De gevolgen van het fosfaatreductieplan

Wat gaat u merken van deze regelingen?

De drie maatregelen van het fosfaatreductieplan zijn bekend. Op 20 februari treedt het eerste onderdeel in werking. Het plan moet ervoor zorgen dat de fosfaatuitstoot per 1 oktober 2017 onder het nationale fosfaatplafond komt. Dit maakt het behoud van derogatie mogelijk. In dit artikel leest u welke gevolgen deze regelingen hebben voor uw bedrijf.

Hoe ziet het plan eruit?

Het fosfaatreductieplan heeft drie regelingen:

  • fosfaatreductie via voerspoor
  • het Fosfaatreductieplan ZuivelNL
  • de stoppersregeling

Gezamenlijk moeten deze regelingen ertoe leiden dat er 8,2 miljoen kilo fosfaat minder geproduceerd wordt. Dit artikel gaat alleen in op de laatste twee maatregelen. De fosfaatreductie via voerspoor bevat afspraken van diervoederbedrijven om het fosforgehalte in mengvoer te beperken.

Waar moeten we aan voldoen?
Sinds 2006 heeft Nederland toestemming van de EU om onder voorwaarden meer te bemesten dan de Europese normen. Deze toestemming heet derogatie. Hiervoor moet ons land zich wel aan enkele voorwaarden houden. Doordat we in 2015 en 2016 meer fosfaat hebben geproduceerd dan toegestaan, komt derogatie in gevaar. Alleen als de Nederlandse fosfaatproductie onder het fosfaatplafond komt (172,9 miljoen kilo), voldoet ons land aan de voorwaarden van de EU en blijft derogatie in 2017 behouden. Ook vergroot dit de kans op derogatie na 2017.

Belang van derogatie 
Het behoud van derogatie is volgens de Rabobank essentieel voor een gezonde melkveehouderij. Het LEI berekende dat een verlies van derogatie de melkveehouderij meer dan 100 miljoen euro per jaar zou kosten, en de hele agribusiness een veelvoud hiervan. Deze financiële schade staat nog los van de ongewenste effecten op duurzaamheidsaspecten zoals landschap en milieu.

Gevolgen voor alle melkveehouders

Alle Nederlandse melkveehouders krijgen te maken met de GVE-reductieregeling van ZuivelNL. Het doel van deze regeling is om via een stapsgewijze daling van het aantal dieren op 1 oktober 2017 op het gewenste niveau te komen.

GVE-regeling
Bij de GVE-regeling werkt elke melkveehouder met twee referentiepunten: het maximaal aantal toegestane grootvee-eenheden (GVE’s) en de GVE-referentie.

  • Het maximaal aantal toegestane GVE’s: dit getal wordt per twee maanden bepaald. Dit maximum wordt stapsgewijs afgebouwd, zodat melkveehouders geleidelijk hun veebezetting terug kunnen brengen.
  • De GVE-referentie: dit is het aantal GVE’s uit de categorieën 100, 101 en 102 die de melkveehouder op 2 juli 2015 bezat, min 4%.

In 2017 wordt elke maand uw gemiddelde veebezetting vergeleken met het maximale aantal toegestane GVE’s en de GVE-referentie. U leest hieronder wat de gevolgen zijn als u meer koeien bezit dan mag volgens de GVE-regeling.

Heffing
Als uw bedrijf het doelstellingsaantal niet haalt, en dus niet voldoet aan de voorgeschreven gefaseerde reductie krijgt u een solidariteitsheffing opgelegd. Die bedraagt 240 euro per GVE per maand over alle GVE’s boven de doelstelling in de gefaseerde reductie. De heffing wordt berekend op basis van het gemiddeld aantal GVE’s per maand. Een bedrijf dat in de eerste maand van een periode een heffing krijgt opgelegd, maar in de tweede maand alsnog het doelstellingsaantal haalt, krijgt geld terug. De heffing over die eerste maand wordt dan kwijtgescholden.

Solidariteitsheffing
Melkveeleverende bedrijven die in een bepaalde periode wel het aantal vereiste GVE's reduceren, maar desondanks het referentieaantal nog niet hebben bereikt, krijgen over alle nog te reduceren GVE's een solidariteitsheffing opgelegd. In periode 1 bedraagt deze € 112 voor elke in april resterende, boventallige GVE. In de overige perioden is dat € 56 per maand. De solidariteitsheffing geldt niet voor de niet-melkleverende bedrijven.

Bonus
Melkleverende bedrijven die in een maand minder GVE’s hebben dan het referentieaantal ontvangen een bonus. Die bonus bedraagt in de eerste periode 120 euro voor elke GVE onder de referentie op basis van het gemiddelde in april. In de perioden 2 en 3 is dat 60 euro per maand en in de perioden 4 en 5 bedraagt de bonus 150 euro per maand. Het aantal GVE’s waarvoor een bedrijf een bonus kan ontvangen, is beperkt tot 10% onder het referentieaantal. Net als bij de heffingen wordt ook de totale omvang van de bonus bepaald op basis van het gemiddeld aantal runderen per maand.

Regeling voor niet-melkleverende bedrijven 
Deze regeling houdt in dat niet melk-producerende bedrijven een geldsom moeten betalen als zij groeien door aanvoer van runderen. De referentiedatum is 15 december 2016. De regeling kan voor bedrijven een probleem opleveren voor de gewenste veebezetting voor 2017. Voor niet-melkleverende bedrijven geldt geen gefaseerde teruggang, zij moeten in de eerste periode van de regeling direct terug in aantal.

