Onderzoek

Coalitieakkoord 2026: hogere uitgaven en lasten, maar onzekerheid over politieke haalbaarheid

3 februari 2026 17:15 RaboResearch

D66, VVD en CDA presenteerden 30 januari hun coalitieakkoord. Wat gaat er veranderen voor huishoudens en bedrijven? Het begrotingstekort verandert nauwelijks, maar de coalitie schuift fors: hogere uitgaven (onder meer aan defensie, onderwijs, wonen) dekt zij met bezuinigingen (zorg, sociale zekerheid) en hogere lasten voor burgers en bedrijven. Op diverse andere thema’s (verdienvermogen, energie en klimaat, arbeidsmarkt en de stikstofaanpak) zet de coalitie stappen, maar de uitkomsten zijn nog onzeker. Ook door de minderheidsstatus van de coalitie.

Hofvijver bij zonsondergang

In het kort

    De plannen van de coalitie veranderen het begrotingstekort nauwelijks, maar zij schuift fors: hogere uitgaven (onder meer aan defensie, onderwijs, wonen) dekt zij met bezuinigingen (zorg, sociale zekerheid) en hogere lasten voor burgers en bedrijven. De coalitie streeft naar 1,5% economische groei per jaar en 3% bbp aan R&D‑investeringen. Het akkoord bevat enkele nieuwe plannen, zoals de oprichting van een nieuwe investeringsbank. Wel is de totale publieke investeringsimpuls beperkt, deels incidenteel van aard en is het de vraag of het beleid zorgt voor de benodigde extra private investeringen, waardoor het halen van deze doelen onzeker is. De koopkracht lijkt af te nemen, onder meer door de voorgestelde ‘vrijheidsbijdrage’, lager recht op zorgtoeslag en hogere private zorguitgaven, terwijl gezinnen profiteren van een samengevoegde en verhoogde kinderregeling. De terugkeer van het stikstoffonds en strenger beleid als doelen niet worden gehaald proberen het stikstofprobleem vlot te trekken, met naast generieke ook gebiedsgerichte reductie (met sectorplafonds), verschuiving in de richting van emissiesturing en afbouw KDW. De coalitie wil nieuwbouw versnellen via minder regels, standaardisering en grootschalige bouwlocaties, met extra middelen vanaf 2029; tegelijk versoepelt zij de regels voor de huurmarkt en stimuleert zij de doorstroming in de sociale-huursector. De coalitie houdt vast aan het streefdoel van 55% minder broeikasgasuitstoot in 2030. Ze zet vooral het beleid van het vorige kabinet voort. Hierdoor is de kans klein dat het gestelde doel wordt gehaald. Dit alles is echter omgeven door politieke onzekerheid. De coalitie heeft geen meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer, waardoor de uitvoering ook afhankelijk is van andere partijen.

D66, VVD en CDA (hierna: de coalitie) presenteerden op vrijdag 30 januari hun coalitieakkoord 2026-2030 met als titel ‘Aan de slag’. In dit overzicht bespreken we per beleidsterrein de voorgestelde beleidsmaatregelen met de grootste impact. Eerst bespreken we op hoofdlijnen de gevolgen voor de rijksbegroting. Daarna gaan we in op de gevolgen voor de woningmarkt, de arbeidsmarkt, AOW en pensioen, het verdienvermogen van Nederland, de koopkracht van huishoudens, energie en klimaat en de stikstofaanpak. Tot slot bespreken we de plannen bezien vanuit de brede welvaart.

Politieke haalbaarheid onzeker

De coalitie heeft in zowel de Eerste als Tweede Kamer geen meerderheid. Het is daarom nog onzeker in welke mate het akkoord in deze vorm wordt uitgevoerd.

