Onderzoek

Een hoger minimumjeugdloon vanaf 2027, wat is de impact?

6 augustus 2026 7:00 RaboResearch

Op 1 januari 2027 gaat het minimumjeugdloon omhoog. Dat heeft gevolgen voor de loonkosten van de sectoren waarin veel jongeren werken, al verschilt de impact per sector. Ondernemers hebben verschillende opties om met de veranderingen om te gaan. We verwachten niet dat de jeugdwerkloosheid hierdoor sterk zal stijgen.

Intro

Samenvatting

    Het minimumjeugdloon geldt voor jongeren van 15 tot en met 20 jaar en gaat vanaf 1 januari 2027 omhoog. Voor 17- tot en met 19-jarigen stijgt het minimumuurloon het meest; met 25% of meer. In Nederland is de arbeidsparticipatie van jongeren uitzonderlijk hoog. De meeste jongeren werken in de horeca en de handel. De jeugdlonen in de horeca liggen al boven het nieuwe minimum; in de handel niet. Vooral in de handel is daarom het verwachte effect op de loonkosten groot. Ondernemers kunnen de loonkostenstijging beperken, bijvoorbeeld door te automatiseren of personeel anders in te zetten. We verwachten geen sterke toename van de jeugdwerkloosheid, maar mogelijk stijgen de prijzen in winkels en horeca wel.

Het minimumjeugdloon geldt voor werknemers van 15 tot en met 20 jaar. Vanaf 21 jaar geldt het reguliere wettelijk minimumloon. Het minimumjeugdloon is in Nederland ingevoerd in 1974, vijf jaar na de invoering van het reguliere wettelijk minimumloon. Het verlaagde minimumloon voor jongeren heeft twee doelen:

  1. Jeugdwerkloosheid tegengaan door jongeren aantrekkelijker te maken voor werkgevers.
  2. Voorkomen dat werken voor jongeren zó aantrekkelijk wordt dat zij voortijdig stoppen met school.

Overigens mogen ook 13- en 14-jarigen al betaald werk verrichten, onder strikte voorwaarden.

Per 1 januari 2027 stijgt het minimumjeugdloon sterk. Dit artikel bespreekt waar jongeren werken, wat ze verdienen, en wat de verwachte impact is van de loonsverhoging.

Veel jongeren werken

De arbeidsparticipatie van jongeren tussen de 15 en 25 jaar is hoog in ons land, zowel onder de groep die nog onder het minimumjeugdloon valt als de groep van 21 jaar en ouder (zie figuur 1).

Figuur 1: Meerderheid jongeren heeft (bij)baan

RR-20260724-jeugdloon-fig1
Bron: CBS

Ook in internationaal perspectief is de arbeidsparticipatie van jongeren opvallend hoog: in Nederland werkt 76% van alle jongeren tussen de 15 en 25 jaar, dat is meer dan twee keer het EU-gemiddelde (34,5%). Alleen IJsland komt met 74,8% dichtbij (zie figuur 2).

Figuur 2: Netto-arbeidsparticipatie jongeren: Nederland en IJsland op kop

RR-20260724-jeugdloon-fig2
Noot: Cijfers over 2025, voor de leeftijd 15 tot en met 24 jaar. Bron: Eurostat

Een mogelijke verklaring voor de hoge arbeidsparticipatie van jongeren in Nederland ten opzichte van veel andere Europese landen is het Nederlandse minimumjeugdloon.

De meeste Europese landen kennen geen minimumjeugdloon dat vergelijkbaar is met Nederland. In landen met een minimumloon geldt namelijk doorgaans vanaf 18 jaar het reguliere minimumloon. Dit is het geval in Frankrijk, Duitsland, Spanje en Portugal. EU-landen met een minimumjeugdloon dat ook na de achttiende verjaardag doorloopt zijn naast Nederland alleen Ierland (tot en met 19 jaar) en België (voor studerende jongeren tot en met 20 jaar). In sommige Europese landen is er helemaal geen wettelijk minimumloon maar gelden cao-afspraken, al dan niet met jeugdschalen. Dit is het geval in de Noord-Europese landen en in Italië, Oostenrijk en Zwitserland.

Uit onderzoek blijkt dat leeftijdsgebonden loonkosten invloed hebben op de vraag naar jonge werknemers. Zo laten Kreiner, Reck en Skov (2019) voor Denemarken zien dat de overgang naar het volwassen minimumloon op de achttiende verjaardag gepaard gaat met een sterke daling van de werkgelegenheid. Ook Kabátek (2015) toont voor Nederland aan dat baanbeëindigingen toenemen rond verjaardagen waarop het minimumjeugdloon stijgt. Deze bevindingen suggereren dat werkgevers reageren op leeftijdsgebonden verschillen in loonkosten en dat het jeugdminimumloon daardoor kan bijdragen aan de werkgelegenheid van jongeren.

Leeftijden – wie krijgt wat?

