Onderzoek
Bijna de helft van de Nederlanders besteedt tenminste één maandinkomen aan vakantie; 6% meer dan twee
Bijna de helft van de Nederlanders besteedde afgelopen twaalf maanden een volledig netto maandinkomen of meer aan vakantie, blijkt uit een enquête onder 1.849 mensen. Gemiddeld liggen hun vakantie-uitgaven rond de 0,9 maandinkomens. Ruim acht op de tien Nederlanders ging afgelopen twaalf maanden dan ook op vakantie, en ruim zeven op de tien ging twee keer of vaker op reis.

In het kort
In mei krijgt een deel van de Nederlanders vakantiegeld. Jaarlijkse onderzoeken laten zien dat veel mensen dit geld niet aan vakanties of reizen besteden, maar het een andere bestemming geven. Zo liet een peiling vorig jaar zien dat 37% van de Nederlanders het vakantiegeld gebruikt voor vakantie of uitjes. In een andere peiling was dat 23%, en in een derde peiling zei 12,5% het vakantiegeld volledig aan vakantie(voorbereiding) te besteden. De meeste Nederlanders zouden het vakantiegeld volgens deze berichten op hun spaarrekening zetten, gebruiken om schulden af te lossen of uitgeven aan andere zaken.
Wij vermoeden dat achter dit soort cijfers vooral een timing-verschil schuilgaat tussen de uitbetaling van het vakantiegeld in mei en het moment dat mensen een vakantie boeken en daadwerkelijk op reis gaan (zie Box 1). In deze publicatie onderzoeken we hoeveel Nederlanders op vakantie gaan, en hoe vaak. En we kijken hoeveel geld ze uitgeven aan vakanties ten opzichte van hun maandinkomen. Dat laat beter zien of het vakantiegeld uiteindelijk wel of niet ‘opgaat’ aan vakanties. Het vakantiegeld is immers 8% van het bruto inkomen, oftewel bijna één maandinkomen.
Tot slot onderzoeken we welke keuzes Nederlanders zouden maken als hun vakantiebudget groter of kleiner zou zijn. We doen dit met een enquête onder 1.849 Nederlanders tussen de 18 en 80 jaar gehouden in november 2025.
Box 1: Vakantiegeld staat in de praktijk vaak los van vakantie-uitgaven
Eind jaren zestig is wettelijk vastgelegd dat werknemers vakantiegeld krijgen, een jaarlijkse uitkering bovenop het reguliere loon. Naast betaald verlof, wat eerder vorige eeuw al werd ingevoerd, moest het vakantiegeld ervoor zorgen dat werknemers ook financiële ruimte hebben om op reis te gaan. Ook niet-werkenden, zoals gepensioneerden of Nederlanders met een uitkering, krijgen vakantiegeld.
Maar voor veel Nederlanders is het vakantiegeld in de praktijk losgekoppeld van de vakantie-uitgaven. Anno 2026 ontvangt namelijk lang niet iedereen het vakantiegeld eenmalig in mei. Steeds meer werkgevers bieden hun werknemers aan om het vakantiegeld maandelijks uit te keren, opgeteld bij hun reguliere loon. Daarnaast is bijna één op de zes werkenden zelfstandig ondernemer. Zij zijn niet verplicht om zichzelf vakantiegeld uit te keren. Voor de groeiende groep gepensioneerden in Nederland geldt bovendien dat hun AOW-uitkering wél vakantiegeld betaalt in mei, maar hun aanvullend pensioen meestal niet. Bijna alle grote pensioenfondsen, zoals het ABP, verrekenen het vakantiegeld in de reguliere maandelijkse uitkering.
Tot slot besteden Nederlanders hun vakantiebudget ook niet per se in mei of juni. Zo wordt het leeuwendeel van de reizen in andere maanden geboekt. En die trips zijn over het hele jaar verspreid, mede doordat veel Nederlanders meer dan eens per jaar op vakantie gaan. Daardoor kunnen ook de kosten op de vakantiebestemming (soms ver) vóór of na het krijgen van het eventuele vakantiegeld zijn.
Figuur 1: Jongeren vaker op lange vakantie dan ouderen

