatie met een recessie ook wel stagflatie, een fenomeen dat we kennen uit de tijd van de oliecrisis van 1973. Zo’n situatie zorgt voor flinke kopzorgen bij centrale bankiers. In het geval van bestedingsinflatie, dat wil zeggen dat de vraag naar producten en diensten het aanbod overstijgt, kan een centrale bank de beleidsrente verhogen om een economie af te laten koelen en verdere oververhitting tegen te gaan. Maar tegen kosteninflatie, die het gevolg is van duurdere grondstoffen uit het buitenland, zullen renteverhogingen weinig soelaas bieden en de economie van de eurozone juist dieper de put in drukken. Tegelijkertijd moet de ECB ook oppassen niet haar geloofwaardigheid te verliezen, aangezien prijsstabiliteit haar belangrijkste mandaat is.

Bijlage: technische toelichting en definities

Inflatie is een aanhoudende stijging van het gemiddelde prijspeil. Hierbij kan het gaan om allerlei verschillende prijzen. Ondernemers zullen bij inflatie vooral denken aan de kosten voor verbruik tijdens het productieproces, invoerprijzen of groothandelsprijzen. In de volksmond heeft inflatie vooral betrekking op een aanhoudende stijging van de consumentenprijzen en daar kijken we in deze publicatie naar. Om de ontwikkeling van de consumentenprijzen te meten, bestaan twee indices: de consumentenprijsindex (CPI) en de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). Deze indices zijn gebaseerd op de gewogen prijsontwikkeling van een mandje van producten en diensten dat betrekking heeft op een gemiddeld uitgavenpatroon.

De eerste index meet uitsluitend de uitgaven van Nederlanders, zowel binnen als buiten onze landsgrenzen. De HICP meet daarentegen de uitgaven van Nederlanders en buitenlanders binnen Nederland, en is ontwikkeld zodat consumentenprijsindices binnen de Europese Unie gemakkelijker met elkaar zijn te vergelijken. Dit omdat de berekeningsmethoden van nationale CPI-cijfers ook weer van elkaar verschillen. Verder wijken ook de mandjes van goederen en diensten waarop de HICP en de Nederlandse CPI zijn gebaseerd van elkaar af. Zo valt de toegerekende huur eigen woning buiten de HICP, maar juist binnen de CPI.

In deze publicatie kijken we naar de ontwikkeling van de HICP. Deze definitie sluit aan bij de officiële ramingen van RaboResearch en het is ook de indicator waar de Europese Centrale Bank (ECB) naar kijkt.

De maandelijkse inflatievoorspellingen zijn gebaseerd op een drievergelijkingenstelsel van RaboResearch. Voor meer toelichting verwijzen we naar Erken en De Groot (2021, alleen voor abonnees). Wel hebben we het model aangepast om rekening te houden met non-lineariteiten in de doorwerking van de elektriciteitsprijzen en de olie- en gasprijzen op de consumentenprijzen. Dit betekent dat het model boven een bepaalde drempelwaarde een andere elasticiteit toepast. Zo zullen energiemaatschappijen bij gasprijzen die deze drempelwaarde overschrijden genoodzaakt zijn een groter deel van de prijsstijging door te belasten aan consumenten dan bij een prijs die onder deze waarde ligt. Ook zullen zij alleen nog variabele modelcontracten aanbieden in plaats van langlopende contracten. Beide elementen zorgen voor een groter effect op de consumentenprijzen dan in een situatie van lage gasprijzen.