De coalitie bezet 66 zetels in de Tweede Kamer en komt daarmee tien zetels te kort voor een meerderheid (zie tabel 1). In de Eerste Kamer heeft de coalitie 22 zetels, ofwel zestien te kort voor een meerderheid. Dit betekent dat de coalitie is aangewezen op de steun van oppositiepartijen. In de Tweede Kamer is getalsmatig een meerderheid haalbaar ‘over links’ door steun van GL-PvdA, of ‘over rechts’ via JA21, BBB en/of Groep Markuszower. In beide richtingen is dit onvoldoende voor een meerderheid in de Eerste Kamer. Daarvoor is aanvullende steun nodig van kleinere partijen. Hierbij dient wel aangetekend dat in het voorjaar van 2027 een nieuwe Eerste Kamer aantreedt, wat deze verhoudingen mogelijk (sterk) verandert.

Tabel 1: Zetelverdeling in Tweede en Eerste Kamer

Zetelverdeling in Tweede en Eerste Kamer
Bron: Websites Tweede Kamer en Eerste Kamer

Het maakt voor het uiteindelijke beleid waarschijnlijk veel uit welke route wordt bewandeld. GL-PvdA zal andere eisen stellen aan samenwerking dan een rechts blok. Ook is het de vraag hoe de coalitie de samenwerking met de oppositie wil vormgeven (en andersom). Worden er akkoorden gezocht per thema, of wil men akkoorden sluiten op grotere pakketten? Ook dit zal bepalend zijn voor het uiteindelijke beleid.

Ondanks deze onzekerheden geeft het overzicht in dit artikel wel een eerste indicatie van de aanstaande veranderingen.

Gevolgen voor de rijksbegroting op hoofdlijnen

Over de gehele kabinetsperiode verandert het begrotingstekort per saldo vrijwel niet ten opzichte van de huidige situatie. Daaronder schuift de coalitie wel flink met miljarden. De overheidsuitgaven gaan met miljarden omhoog, vooral door extra investeringen in defensie, onderwijs en wonen. Dit wordt gedekt door bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid, en hogere belastingen.

Defensie

De coalitie streeft naar defensie-uitgaven ter hoogte van 2,8% van het bbp in 2030, en 3,5% structureel. Dit betekent extra jaarlijkse uitgaven oplopend tot 9,5 miljard euro in 2030 en 19,3 miljard euro structureel. Daarnaast is voor de periode 2027-2029 extra steun aan Oekraïne gereserveerd ter hoogte van 0,5-2,3 miljard euro per jaar.

Gezondheidszorg

Per saldo vermindert de coalitie de collectieve zorguitgaven met bedragen oplopend tot bijna 8 miljard euro ten opzichte van de huidige situatie. De verhoging van het eigen risico van 385 naar 460 euro in 2027 is hierin de grootste maatregel. Dit bespaart in 2030 5,5 miljard euro.[1] Ook vervalt in 2028 de aftrek voor specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming voor specifieke zorgkosten. Wel kunnen chronisch zieken via de gemeente een tegemoetkoming in de zorgkosten ontvangen.

De coalitie beperkt de groei van de uitgaven aan langdurige zorg door onder meer een bestuurlijk akkoord, een verdere scheiding van wonen en zorg en een eigen bijdrage voor wijkverpleging. Ook gaan degenen die dat kunnen zelf betalen voor huishoudelijke hulp. Deze wordt met ingang van 2029 niet meer als maatwerkvoorziening binnen de WMO aangeboden; de gemeente biedt alleen nog een vangnet voor mensen die dit niet zelf kunnen regelen.

Lastenontwikkeling

Het hogere eigen risico in de zorgt leidt niet direct tot hogere lasten voor huishoudens: hogere eigen betalingen leiden op nationaal niveau namelijk tot een even grote daling van de nominale premie. De coalitie kiest er wel voor andere lasten te verhogen (nog niet nader gespecificeerd), om deze premiedaling te compenseren. Dit geldt ook voor bedrijven, die de door hen betaalde inkomensafhankelijke zorgpremie zien dalen. Het kabinet haalt hierdoor per saldo 5,5 miljard euro per jaar op.