Vier op de vijf Nederlanders van plan om op vakantie te gaan
Voor een groot deel van de Nederlanders is op vakantie gaan een gebruikelijk onderdeel van het leven. Ongeveer 80% van de 18- tot en met 80-jarigen is namelijk van plan om de komende twaalf maanden op vakantie te gaan, en in de twaalf maanden voorafgaand aan onze enquête is 83% tenminste één keer op vakantie geweest in binnen- of buitenland. Dit kan gaan om een korte vakantie van maximaal vier dagen, of een lange vakantie van vijf dagen of meer.
Een groot deel van de Nederlanders is in de voorbije twaalf maanden ook meer dan eens op reis geweest. Zo ging 45% van de Nederlanders twee keer of vaker op lange vakantie. En 41% maakte twee of meer korte trips. Korte en lange vakanties bij elkaar opgeteld, ging bijna 71% van de Nederlanders tenminste twee keer weg.
Jongere Nederlanders trekken er gemiddeld vaker op uit dan oudere Nederlanders (zie figuur 1). Van de 18- tot en met 29-jarigen maakte bijvoorbeeld 57% twee keer of vaker een lange reis, tegenover 42% van de veertigers en 36% van de 70- tot en met 80-jarigen. In een eerdere studie zagen we ook dat jongvolwassenen meer geluk en ontspanning beleven aan vakanties dan oudere Nederlanders.
Figuur 2: Hoe hoger het inkomen, hoe hoger de vakantieparticipatie

Of je op vakantie gaat, hangt daarnaast samen met het inkomen: hoe hoger het netto huishoudinkomen, hoe groter de kans dat mensen een lange vakantie hebben gemaakt (zie figuur 2). Maar in alle inkomensgroepen is het merendeel tenminste één keer 5 dagen of meer op vakantie geweest in de afgelopen 12 maanden. Ook van de Nederlanders die aangeven dat ze precies kunnen rondkomen, is 70% op lange vakantie geweest, en heeft 63% een korte trip gemaakt. Bij elkaar is 76% van degenen die precies kunnen rondkomen op een korte óf lange vakantie geweest.
Daarnaast zien we dat Nederlanders die alleen wonen vaker niet op vakantie gaan dan degenen die met partner en/of kinderen wonen (zie figuur 3). De hierboven beschreven verschillen gaan deels over dezelfde groepen. Zo zijn Nederlanders met een lager huishoudinkomen vaker alleenstaand.
Figuur 3: Alleenwonenden gaan vaker niet op vakantie

49% geeft tenminste één maandinkomen uit aan vakantie
In ons onderzoek hebben we gevraagd wat 18- tot en met 80-jarigen in de voorgaande twaalf maanden naar schatting hebben uitgegeven aan vakantie, ten opzichte van het netto maandinkomen van het huishouden. Het vakantiegeld is namelijk 8% van het bruto jaarinkomen, bijna één maandinkomen. Door de manier waarop de belastingen werken, valt het vakantiegeld netto lager uit dan het reguliere maandinkomen. Eén maandinkomen is daardoor dus meer dan het wettelijke vakantiegeld. Dit geldt nog sterker voor respondenten die het vakantiegeld maandelijks krijgen uitgekeerd, omdat hun maandinkomen daardoor hoger is.
Gemiddeld genomen geven Nederlanders 0,9 netto maandinkomens uit aan vakantie, blijkt uit onze resultaten (zie onderzoeksverantwoording). Maar de verschillen zijn groot (zie figuur 4). Zo geeft 33% niks tot minder dan een half maandinkomen uit, terwijl 15% meer dan anderhalf keer het maandelijks huishoudinkomen besteedt aan vakantie. Degenen die de afgelopen twaalf maanden zijn weggeweest, gaven gemiddeld 1,1 netto maandinkomens uit.
Figuur 4: Vakantie-uitgaven verschillen sterk

Bij elkaar geeft 51% van alle 18- tot en met 80-jarigen minder dan 1 netto maandinkomen uit; 49% geeft 1 maandinkomen of meer uit. Deze cijfers laten zien dat het aandeel Nederlanders waarbij het eventuele vakantiegeld – of een bedrag ongeveer ter waarde daarvan – uiteindelijk ‘op gaat’ aan vakanties en reizen groter is dan sommige peilingen doen vermoeden. Ook al geven ze het vakantiegeld misschien niet daags na het ontvangen ervan uit aan vakantie, en zetten ze het bijvoorbeeld eerst op een spaarrekening of gebruiken het voor een dringender uitgave. Het aandeel Nederlanders dat het eventuele vakantiegeld opmaakt aan vakantie is in werkelijkheid vermoedelijk nog iets groter, omdat één netto maandinkomen hoger is dan het netto vakantiegeld.
In de donkerblauwe balken in figuur 5 is te zien dat mensen met hogere inkomens meer van hun maandinkomen uitgeven aan vakantie dan lagere inkomens. In euro’s zijn de verschillen in vakantiebestedingen groter, omdat hun inkomen in absolute euro’s ook hoger is.
Figuur 5: Vakantie-uitgaven afgezet tegen netto maandinkomen van huishoudens

