Onderzoek
Wanneer geven consumenten echt meer geld uit?
De hoofdindex van het consumentenvertrouwen kan de Nederlandse consumptie niet goed inschatten. De ontwikkeling van de deelindicator ‘een gunstige tijd voor grote aankopen’ is een betere voorspeller voor de daadwerkelijke uitgaven van huishoudens. In deze publicatie geven we aan wat dit betekent voor ondernemers.

Sinds de start van het conflict in het Midden-Oosten is het consumentenvertrouwen flink gedaald. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde in april 2026 zelfs de op een na grootste daling van het consumentenvertrouwen in Nederland ooit gemeten. Alleen bij de start van de coronapandemie was de terugval groter. Veel mensen denken dat het consumentenvertrouwen veel zegt over hoeveel consumenten gaan uitgeven. Die gedachte is logisch: als mensen positief zijn, geven ze makkelijker geld uit. Zijn ze somberder, dan houden ze de hand eerder op de knip.
Toch laat onze recente analyse zien dat het algemene consumentenvertrouwen in de praktijk geen goede voorspeller is van de bestedingen van consumenten. Juist in een periode waarin het sentiment zo snel verslechtert en nog nooit zo lang onafgebroken negatief is geweest, is de belangrijkere vraag daarom: welk onderdeel van het consumentenvertrouwen zegt dan wél iets over de uitgaven van huishoudens?
Niet elk signaal zegt evenveel
Het consumentenvertrouwen bestaat uit verschillende onderdelen. Onze analyse laat zien dat niet alle onderdelen even bruikbaar zijn om de consumptie te voorspellen. Vooral één indicator valt op: ‘Gunstige tijd voor grote aankopen’. Juist deze indicator blijkt het sterkst samen te hangen met wat consumenten daadwerkelijk uitgeven.
Het algemene consumentenvertrouwen zegt dus maar beperkt iets over de bestedingen van consumenten. Dat geldt ook voor de deelindicatoren ‘Economische situatie laatste 12 maanden’, ‘Economische situatie komende 12 maanden’, ‘Financiële situatie laatste 12 maanden’ en de ‘Financiële situatie komende 12 maanden’.
De indicator ‘Gunstige tijd voor grote aankopen’ heeft wél een duidelijke samenhang met de daadwerkelijke uitgaven. Als deze indicator met tien punten daalt, neemt de consumptie gemiddeld met ongeveer 0,1 procentpunt af. Dat lijkt misschien beperkt, maar het is op macroniveau wel een relevant signaal. Daarbij is het belangrijk om consumptie en omzet niet met elkaar te verwarren: een daling van 0,1 procentpunt in consumptie vertaalt zich niet één op één in de omzetontwikkeling van een winkel. De impact op de omzet kan groter of juist kleiner zijn, afhankelijk van factoren zoals prijsontwikkeling, de waardepropositie en marktomstandigheden, bijvoorbeeld de mate van concurrentie. Vooral in sectoren waarin consumenten grote aankopen kunnen uitstellen, kan zo’n verandering merkbaar zijn.
Waarom deze indicator belangrijker is
De verklaring is vrij eenvoudig. De indicator ‘Gunstige tijd voor grote aankopen’ zegt iets over de vraag of huishoudens dit een goed moment vinden om geld uit te geven aan grotere aankopen. Daarmee staat hij ook qua vraagstelling dichter bij echt koopgedrag dan andere onderdelen van het consumentenvertrouwen.
Andere onderdelen, zoals verwachtingen over de economie of de eigen financiële situatie, zijn minder direct. Ze gaan meer over hoe mensen naar de toekomst kijken, maar zeggen minder over wat zij op dit moment daadwerkelijk kopen. Sommige onderdelen zijn bovendien vooral gericht op de afgelopen periode en hebben daardoor weinig voorspellende waarde.
Doordat het totaalcijfer van het consumentenvertrouwen al deze signalen samenvoegt, wordt het als geheel minder bruikbaar om consumptie te voorspellen.
Voor welke uitgaven maakt dit vooral uit?