Huishoudens en bedrijven krijgen verder te maken met een zogenoemde ‘vrijheidsbijdrage’. Deze bedraagt vanaf 2028 5,1 miljard euro per jaar, waarvan huishoudens twee derde betalen. De uitwerking voor huishoudens lichten we in de paragraaf over koopkracht nader toe.

Begrotingsbeleid

De coalitie neemt het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte als uitgangspunt voor de begrotingsregels. Dit betekent onder meer een voortzetting van het trendmatig begrotingsbeleid en een tekortdoel van 2,0% van het bbp. Wanneer het tekort lager uitvalt, wordt de ruimte gelijk verdeeld onder investeringen, lagere lasten en schuldreductie. Ook wil de coalitie onder andere de begrotingshorizon verlengen naar acht jaar, zodat de effecten van beleid op de lange termijn zichtbaar worden, en een duidelijker onderscheid aanbrengen tussen consumptieve uitgaven en investeringen.

[1] Overigens leidt het grootste deel hiervan tot hogere private zorguitgaven, waardoor de totale Nederlandse zorguitgaven beperkt dalen.

Woningmarkt

Ondanks de ambities van voorgaande kabinetten daalt het aantal per jaar opgeleverde nieuwbouwwoningen sinds 2022 trendmatig. In zowel 2024 en 2025 zijn 69.000 nieuwe woningen opgeleverd: het laagste aantal sinds 2018. De nieuwe coalitie neemt zich voor om doorbraken te bereiken op het gebied van wonen. De voorgestelde maatregelen richten zich vooral op de nieuwbouw en op het beter benutten van de bestaande voorraad. De fiscale behandeling van de eigen woning – een heet hangijzer tijdens de verkiezingen – blijft ongewijzigd.

Nieuwbouw

Het nieuwe kabinet heeft de ambitie om een aantal bekende knelpunten op het gebied van woningbouw op te lossen. Het bouwt daarbij voort op het beleid van voorgaande kabinetten. Zo wil de coalitie het bouwproces versnellen door sommige bouwregels te schrappen en door bezwaarmogelijkheden te beperken. Ook zet zij in op meer fabrieksmatige bouw, onder andere door bouweisen meer te standaardiseren. De coalitie zet verder in op minstens dertig grootschalige woningbouwlocaties. Gemeenten krijgen meer ruimte voor het voeren van een actief grondbeleid. Ook gaat het Rijk strakker sturen op waar nieuwe woningen worden gebouwd en hoeveel. Het kabinet gaat door met de eis van twee derde betaalbare bouw, maar dit wordt een streven waar lokaal van kan worden afgeweken.

Het kabinet trekt ook extra middelen uit voor woningbouw om zo de financiële haalbaarheid te versterken. Zo wil de coalitie vanaf 2029 1 miljard euro extra per jaar uitgeven voor de bouw van betaalbare huur- en koopwoningen. Het voorgaande kabinet had voor de korte termijn wel extra middelen voor woningbouw uitgetrokken, maar niet structureel. Verder worden extra middelen vrijgemaakt voor infrastructuur om nieuwe wijken te ontsluiten.

We verwachten dat de plannen op termijn tot meer nieuwbouw kunnen leiden. Maar vanwege de lange doorlooptijden van bouwprojecten is het effect op korte termijn waarschijnlijk beperkt. De uitwerking is bovendien nog weinig concreet, waardoor het effect van het pakket nu nog niet goed kan worden ingeschat. Ook lijken er knelpunten te zijn waar minder (concrete) aandacht naar uit gaat, en die meer woningbouw óók in de weg staan. Hierbij gaat het onder meer om netcongestie en de kaderrichtlijn water.