Omdat vakantie-uitgaven samenhangen met hoe vaak iemand op vakantie is geweest, hebben we ook analyses gedaan waarbij we rekening houden met de vakantie-frequentie. Dat is in de lichtblauwe balken te zien. De verschillen tussen inkomensgroepen zijn dan kleiner. Dit wijst erop dat een deel van de verschillen tussen inkomensgroepen wordt verklaard doordat hogere inkomens vaker op vakantie gaan (zoals ook al te zien is in figuur 2). Maar zoals blijkt uit figuur 5, verklaart dat niet het volledige verschil. Nederlanders met een hoger inkomen gaan dus niet alleen vaker op vakantie, zij geven per vakantie vermoedelijk ook meer geld uit (bijvoorbeeld door langer of luxer te reizen, of door op hun vakantiebestemming meer uit te geven).
Figuur 6: Vakantie-uitgaven afgezet tegen leeftijd

De verschillen tussen groepen van verschillende leeftijden zijn kleiner (zie figuur 6). Wel zien we dat twintigers en dertigers ongeveer 1 maandinkomen uitgeven aan vakantie/reizen, terwijl 50-plussers fors minder uitgeven ten opzichte van hun inkomen. Ook hier lijkt frequentie een rol te spelen in de uitgaven: jongeren gaan namelijk vaker; ouderen minder vaak op vakantie. Corrigeren we daarvoor, dan liggen de vakantie-uitgaven ten opzichte van het inkomen dicht bij elkaar.
Bij huishoudsamenstelling (figuur 7) valt op dat Nederlanders die alleen wonen beduidend minder uitgeven aan vakantie dan de andere groepen. Hierbij geldt opnieuw dat dit voor een deel lijkt te komen doordat zij ook minder vaak op reis gaan. Maar dit verklaart niet het volledige verschil. Wat hier kan meespelen is dat zij geen uitgaven hoeven doen voor anderen dan zichzelf, zoals voor kinderen.
Figuur 7: Vakantie-uitgaven afgezet tegen huishoudsituatie

Wat als je meer mag uitgeven, en wat als je moet besparen?
Tot slot hebben we respondenten die van plan zijn om komende twaalf maanden op vakantie te gaan, gevraagd wat zij zouden doen als hun vakantiebudget zou verdubbelen of zou halveren (zie figuur 8). Zou het verdubbelen, dan noemen 18- tot en met 80-jarigen met vakantieplannen het vaakst dat ze langer en vaker op vakantie zouden gaan. Bij een halvering van het vakantiebudget zijn de twee meest genoemde bespaaropties een goedkopere bestemming en minder vaak op vakantie gaan.
Figuur 8: Strategie bij groter of kleiner vakantiebudget

Appendix A: aanvullende figuren en grafieken
Figuur A1: Frequentie korte vakanties afgezet tegen inkomen

Figuur A2: Frequentie korte vakanties afgezet tegen leeftijd

Figuur A3: Frequentie korte vakanties afgezet tegen huishoudsituatie

Appendix B: Onderzoeksverantwoording
De enquête is in november 2025 gehouden onder 1.849 Nederlanders van 18 tot en met 80 jaar oud. Na een kruislingse weging is de steekproef representatief voor leeftijd, geslacht en opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking. De kleinste weegfactor die we hebben gebruikt is 0,50 en de grootste 2,66.
Voor de analyse van hoeveel 18- tot en met 80-jarigen afgelopen twaalf maanden hebben uitgegeven aan vakantie/reizen ten opzichte van hun (normale) netto maandinkomen hebben we aangenomen dat iedere respondent die heeft gezegd dat hij/zij in de afgelopen twaalf maanden niet op vakantie is geweest 0 keer het maandinkomen heeft uitgegeven aan vakantie/reizen.
Iets meer dan 10% van alle respondenten is in de afgelopen twaalf maanden wel op vakantie geweest, maar vinkte op de vraag hoeveel zij naar schatting aan vakanties en reizen hebben uitgegeven de optie ‘weet niet/geen antwoord’ aan. Deze respondenten hebben we met meervoudige imputatie alsnog ingedeeld in één van de antwoordcategorieën. Dit hebben we gedaan op basis van een statistisch model dat schat hoeveel iemand heeft uitgegeven aan vakanties op basis van hoe vaak iemand in de afgelopen twaalf maanden op vakantie is geweest, hoeveel geluk en ontspanning de respondent zegt te ontlenen aan vakantie, wat zijn/haar leeftijd, gezinssamenstelling en opleidingsniveau is, hoe makkelijk het huishouden kan rondkomen en hoe hoog het huishoudinkomen en spaargeld is.
Bij het bepalen van de gemiddelde vakantie-uitgaven ten opzichte van het inkomen hebben we de categorische variabele omgezet naar een getal. Te weten:
Deze laatste waarde hebben we gebaseerd op truncation bij een lognormale verdeling.