Niet alle uitgaven reageren even sterk op veranderingen in sentiment. Vooral de consumptie van duurzame goederen neemt af wanneer consumenten aangeven dat ze het geen gunstige tijd vinden voor grote aankopen. Denk aan meubels, elektronica, kleding en andere grotere aankopen die consumenten kunnen uitstellen als ze twijfelen over het juiste moment om geld uit te geven.
Binnen de categorie duurzame goederen zijn er bovendien duidelijke verschillen. Zo lijkt de aankoop van kleding gevoeliger te zijn voor veranderingen in het consumentensentiment dan de aankoop van goederen in de categorie woninginrichting, zoals meubels, bedden en gereedschap. Een mogelijke verklaring is dat consumenten in onzekere tijden minder geneigd zijn om ‘voor de leuk’ te winkelen en kritischer kijken naar wat echt nodig is. Een versleten trui kan vaak nog even mee of worden vervangen door iets wat al in de kast ligt, maar een defecte wasmachine moet uiteindelijk toch worden vervangen.
Uitgaven aan voedingsmiddelen, energie en basisdiensten zijn veel minder gevoelig voor dit soort sentiment. Dit zijn noodzakelijke uitgaven die meestal doorgaan, ook als consumenten minder positief zijn. Ze moeten immers gewoon eten, wassen en verwarmen.
Wat betekent dit voor de detail- en groothandel?
Voor ondernemers in de detail- en groothandel is dit een belangrijk inzicht. Wie de ontwikkeling van de consumentenvraag wil volgen, heeft aan het algemene consumentenvertrouwen alleen niet genoeg. Vooral de indicator ‘Gunstige tijd voor grote aankopen’ geeft een bruikbaarder vroeg signaal.
Voor sectoren die afhankelijk zijn van duurzame goederen is dat extra relevant, vooral wanneer aankopen uitstelbaar zijn. Het gaat dan minder om de vraag óf consumenten blijven besteden, en meer om waar zij hun geld nog wel of juist nog niet aan uitgeven. Een middag kleding shoppen zullen ze dan mogelijk eerder als niet noodzakelijk zien en daarom uitstellen. Tegelijkertijd zullen ze nieuw gereedschap toch aanschaffen omdat het nodig is voor bijvoorbeeld een reparatie.
Als consumenten de aankoop van duurzame goederen uitstellen, werkt dat vaak ook snel door in de keten. Winkels zien de vraag afzwakken en kopen vervolgens voorzichtiger in. Dit kan voor groothandels merkbaar zijn in de orderontwikkeling en het voorraadrisico vergroten. Waar retailers normaal gesproken een groot deel van het voorraadrisico dragen, kan bij afzwakkende vraag juist meer risico verschuiven naar de groothandel, doordat retailers kleiner inkopen en sterker inzetten op flexibel kunnen nabestellen.
Strategisch betekent dit dat retailers en groothandels nog scherper moeten kijken naar hun assortiment en propositie. Categorieën met een hoge vervangingsnoodzaak blijven waarschijnlijk relatief stabieler dan aankopen die consumenten gemakkelijk kunnen uitstellen. In inkoop kan dat vragen om meer flexibiliteit, bijvoorbeeld door terughoudender te plannen op uitstelgevoelige categorieën en juist scherper te sturen op omloopsnelheid, nabestelbaarheid en voorraadrisico. In marketing wordt het belangrijker om consumenten duidelijk te maken waarom een aankoop juist nu waardevol is. Daarbij kan een sterke prijs-kwaliteitverhouding aan belang winnen, zeker wanneer consumenten kritischer worden op grote uitgaven. Dat biedt ook kansen voor huismerken en onderscheidende proposities die sterk zijn op ‘value for money’.
Kortom: wie de consumentenvraag in retail en groothandel wil duiden, heeft aan het algemene consumentenvertrouwen alleen niet genoeg. Vooral de vraag of consumenten dit een gunstig moment vinden voor grote aankopen geeft een bruikbaarder signaal voor wat er in de praktijk kan gebeuren. Juist in categorieën met uitstelbare aankopen helpt deze indicator om scherper te kijken naar assortiment, inkoop, marketing en propositie. Dit maakt het mogelijk om eerder bij te sturen op voorraadrisico, beter in te spelen op value for money en onderscheidender te worden in een markt waarin consumenten kritischer afwegen waar en waaraan zij hun geld uitgeven.