Huursector

Daarnaast wil de coalitie het investeringsklimaat voor verhuurders van huurwoningen verbeteren, onder meer door de overdrachtsbelasting voor niet-eigenwoningen vanaf 2027 te verlagen van 8% naar 7%. Ook de opkoopbescherming en zelfbewoningsplicht worden ingeperkt. Het is evenwel de vraag of dit beleggers voldoende houvast biedt om investeringen voor de lange termijn te doen. Woningcorporaties gaan vanaf 2028 minder vennootschapsbelasting betalen, om hun investeringsruimte te vergroten. De coalitie wil ook de doorstroming vanuit sociale-huurwoningen vergroten, door een jaarlijkse inkomenstoets op basis waarvan de huur kan worden aangepast naar een passend niveau. De toegang van vermogende huishoudens met een laag inkomen tot de sociale-huursector wordt beperkt, door in het toewijzingsbeleid een vermogensgrens in te voeren.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid

De coalitie wil door met het arbeidsmarktpakket dat volgt uit het SER MLT-advies 2021-2025 (Zekerheid voor mensen). Hieronder vallen het terugdringen van flexwerk, een basisarbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (BAZ) en het tegengaan van schijnzelfstandigheid. Concreet beoogt de coalitie om het ‘rechtsvermoeden van werknemerschap’ uit de conceptwet Vbar zo snel mogelijk in te voeren (simpel gezegd: bij lage tarieven ben je in principe werknemer, tenzij de opdrachtgever het tegendeel bewijst), terwijl de overige Vbar-onderdelen worden vervangen door de nieuwe Zelfstandigenwet: een aparte wet die duidelijk maakt wanneer je echt zzp’er bent en welke regels dan gelden.

De coalitie kondigt enkele bezuinigingen op de sociale zekerheid aan. Zo stelt ze voor om de WW-duur per 2028 te beperken tot één jaar, waarbij vanaf 2030 de WW-uitkering in de eerste twee maanden omhoog gaat, van 75% naar 80% van het laatstverdiende loon. Daarnaast wil de coalitie per 2030 het duurzaamheidscriterium in de WIA afschaffen, waardoor de IVA‑uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten voor nieuwe gevallen vervalt. Tegelijkertijd gaat het maximum dagloon vanaf 2029 met 20% omlaag, wat niet alleen leidt tot lagere WW- en WIA-uitkeringen, maar mogelijk ook een lagere vergoeding van het aanvullend geboorteverlof. Wel blijven de plannen voor bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders vooralsnog onderdeel van het pakket.

Verder gaat de transitievergoeding op de schop. De coalitie wil dat deze echt wordt gebruikt waarvoor hij is bedoeld: de overstap van werk naar ander werk. Daarom moet de vergoeding in de toekomst worden besteed aan scholing en ontwikkeling, via de infrastructuur voor Leven Lang Ontwikkelen. Heeft een werkgever al aantoonbaar voldoende geïnvesteerd in bij- of omscholing of re-integratie, dan kunnen de verplichtingen rond de nieuwe transitievergoeding (gedeeltelijk) vervallen. Daarnaast wil de coalitie toewerken naar een ‘stelsel van individuele leerrechten’, zodat werknemers structureel meer mogelijkheden krijgen om zich te blijven ontwikkelen. Ook komt de bestaande compensatie voor de transitievergoeding bij ontslag na langdurige ziekte te vervallen.

Tot slot zet de coalitie in op selectieve arbeidsmigratie. Er komt een pilot waarmee werkgevers in specifieke sectoren tijdelijk extra ruimte zouden krijgen om goedbetaalde en hooggekwalificeerde arbeidsmigranten aan te trekken. Ook wil de coalitie de arbeidsdeelname van statushouders versnellen door startbanen uit te breiden, werken tijdens de inburgering te stimuleren en het erkennen van eerder verworven vaardigheden door middel van Ervaringscertificaten gemakkelijker te maken.