Het Nederlandse minimumjeugdloon wordt vastgesteld als percentage van het reguliere wettelijk minimumloon. Voor een 15-jarige is dit 30% van het wettelijk minimumloon en dit loopt stapsgewijs op tot 80% voor een 20-jarige. Op 1 januari 2027 gaan deze percentages omhoog. Vooral voor jongeren van 17 tot en met 19 is de verhoging fors: hun minimumloon stijgt met (ruim) een kwart. Voor 15-jarigen daarentegen verandert er niets (zie tabel 1):

Tabel 1: Minimumjeugdloon in euro’s per uur en als percentage van regulier wettelijk minimumloon

Minimumjeugdloon in euro’s per uur en als percentage van regulier wettelijk minimumloon
Bron: Rijksoverheid, bewerking RaboResearch 2026

Het nieuwe minimumjeugdloon geldt vanaf 2027 óók voor jongeren die een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende leerweg) volgen. Dit is een mbo-variant waarbij jongeren één of twee dagen per week naar school gaan en drie of vier dagen werken bij een erkend leerbedrijf. Vanwege de begeleiding die deze jongeren op de werkvloer krijgen geldt voor bbl-studenten nu nog een verlaagd minimumjeugdloon. Van de circa 467.000 mbo-studenten volgen er 137.000 de bbl-variant, het merendeel in de techniek en de zorg. Hun minimumloon stijgt dus nog sterker in 2027.

Jongeren werken vooral in handel en horeca

Jongeren zijn vooral werkzaam in de sectoren handel en horeca. Ruim 60% van alle werkende jongeren van 15 tot en met 19 jaar[1] is werkzaam in deze twee sectoren.

In de horeca wordt één op de drie banen ingevuld door een jongere onder de 20 jaar, in de handel is dat één op de vijf (zie figuur 3a). Vooral in de ‘detailhandel food’ – supermarkten en andere winkels voor levensmiddelen – zijn veel jongeren werkzaam, zo blijkt uit het dashboard van Retail Insiders.

[1] Deze cijfers zijn alleen voor 5-jaarsgroepen beschikbaar, daarom is gekozen voor de groep 15 tot 20, dat wil zeggen 15 tot en met 19. De 20-jarigen vallen hier dus buiten. Voor deze groep is de stijging van het minimumjeugdloon overigens relatief beperkt.

Figuur 3a: Leeftijdsopbouw werknemers per sector (% banen)

RR-20260724-jeugdloon-fig3a
Noot: Sectoren met minder dan 20.000 jongeren onder de 20 jaar zijn niet weergegeven. Bron: CBS

Omdat schoolgaande of studerende jongeren doorgaans in deeltijd werken, is hun aandeel in de gewerkte uren echter fors lager. Omgerekend naar voltijdbanen gaat het in de horeca om 19% van het arbeidsvolume en in de handel om 8% (zie figuur 3b).

Figuur 3b: Leeftijdsopbouw werknemers per sector, in fte’s

RR-20260724-jeugdloon-fig3b
Bron: CBS

Jeugdlonen in horeca ruim boven minimum

In de horeca liggen de verdiensten van jongeren hoger dan gemiddeld: 72% van alle 15- tot en met 19-jarigen in de horeca verdiende in 2025 meer dan 130% van het voor hem of haar geldende minimum, terwijl dat in de handel voor slechts 32% het geval is (zie figuur 4).

Figuur 4: Meeste jongeren van 15 tot en met 19 jaar verdienen meer dan hun minimumjeugdloon

RR-20260724-jeugdloon-fig4
Bron: CBS

In de sector gezondheids- en welzijnszorg vallen vooral de loonverschillen tussen jongeren op: 67% verdient meer dan 130% van het minimumloon en 31% verdient minder dan 90% van het minimumloon. Een mogelijke verklaring is dat binnen deze sector jongeren werken die zijn ingeschaald in reguliere cao-schalen waarin de lonen al op jonge leeftijd relatief hoog liggen, maar ook jongeren die mínder dan het minimumjeugdloon verdienen. Deze laatste groep bestaat volgens de toelichting van het CBS mogelijk uit stagiairs, bbl-studenten, Wajongers met loondispensatie, of werknemers in het tweede ziektejaar.

De handel omvat zowel de groothandel als de detailhandel, en jongeren werken vooral in de detailhandel. Daar ligt het cao-minimum op of vlak boven het huidige wettelijk minimum, zowel in de supermarkten en levensmiddelen als in de non-food. De horeca-cao heeft beduidend hogere loonschalen voor jongeren – deze liggen nú al op of boven het in 2027 vereiste niveau[2].

Kunnen we concluderen dat horecaondernemers de lonen van jongeren volgend jaar niet hoeven verhogen? Dat is misschien te kort door de bocht. Want als de jeugdlonen in andere sectoren, zoals de detailhandel, flink omhoog gaan, dan zullen horecaondernemers zich wellicht tóch genoodzaakt voelen om de lonen verder te verhogen, om concurrerend te blijven met andere sectoren. Het aantal jongeren neemt af, en dat vergroot de personeelskrapte in de horeca.

[2] Uitgezonderd de 20-jarige niet-vakkrachten; zij krijgen nu 85% van het WML en dat moet volgend jaar tenminste 87,5% zijn.