Verplaatsing van dieren voorkomen 
De regeling voor niet-melkleverende bedrijven heeft als doel de rundveestapel te reduceren, wat tot een daling van de fosfaatproductie zal leiden. De regeling voorkomt dat runderen verplaatst worden van bedrijven die onder het fosfaatreductieplan vallen naar bedrijven die hier in eerste instantie niet onder zouden vallen. Dergelijke verplaatsingen zouden verhinderen dat er daadwerkelijke reductie van de fosfaatproductie in Nederland plaatsvindt.

Helpt de Rabobank bij liquiditeitstekort?
Door een gebrek aan inkomsten vanwege de GVE-regeling en door boetes bij te veel vee kunnen melkveehouders te maken krijgen met een liquiditeitstekort. De Rabobank kan helpen bij verminderde inkomsten vanwege de GVE-regeling. Wij financieren geen tekorten van boeren die boetes incasseren vanwege het doorgaan met melken van te veel vee.

Gevolgen voor melkveehouders die hun bedrijf voortzetten

Melkveehouders die doorgaan met hun bedrijf zijn vooral benieuwd naar de gevolgen van het verkleinen van zijn veestapel. U moet bepalen welke dieren het bedrijf verlaten en welk gevolg dit heeft voor uw liquiditeit. Diverse accountantskantoren en adviesorganisaties hebben goede hulpmiddelen om de invloed op uw liquiditeit te bepalen.

Rol van de Rabobank
De Rabobank helpt u graag tijdens deze uitdagende periode. Klop bij ons aan voor het bespreken van de gevolgen op het gebied van de teruggang in vee, het elders stallen van jongvee, de export van jongvee of andere maatregelen. Daarnaast kijken we naar de mogelijkheden van toekomstige financiering van fosfaatrechten. Ons standpunt is dat deze rechten in vijf jaar afgelost moeten worden. We nemen nadrukkelijk afstand van exotische constructies die overname van referenties mogelijk maken en het doel van het fosfaatplan omzeilen. Het is onzeker hoe deze constructies uitpakken en of de overheid deze zal goedkeuren.

Wat is er mogelijk op het gebied van financieren?
We moeten rekening houden met korte aflossingstermijnen van maximaal vijf jaar voor de aankoop van fosfaatrechten. Gezien de economische resultaten van de meeste bedrijven zal dit betekenen dat de prijs van de rechten beperkt blijft. De Rabobank financiert alleen nieuwe stallen als voor aanvang van de bouw alle rechten verworven zijn.

Gevolgen voor stoppers

Ondernemers die besluiten te stoppen met hun melkveetak kunnen gebruikmaken van de stoppersregeling. De eerste tranche werd geopend op 20 februari en is de eerste dag fors overtekend. Het ministerie van Economische Zaken heeft inmiddels aangekondigd om alle verzoeken te honoreren. Melkveehouders die de 'definitieve beschikking vaststelling' hebben ontvangen en klant zijn, kunnen bij hun lokale bank aankloppen voor een renteloze liquiditeitsoverbrugging van 1.200 euro per GVE.

Stopperspremie per GVE
Voor de stopperspremie per GVE is 50 miljoen euro beschikbaar, afkomstig van de EU, het ministerie van Economische Zaken en de zuivelsector. Door de forse overtekening van de eerste tranche zal dit bedrag opgehoogd worden door het bedrijfsleven. Een tweede tranche volgt halverwege mei, maar de voorwaarden hiervan zullen minder gunstig zijn dan de eerste tranche. 

Regeling biedt voldoende liquiditeit
Deelnemen aan de stoppersregeling geeft ondernemers voldoende liquiditeit om in 2018 de keuze te maken tussen volledig stoppen van het agrarisch bedrijf of het opzetten van een nieuwe bedrijfstak. Denkt u eraan om u uw melkveehouderijactiviteiten te staken? Dan is dit in de ogen van de Rabobank hét moment om inschrijving voor de tweede tranche van de stoppersregeling te overwegen. De bedragen in de tweede tranche zijn weliswaar lager dan in de eerste tranche, maar u hoeft uw dieren pas later af te voeren. Hierdoor heeft u minder compensatie nodig voor wegvallende opbrengsten. 

Liquiditeitspremie
De liquiditeitsoverbrugging is een voorschot op de verkoop van de fosfaatrechten die de melkveehouder in 2018 krijgt op basis van de aanwezige dieren op 2 juli 2015. De Rabobank verstrekt deze overbrugging om u komend jaar van extra liquiditeiten te voorzien. Hiermee kunt u de periode overbruggen totdat u in 2018 de fosfaatrechten zelf kunt verkopen. Als uw fosfaatrechten in 2018 minder waard zijn dan 1.200 euro, betaalt u de premie gedeeltelijk terug. Zijn de rechten niets waard, dan is dit het risico van de bank. Een uitgebreide toelichting vindtd u in het document 'Liquiditeitsvoorziening melkveehouderij Rabobank'.

Download het document ‘Liquiditeitsvoorziening melkveehouderij Rabobank’ (PDF)


Rol van de Rabobank

Overweegt u te stoppen met uw melkveehouderij? Neem dan contact op met uw lokale Rabobank en accountant om alle voor- en nadelen te bespreken. De Rabobank loopt graag de verschillende scenario’s met u door. Zo kunt u zelf een realistisch nieuw toekomstplan opstellen.

De zure appel

De gevolgen van het fosfaatreductieplan zorgen dit jaar niet voor leuke vooruitzichten. We moeten als sector door de zure appel heen bijten. De Rabobank is ervan overtuigd dat de individuele middelen het collectieve doel heiligen. Wij kijken per melkveebedrijf naar de mogelijkheden binnen het collectieve doel. Zo werken we samen aan een duurzame toekomst van de melkveehouderij.

Contact

Rabobank