AOW en pensioen

De coalitiepartijen implementeren het Pensioenakkoord. Daarbij beperken zij de komende zes jaar de fiscale ondersteuning voor de pensioenopbouw van de hoogste inkomens, door bevriezing van het maximuminkomen voor pensioenopbouw. Deze aftoppingsgrens bedraagt nu 137.800 euro. Ook is het plan om vanaf 2033 de AOW-leeftijd één-op-één te koppelen aan de levensverwachting, in plaats van de huidige afspraken uit het Pensioenakkoord, waarbij de AOW-leeftijd acht maanden stijgt voor ieder jaar dat de levensverwachting toeneemt.

Verdienvermogen

De coalitie heeft de economische groeidoelstelling van gemiddeld 1,5% per jaar overgenomen uit het Rapport Wennink en geeft aan bij te sturen wanneer deze doelstelling niet wordt gehaald. De coalitie onderkent tevens dat innovatie een belangrijke pijler is onder het toekomstige verdienvermogen van de Nederlandse economie en committeert zich aan de doelstelling om 3% van het bbp te investeren in Research & Development (R&D). Veel maatregelen in het coalitieakkoord om de productiviteitsgroei te versnellen, betreffen continuering van reeds ingezet beleid. Voorbeelden hiervan zijn de reductie en het schrappen van wet- en regelgeving (minimaal 500 regels per jaar), vereenvoudiging van vergunningsverlening en het uitvoeren van een nieuw strategisch industriebeleid met vier domeinen die maatschappelijk en economisch van belang worden geacht. Dit zijn:

  1. AI en digitalisering
  2. energie- en klimaattechnologie
  3. veiligheid en weerbaarheid
  4. life sciences en biotechnologie

Verder wil de coalitie regelingen behouden waarover in het verleden discussie is geweest, zoals de expatregeling, de innovatiebox, de bedrijfsopvolgingsregeling, deelnemingsvrijstelling en de WBSO.

Om de economische doelstellingen te halen stelt de coalitie onder meer de volgende extra maatregelen voor:

    750 miljoen euro aan extra investeringen in infrastructuur in 2028 en 2029 een incidentele kapitaalimpuls van 3 tot 5 miljard euro voor een nieuwe nationale investeringsinstelling 500 miljoen euro extra voor het oprichten van een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), vergelijkbaar met het DARPA-model uit de VS 100 miljoen euro structureel per jaar voor de stimulering van innovatie op regionale campussen 1 miljard euro extra aan onderwijsinvesteringen, oplopend naar 1,5 miljard euro structureel. Dit betreft vooral het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het vorige kabinet.

Het is de vraag of de nieuwe maatregelen voldoende zijn om het groeidoel van gemiddeld 1,5% per jaar te halen (tot 2035). Eerdere berekeningen van RaboResearch laten zien dat daarvoor een totale private en publieke investeringsimpuls van 19 miljard euro per jaar nodig is, verdeeld over de posten onderwijs (4,7 miljard), privaat R&D (5,2 miljard), publiek R&D (2,2 miljard) en kapitaalgoederen (6,7 miljard, exclusief woninginvesteringen). De kabinetsplannen in de publieke sfeer zijn lager dan de hierboven genoemde impulsen en zijn bovendien grotendeels incidenteel van aard. Vooral het incidentele karakter van de investeringen zorgt ervoor dat de economie na een kortstondig hogere groei weer terugzakt naar het oorspronkelijke groeipad. Met andere woorden: een structureel hoger welvaartsniveau kan niet worden bereikt met incidenteel hogere investeringen.