Economische effecten: van jeugdwerkloosheid tot supermarktprijzen

Het hogere minimumjeugdloon zet druk op de loonkosten. Ondernemers zullen mogelijk proberen deze stijging af te remmen, of door te berekenen in de prijzen voor consumenten. Of jongeren minder populair worden bij werkgevers is daarmee nog niet gezegd.

Meer jongeren gaan pensioen opbouwen

Bij een hoger brutoloon stijgt ook de pensioenopbouw. Werknemers bouwen doorgaans vanaf hun achttiende pensioen op over het deel van hun loon dat boven de AOW-franchise ligt. Vooral in de detailhandel zal de verhoging van het minimumloon naar verwachting vaker leiden tot hogere pensioenpremies voor 18- en 19-jarigen.

Dat komt doordat de lonen in de handel niet ver boven het minimum liggen. Daardoor bouwt een deel van de 18- en 19-jarigen nog geen pensioen op: hun loon komt niet of nauwelijks boven de AOW-franchise in de sector uit. Vanaf 1 januari 2027 zal hun loon naar verwachting wél boven de AOW-franchise uitkomen, en moet er dus ook pensioenpremie worden afgedragen.

In de horeca is dat effect minder groot. Niet alleen liggen de jeugdlonen er hoger dan gemiddeld, maar ook is in deze sector de AOW-franchise lager dan gemiddeld. Daardoor zullen veel 18- en 19-jarigen in de horeca al pensioen opbouwen bij Pensioenfonds Horeca & Catering.

Gaan ondernemers de stijging van de loonkosten doorberekenen of beteugelen?

De hogere loonkosten zullen naar verwachting gedeeltelijk of geheel worden doorberekend in de prijzen, tenzij ondernemers manieren vinden om deze stijging te beteugelen. Sommige ondernemers kunnen met minder personeel toe door (nog) meer te automatiseren. Zelfscannen in de supermarkt en zelfbediening in het eetcafé zijn inmiddels gemeengoed geworden. Mogelijk is er verdere effectiviteitswinst te boeken. Bijvoorbeeld door AI te gebruiken voor een betere personeelsplanning, of door de winkel ook te gebruiken als distributiecentrum voor online bestelde artikelen van hetzelfde winkelbedrijf.

Een andere optie is om de samenstelling van het personeelsbestand te veranderen en zodoende te ‘verjongen’. Dat kan door volwassenen te vervangen door jongeren, of door jongeren te vervangen door nóg jongere jongeren. Bij de 15-jarigen gaat het minimumjeugdloon immers niet omhoog én zit er wellicht nog ruimte, aangezien bijna de helft nog niet werkt. Voor 15-jarigen gelden echter wel strengere regels; zij mogen bijvoorbeeld niet achter de kassa zitten of werken in een ruimte waarin alcoholhoudende dranken kunnen worden geschonken.

Effect op arbeidsparticipatie verschillende leeftijdsgroepen

Dat meer 15-jarigen gaan werken, zagen we bij eerdere verhogingen van het minimumjeugdloon. In de periode juli 2017 - juli 2019 is de leeftijdsgrens waarop het minimumjeugdloon eindigt in twee stappen verlaagd van 23 naar 21 jaar. Ook ging toen het minimumloon van 18-,19- en 20-jarigen omhoog. In diezelfde periode is de arbeidsparticipatie van 15-jarigen sterker gestegen dan bij andere leeftijdsgroepen, van 37% naar ruim 47%. Die toename kwam destijds terwijl de arbeidsparticipatie van jongvolwassenen van 18 jaar en ouder niet daalde (zie figuur 5).

Figuur 5: sterkste stijging arbeidsparticipatie bij allerjongsten

RR-20260724-jeugdloon-fig5
Bron: CBS

Ook het Centraal Planbureau concludeert dat de Nederlandse verhogingen voor 22-jarigen in 2017 en voor 21-jarigen in 2019 niet hebben geleid tot een afname van banen of gewerkte uren onder de getroffen groepen. Een mogelijke verklaring is de gedeeltelijke compensatie via het jeugd-LIV (lage-inkomensvoordeel), of dat werkgevers in de destijds relatief krappe arbeidsmarkt hogere loonkosten voor jongeren accepteerden om personeel te behouden of vacatures te vervullen, al heeft het CPB deze laatste verklaring niet expliciet onderzocht.

Naar de toekomst toe blijven de aanhoudende arbeidskrapte en demografische ontwikkeling relevant. In figuur 1 is zichtbaar dat de jongere leeftijdsgroepen kleiner zijn in omvang. En uit de bevolkingscijfers blijkt dat de huidige groepen 13- en 14-jarigen nóg weer wat kleiner zijn.

In een arbeidsmarkt die krap blijft, waarin jongeren schaarser worden en nog altijd goedkoper zijn dan volwassenen, verwachten we niet dat de aanstaande verhoging van het minimumjeugdloon zal leiden tot een significante toename van de jeugdwerkloosheid.

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder

Een hoger minimumjeugdloon vanaf 2027, wat is de impact? - Rabobank