Een groot vraagteken is hoeveel extra private investeringen de coalitieplannen weten uit te lokken via randvoorwaardelijk beleid en de nationale investeringsinstelling. De coalitie heeft plannen om Nederland van het stikstofslot te halen, de netcongestie aan te pakken en steviger regie te voeren op het verdelen van schaarse ruimte. Verder kan via een nationale investeringsbank in theorie met relatief beperkte publieke middelen, buiten de reguliere begroting om, extra privaat kapitaal worden aangetrokken ten behoeve van investeringen in maatschappelijke doelen, zoals defensie, innovatie en infrastructuur. Het succes van de instelling zal afhangen van de uiteindelijke vormgeving. Op voorhand bestaat het risico dat eventuele verliezen op projecten wel via de reguliere begroting zullen moeten worden afgeboekt. Ook is het de vraag hoe zo’n instelling maatschappelijk projecten kan financieren en tegelijkertijd marktconform kan opereren.

Defensie-uitgaven

De coalitie stimuleert niet alleen algemene investeringen in de economie, maar zet ook in op fors hogere defensie-uitgaven. Afhankelijk van de uitvoering kunnen deze uitgaven extra economische groei opleveren. Hoe verhoudt het coalitieakkoord zich tot deze uitvoering?

    Duidelijke leveringsafspraken: de coalitie benoemt dit niet. Europees oormerken: de coalitie doet hier concrete voorstellen voor, zoals het streven naar 50% inkopen bij Europese ondernemers. Afstemming op nationale economische situatie: de coalitie noemt kapitaalintensieve (industriële) productie binnen Nederland en meer defensiepersoneel. Dit laatste kan met de krappe Nederlandse arbeidsmarkt leiden tot (grotere) arbeidskrapte in andere sectoren. Wel zet de coalitie met het oprichten van het NADI in op het stimuleren van defensie-R&D, waarvan de economische baten, op termijn en bij voldoende massa, zeer hoog kunnen uitpakken. Schaalvoordelen benutten binnen Europa: de coalitie geeft aan 40% van de uitgaven en productie gezamenlijk met Europese partners te willen doen. Ondersteunend fiscaal en monetair beleid: de coalitie dekt de extra uitgaven binnen de begroting door ombuigingen en lastenverzwaringen op andere terreinen. Dit vermindert naar verwachting de economische effecten, zeker op de korte termijn.

De plannen van de coalitie zijn dus deels in lijn met de voorwaarden, waardoor de plannen – als ze in deze vorm worden uitgevoerd – beperkte groei-effecten kunnen hebben.

Koopkracht van huishoudens

Op dit moment is er nog geen doorrekening van de koopkrachteffecten van het coalitieakkoord. Wel bevat het akkoord veel maatregelen die het besteedbaar inkomen direct of indirect raken. Door schijven en heffingskortingen beperkter te corrigeren voor inflatie wordt onder de noemer ‘vrijheidsbijdrage’ in 2027 1,5 miljard euro opgehaald en vanaf 2028 3,4 miljard euro. Ook krijgen minder mensen zorgtoeslag, omdat de daarvoor geldende vermogensgrenzen dalen. De voorgestelde verhoging van het eigen risico verhoogt bovendien de private zorguitgaven. Tegenover de lagere zorgpremies komt een even zo grote lastenverzwaring voor burgers en bedrijven, zodat het kabinet hierdoor per saldo ruim 5 miljard euro per jaar overhoudt.

Gezinnen profiteren doordat de kinderbijslag en het kindgebonden budget samen één regeling gaan vormen met een hoger vast bedrag. Daarnaast investeert het kabinet structureel 150 miljoen euro in de aanpak van armoede en schulden en het noodfonds energie blijft bestaan.

Verder neemt de coalitie maatregelen die doorwerken in de inflatie: het btw‑tarief op sierteelt stijgt naar 21%, en vanaf 2030 komt er een suikertaks waardoor producten met veel suiker duurder worden. De verlenging van de huidige accijnskorting op benzine tot en met 2027 remt juist de inflatie in dat jaar.

Voor de langere termijn streeft de coalitie – net als enkele van haar voorgangers – naar een herziening van het belasting- en toeslagenstelsel. Er worden alvast enkele kleine vereenvoudigingen doorgevoerd, maar een concrete hervormingsagenda is pas voorzien voor later dit jaar.

Energie en klimaat

De coalitie stelt netto 55% minder broeikasgasuitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 als doel van het energie- en klimaatbeleid. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schat de kans daarop op minder dan 5% bij het huidige beleid. De coalitie constateert dat het lastig wordt om het streefdoel te behalen, gezien zij het beleid van het kabinet Schoof grotendeels voortzet.

Zo zet de coalitie ook in op vier nieuwe kerncentrales en wordt de nationale CO2-heffing voor de industrie afgeschaft. Ook wil de coalitie blijven inzetten op maatwerkafspraken, maar de effectiviteit daarvan is onzeker. Er komt geen extra geld voor de verduurzaming van woningen en er wordt geen extra geld uitgetrokken voor warmtenetten, terwijl de coalitie hier “vol op wil blijven inzetten”. Daarmee is het de vraag of zij de zeer stroef lopende aanleg van nieuwe warmtenetten in bestaande woonwijken kan versnellen. Wel lijkt het budget behouden dat het kabinet Schoof al heeft gereserveerd voor de beoogde Nationale Deelneming Warmte. Dit geldt ook voor het budget voor de plannen rondom CO2-opslag en waterstof.

Er komt meer compensatie voor de relatief hoge elektriciteitsrekening van de industrie. Ook komen er nieuwe openstellingsrondes van de SDE++ (een subsidiemaatregel voor CO2-reductie, bijvoorbeeld via de opwekking van hernieuwbare energie) en wordt er ingezet op een nieuwe subsidiemaatregel (Contracts for Difference) om de ontwikkeling van wind op zee te stimuleren. Voor deze zaken maakt de coalitie structureel (meer) geld vrij.

Daarnaast heeft de coalitie nog een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd. Zo wil ze een capaciteitsmechanisme voor de elektriciteitsmarkt om de leveringszekerheid te garanderen. Ook wil ze per 2029 de uitrol van slimme, hybride warmtepompen stimuleren en normeren. Hoe deze normering er precies uit komt te zien, is nog niet bekend. Verder stelt de coalitie – in navolging van Europees beleid – dat verhuurders van woningen energielabels C en D per 2040 moeten uitfaseren.

Wat minder concreet zijn de plannen rondom het oplossen van de steeds groter wordende netcongestieproblematiek. Zo moet er een Crisiswet Netcongestie komen die de procedures voor vergunningen versnelt. Ook wil de coalitie dat de beschikbare netcapaciteit beter wordt benut, onder meer door prikkels in de nettarieven, flexcontracten en energiehubs. Een groot probleem hierbij is dat netbeheerders moeite hebben om dergelijke projecten (op tijd) uit te rollen, omdat ze nu erg druk zijn met de energietransitie.

Daarmee lijkt er op het gebied van energie en klimaat niet veel te veranderen. De rechterlijke uitspraak van 28 januari jongstleden verandert dit mogelijk. Daarin wordt de Nederlandse overheid opgedragen binnen achttien maanden met nieuwe, bindende doelen voor 2030 te komen die in lijn liggen met het Parijs-akkoord.

Stikstofaanpak

Het coalitieakkoord borduurt voort op het regeerakkoord van het laatste kabinet Rutte en bevat eveneens een aantal punten van kabinet Schoof.

Een generieke reductie van de stikstofuitstoot staat voorop, in combinatie met een gebiedsgerichte aanpak voor een aanvullende reductie van de uitstoot. Daarbij komen er plafonds per sector (inclusief die voor kalveren en geiten) voor de uitstoot van ammoniak, die zo snel mogelijk naar het bedrijfsniveau worden vertaald. Het vorige kabinet streefde ernaar deze bedrijfsspecifieke doelen in 2026 vast te stellen, maar het nieuwe kabinet legt zich niet vast op een datum.

Als de doelen in 2030 en 2035 niet worden gehaald, komen er aanvullende maatregelen. En de coalitiepartijen sluiten daarbij een verplichte krimp van de veestapel niet uit. De toonzetting is daarmee dwingender dan bij het vorige kabinet. Daar staat tegenover dat het stikstoffonds terugkeert. Dit fonds moet ondernemers compenseren voor extra kosten/afwaardering activa en eventuele beëindiging van het bedrijf. Het vorige kabinet had het stikstoffonds juist laten vallen.

Aanvullend wil het kabinet een ‘eenvoudige’ grondgebondenheidsnorm invoeren om kringlopen per bedrijf en gebied beter te sluiten. Hoewel niet expliciet vermeld, raakt dit waarschijnlijk alleen de melkveehouderij en dan name de intensieve melkveebedrijven. Bedrijven die via doelsturing aantonen kringlopen te kunnen sluiten, zijn uitgezonderd van deze norm. Grondgebondenheid was geen onderdeel van het kabinetsbeleid tot nu toe.

Het lijkt eveneens dat dit kabinet net als het vorige kabinet een omslag wil naar een beleid dat stuurt op emissies in plaats van deposities, waar mogelijk via een doelenbeleid. De coalitie wil de kritische depositiewaarde (KDW) zo snel mogelijk vervangen door een alternatief en hogere drempelwaardes invoeren om kleine uitstoters van ammoniak (bijvoorbeeld PAS-melders) te ontzien in het stikstofbeleid. Daarnaast moet er een nieuwe vergunningensystematiek komen, gebaseerd op doelvoorschriften die natuurvergunningen (NB-vergunningen) vervangen. De uitstoot moet een duidelijk dalende tendens laten zien, voordat dergelijke wijzigingen juridisch houdbaar zullen blijken. De vraag is of dit al binnen deze kabinetsperiode in gang kan worden gezet.

Brede welvaart

Economische groei is een van de belangrijkste missies van de coalitie. De coalitie noemt brede welvaart nauwelijks en ziet dit niet expliciet als beleidsdoel of toetsingskader. Daar waar over (toekomstige) welvaart wordt gesproken, gaat het vooral over financiële welvaart. Om onze welvaart te behouden, zijn volgens het akkoord bijvoorbeeld een sterke economie, gezonde overheidsfinanciën, ruimte om te ondernemen, verdienvermogen, innovatie en investeringen nodig. Dit neemt niet weg dat de coalitie oog heeft voor elementen van brede welvaart. Zo staat in het akkoord dat economische groei nodig is om bijvoorbeeld de zorg, de sociale zekerheid, het onderwijs en de veiligheid te kunnen blijven betalen.

Ook stelt de coalitie maatregelen voor op een aantal grote beleidsthema’s die overeenkomen met welvaartsdimensies. Zoals hiervoor besproken hebben die betrekking op de woningmarkt, veiligheid en defensie, de arbeidsmarkt, gezondheid, energie en klimaat en verdienvermogen. Dit zijn deels welvaartsdimensies die de afgelopen jaren verslechterden, vooral huisvesting, veiligheid en gezondheid.

Brede welvaart gaat echter niet alleen over het besef dat het welzijn van mensen niet enkel afhangt van financiële welvaart en dat zaken als geschikte huisvesting, gezondheid, veiligheid en sociale contacten ook meetellen. Brede welvaart is ook een integrale benadering van al deze dimensies. Ze hangen met elkaar samen, kunnen elkaar versterken, maar ook met elkaar conflicteren. Die samenhang lezen we niet terug in het coalitieakkoord. Aangezien voor de besluitvorming steun nodig is van partijen buiten de coalitie in zowel de Tweede als de Eerste Kamer, is het ook onzeker of in de uitvoering van de plannen oog is voor een integrale benadering van brede welvaart.

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder