Onderzoek

De keerzijde van goedkope Chinese import

20 augustus 2026 6:00 RaboResearch

China speelt een steeds grotere rol in de Nederlandse import van industriële en intermediaire producten. We brengen de importcompetitie - het verdringen van binnenlandse productie door import - in kaart en laten met een modelsimulatie zien welke risico’s ontstaan wanneer Nederlandse productiecapaciteit verdwijnt. Hierbij richten we ons op de chemiesector vanwege de aantoonbare importconcurrentiedruk op deze sector.

Intro

Samenvatting

    De Nederlandse handelsbalans is sinds 2022 negatief. Dit roept de vraag op in hoeverre import de Nederlandse productie vervangt. Voor 356 productgroepen vinden we meerdere signalen van toenemende importcompetitie. Bij 70 van deze producten is China de belangrijkste bron van importgroei. De samenstelling van de Chinese importcompetitie is veranderd. Waar de druk eerder vooral lag bij consumentengoederen en textiel, speelt China nu een grotere rol bij industriële en intermediaire producten, met name bij elektronica - waaronder batterijen en zonnepanelen – en chemische producten. Recente fabriekssluitingen laten zien dat de Nederlandse chemiesector onder druk staat. Van de 91 chemische producten, kunststoffen en rubbers met signalen van importcompetitie komt de importgroei bij 16 producten vooral uit China. Nederland gebruikt relatief veel Chinese chemie ten opzichte van andere Europese landen. Van alle chemie die het gebruikt, komt 3,6% rechtstreeks uit China; inclusief chemie die via toeleveranciers in Nederlandse producten terechtkomt, bedraagt dit aandeel 5,3%. In bijvoorbeeld Frankrijk is dat slechts 1,4% en 2,9%. Goedkope Chinese import kan de kosten voor bedrijven en consumenten op korte termijn verlagen. Als hierdoor productiecapaciteit verdwijnt, kan een potentiële Chinese exportbeperking echter grotere productieverliezen en een groter welvaartsverlies veroorzaken. Een modelsimulatie illustreert dit risico. We simuleren een groter aanbod van goedkope Chinese chemie door de Chinese chemieprijzen met 10% te subsidiëren. Hierdoor neemt het aandeel van Chinese chemie toe en daalt de Nederlandse basischemieproductie met 7%. Een beperking van de uitvoer veroorzaakt vervolgens grotere productieverliezen en een groter welvaartsverlies dan bij het huidige aanbod. Een grotere beschikbaarheid van goedkope Chinese chemie levert Nederlandse huishoudens per saldo weinig koopkrachtwinst op, terwijl een eventuele exportbeperking de welvaart sterker verlaagt als de afhankelijkheid eerst is toegenomen.

Handelsoorlogen, militaire conflicten en zorgen over de leveringszekerheid van grondstoffen en materialen illustreren hoe de internationale omgeving de afgelopen jaren is veranderd. De periode van relatieve mondiale stabiliteit, waarin de internationale handel sterk kon groeien, heeft plaatsgemaakt voor een onrustiger wereldbeeld waarin geopolitieke risico’s een grotere rol spelen.

In die context is China een belangrijke handelspartner voor Nederland, vooral voor de import van goederen. In 2024 was China[1] goed voor 12% van de totale Nederlandse goederenimport; alleen uit Duitsland importeerde Nederland meer. Een deel van deze import komt echter via Nederlandse havens en Schiphol binnen als doorvoer naar andere Europese landen. De import voor binnenlands gebruik ligt daardoor lager, maar blijft economisch relevant. Daarbij concludeerden we al eerder dat Nederland voor de import van cruciale grondstoffen en materialen sterk afhankelijk is van China.

Internationale handel biedt voordelen: consumenten profiteren van meer en goedkopere producten, terwijl bedrijven productiever en innovatiever kunnen worden door concurrentie en kennisoverdracht (Krugman, 1979; Melitz, 2002; Melitz en Trefler, 2012; Grossman en Helpman, 1990). Tegelijkertijd roept de import uit China ook zorgen op. Uit eerdere studies blijkt dat de Chinese importcompetitie bijvoorbeeld tot een aanzienlijk banenverlies heeft geleid in de Verenigde Staten (Autor et al., 2013; Acemoglu et al., 2016). In de huidige geopolitieke context komt daar een extra risico bij: als meer importcompetitie ertoe leidt dat binnenlandse productie verdwijnt, kan ook de leveringszekerheid onder druk komen te staan mocht een land plotseling de levering stopzetten.

Onlangs stelde de Europese Commissie dan ook dat de huidige handelsrelatie met China niet langer duurzaam is en de Europese industrie schaadt. De Commissie wil voorkomen dat afhankelijkheden als wapen worden ingezet, maar benadrukt tegelijkertijd dat China een belangrijke handelspartner blijft. China reageerde overigens dat het direct zal terugslaan als de EU nieuwe handelsbeperkingen aankondigt. Vooralsnog lijken de spanningen tussen de EU en China beheersbaar, maar in onze recente maandelijkse update over China schrijven we dat een handelsoorlog tussen beide machtsblokken moeilijk te vermijden lijkt.

In deze studie analyseren we daarom de Nederlandse handelsrelatie met China, met de nadruk op importcompetitie. Onder importcompetitie verstaan wij het verdringen van de binnenlandse productie door import. We brengen in kaart welke producten onder druk staan door Chinese import en wat het verdwijnen van binnenlandse productie kan betekenen voor de Nederlandse economie en onze afhankelijkheid van China. Daarbij nemen we als voorbeeld de Nederlandse chemiesector. Veel chemiebedrijven die de afgelopen periode de deuren moesten sluiten, gaven aan dat zij niet meer konden concurreren met China. De chemie heeft dan ook een flinke klap gekregen, al werd deze niet volledig veroorzaakt door de Chinese importcompetitie. Het productievolume van de Nederlandse chemie is nu ongeveer een kwart[2] minder dan begin 2022.

[1] We maken hierbij gebruik van CBS-data. In deze data wordt er geen onderscheid gemaakt tussen China, Taiwan en Mongolië. We gaan er hierbij vanuit dat China verreweg de grootste handelspartner is van deze groep landen.

[2] Hierbij nemen we het verschil tussen het gemiddelde van januari-mei 2022 en januari-mei 2026.

Handelstekort met China loopt verder op

De handel met China is fors toegenomen sinds het land in 2001 toetrad tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). In 2009 werd het zelfs de grootste exporteur ter wereld. De handelsbalans van de EU met China is dan ook al meer dan twintig jaar negatief: Europa importeert meer uit China dan het naar China exporteert. Dit tekort is de afgelopen jaren verder opgelopen (figuur 1).

Figuur 1: Europese handelsbalans in goederen met China

20260819-Fig_1
Noot: Europa bestaat uit de 21 eurolanden; China is exclusief Hongkong. Bron: Eurostat, RaboResearch 2026

Ook de Nederlandse handelsbalans met China is al lange tijd negatief (figuur 2). Voor de totale Nederlandse goederenhandel zien we bovendien dat Nederland sinds 2022 meer goederen voor binnenlands gebruik importeert dan het aan eigen producten exporteert. Omdat deze ontwikkeling samenvalt met de stijging van de Europese energieprijzen na de Russische inval in Oekraïne, ligt het voor de hand dat ook de verslechterde concurrentiepositie van Nederland een rol speelt. Daarmee roept de negatieve handelsbalans de vraag op in hoeverre import de binnenlandse productie vervangt.

Figuur 2: Nederlandse handelsbalans in goederen exclusief wederuitvoer

20260819-Fig 2
Noot: in deze data wordt geen onderscheid gemaakt tussen China, Taiwan en Mongolië. Hoewel we in de figuur China rapporteren, bevatten de cijfers dus ook informatie over Taiwan en Mongolië. We gaan ervan uit dat China verreweg de grootste handelspartner binnen deze groep landen is. We meten de handelsbalans als export van Nederlands product minus import voor binnenlands gebruik. Bron: CBS, RaboResearch 2026

Importcompetitie gemeten

Om importcompetitie – het verdringen van binnenlandse productie door import – te meten, kiezen we een methode die aansluit bij onze eerdere studie naar importkwetsbaarheden. Daarmee kunnen we één bron gebruiken en zoveel mogelijk productdetail behouden.

Dat doen we als volgt. We gebruiken de BACI-dataset van CEPII (Gaulier en Zignago, 2010). Deze dataset bevat bilaterale handelsstromen tussen ongeveer 200 landen voor 5.000 producten. Vervolgens selecteren we producten waarvoor meerdere signalen wijzen op toenemende importcompetitie:

  1. Het importvolume neemt sterker toe dan het exportvolume, en deze toename kan niet worden verklaard door prijsstijgingen.
  2. De handelsspecialisatie-index neemt af.
  3. De importwaarde per eenheid ligt lager dan de exportwaarde per eenheid, wat kan duiden op een kostenvoordeel van buitenlandse aanbieders.
  4. De importgroei komt uit een beperkt aantal landen.

De eerste maatstaf helpt om wederuitvoer buiten beeld te houden: import die Nederland binnenkomt en direct weer wordt uitgevoerd. Neemt het importvolume toe terwijl het exportvolume niet meegroeit, dan blijft er waarschijnlijk meer van dat product in Nederland achter. Ook de tweede maatstaf corrigeert op deze manier voor doorvoer, omdat we de handelsspecialisatie meten door de netto handel te delen door de totale handel.

Extra invoer kan ook samenhangen met een hogere binnenlandse vraag. Daarom gebruiken we de derde maatstaf als proxy voor een kostenvoordeel van buitenlandse aanbieders: ligt de importwaarde per eenheid duidelijk lager dan de exportwaarde, dan is verdringing waarschijnlijker. De laatste maatstaf laat zien of de importgroei vooral uit één of enkele landen komt. Dat wijst eerder op een specifiek concurrentievoordeel dan op algemene vraaggroei en versterkt daarmee het signaal van importcompetitie. De verschillende maatstaven vullen elkaar dus aan.

Deze methode kent beperkingen. We kunnen niet uitsluiten dat sommige geselecteerde producten minder aan importcompetitie zijn blootgesteld dan onze analyse suggereert. Ook kunnen we geen uitspraken doen over mogelijke substitutie als de leveringszekerheid in het gedrang komt. Verder brengt toenemende import uit EU-landen minder risico’s voor de toekomstige leveringszekerheid met zich mee dan toenemende import uit niet-EU-landen zoals China. Deze analyse biedt dan ook een eerste indicatie van producten die mogelijk zijn blootgesteld aan importcompetitie.

De Europese Unie publiceert elk kwartaal een importbarometer waarin zij op vergelijkbare wijze naar Europese import kijkt. Het belangrijkste methodologische verschil is dat onze analyse zich richt op Nederland en wij bekijken de importen over een langere periode.

Een verdere uitwerking van onze methode staat in bijlage 1.

70 productgroepen in totaal onder druk door Chinese import

Over de periode 2010–2024 scoren 356 productgroepen boven de drempelwaarde op alle vier de maatstaven (zie ook bijlage 1). Dat suggereert dat deze productgroepen mogelijk onder druk staan door toenemende importcompetitie. Bij 70 van deze productgroepen, oftewel 20%, was China de belangrijkste bron van importgroei (zie ook figuur 3). Duitsland, onze belangrijkste handelspartner, was voor 68 productgroepen de grootste bron van importgroei. Bij Duitse import is het risico op leveringsproblemen kleiner, omdat Duitsland een EU-land is. Bij China kan het verdwijnen van Nederlandse productie de toegang tot zulke producten kwetsbaarder maken.

Figuur 3: China belangrijkste bron van importgroei voor producten onder druk van importcompetitie

20260819-Fig 3
Noot: we tonen alleen landen waaruit Nederland meer dan vijf productgroepen importeert die onder druk staan. Dat zijn productgroepen die op alle vier de maatstaven boven de drempelwaarde scoren. Bron: CEPII, RaboResearch 2026

Chinese import verschuift naar elektronica en industriële productgroepen

Figuur 4 verdeelt de 70 productgroepen onder druk van importcompetitie waarvoor China in 2010–2024 de belangrijkste bron van importgroei was naar productcategorie. Figuur 5 doet hetzelfde voor de periode 1995–2010. De vergelijking laat zien dat de aard van de Chinese importcompetitie duidelijk is veranderd. Waar China in 1995-2010 vooral een rol speelde bij consumentengoederen, textiel en overige productgroepen, zoals kleding en meubels, ligt het zwaartepunt in de recente periode sterker bij industriële en intermediaire producten. Vooral elektronica springt eruit.

Binnen elektronica gaat het naar importwaarde vooral om batterijen en zonnepanelen. Voor deze producten speelt de sterke toename van de vraag een rol, maar tegelijkertijd is op Europees niveau ook sprake geweest van verdringing van productie. Ook de import van chemische producten uit China is toegenomen. Gezien de recente druk op de Nederlandse chemiesector is het aannemelijk dat ook hierbij sprake is van verdringing van binnenlandse productie.

Figuur 4: Importen vanuit China naar importwaarde 2010-2024

20260819-Fig_4
Bron: CEPII, RaboResearch 2026

Figuur 5: Importen vanuit China naar importwaarde 1995-2010

20260819-Fig_5
Bron: CEPII, RaboResearch 2026

Chinese import raakt de chemiesector zwaar

Als we specifiek kijken naar chemische producten, plastics en rubbers, dan zien we dat 91 productgroepen in de periode 2010–2024 op alle vier de maatstaven boven de drempelwaarde scoren. Voor 16 productgroepen komt de importgroei vooral uit China. In tabel 1 zetten we deze producten op een rij, gerangschikt naar importwaarde. We nemen daarnaast productgroepen mee waarvoor China de grootste handelspartner is, ook als de grootste importgroei uit een ander land komt.

Bovenaan staat PVC vloer- en wandbekleding. Ook ondernemersvereniging Deltalinqs, die ondernemers in de Rotterdamse haven vertegenwoordigt, wijst erop dat dit product onder druk staat door importcompetitie uit China. Dit product komt ook naar voren in de importbarometer van de EU. Kunststofkozijnen scoren eveneens op alle maatstaven boven de drempelwaarde, maar daarbij is Polen de grootste handelspartner en de belangrijkste bron van importgroei.

Onder overige aminozuren vallen onder meer glycine en EDTA. Die worden gebruikt in onder andere farmacie, voeding en industriële toepassingen zoals metaalcoating.

Chirurgische rubberhandschoenen vallen ook op. Hoewel Thailand op dit moment nog de grootste leverancier is, komt de importgroei vooral uit China.

Andere voorbeelden uit tabel 1 zijn adipinezuur, voor nylon; petroleumharsen, voor lijm en rubber; imine, voor farmaceutische toepassingen; overige lactonen, voor parfums; en aluminiumoxide, voor aluminiumproductie.

Tabel 1: Producten onder druk van importcompetitie waarbij China een rol speelt

20260819-Tab_1
Bron: CEPII, RaboResearch 2026

Nederland gebruikt relatief veel Chinese chemie

Nederlandse producenten verwerken sommige van de eerdergenoemde chemische producten uit China verder tot bijvoorbeeld consumentenproducten. Van alle chemie die de Nederlandse industrie gebruikt, komt 3,6% rechtstreeks uit de Chinese chemische industrie.

Chinese chemische producten kunnen ook al zijn verwerkt in de halffabricaten die Nederlandse producenten gebruiken. Wanneer bijvoorbeeld een Chinese batterij in een product is verwerkt, is de kans groot dat die batterij ook chemische stoffen uit China bevat. Nemen we ook deze indirecte afhankelijkheid mee, dan is 5,3% van alle chemie die in Nederlandse producten is verwerkt afkomstig uit de Chinese chemie. Dat aandeel is groter dan in veel andere Europese landen en de VS (figuur 5).

Figuur 6: Nederlandse chemieproducenten gebruiken relatief veel chemie uit China

20260819-Fig 6
Bron: GTAP, RaboResearch 2026

Goedkope import vergroot kwetsbaarheid bij verstoringen

Een groeiend aandeel van Chinese intermediaire en industriële goederen in de Europese import schaadt de Europese industrie niet automatisch. Bedrijven die deze goederen als input gebruiken, kunnen profiteren van lagere inkoopkosten en daardoor goedkoper produceren. Ook consumenten kunnen profiteren van goedkope Chinese import, wat de koopkracht kan versterken. Daar staat tegenover dat een steeds sterkere concentratie van de aanvoer uit China de kwetsbaarheid vergroot wanneer Europese productiecapaciteit verdwijnt en alternatieve leveranciers niet snel beschikbaar zijn. Grotere marktmacht voor China kan er ook voor zorgen dat het in de toekomst zijn prijzen kan verhogen, waardoor consumenten uiteindelijk slechter af zijn.

Dat risico is niet alleen theoretisch. China stelde vanaf augustus 2023 exportvergunningen verplicht voor gallium en germanium, grondstoffen die onder meer worden gebruikt in halfgeleiders, glasvezel en andere hoogwaardige toepassingen. Later volgden controles op bepaalde grafietproducten en in april 2025 op zeven zeldzame aardmetalen en aanverwante producten. Die laatste maatregelen raakten ook Europese ketens voor elektrische voertuigen, windturbines, digitale technologie en defensietoepassingen. Verder hanteert China ook een quotasysteem op de export van geraffineerde aardolieproducten en werd de export hiervan in 2026 zelfs helemaal stilgelegd als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten.

Exportcontroles zijn niet hetzelfde als een volledig uitvoerverbod, maar ze geven de Chinese overheid wel invloed op het tempo, de bestemming en het uiteindelijke gebruik van leveringen. Vergunningen kunnen worden vertraagd of geweigerd. Voor Europese bedrijven kan dat leiden tot hogere prijzen, langere levertijden of tijdelijke productiestilstand. De economische gevolgen zijn het grootst bij producten waarvoor China een dominante leverancier is, voorraden beperkt zijn en omschakeling naar een andere grondstof of leverancier veel tijd en investeringen vergt.

Met een modelsimulatie onderzoeken we wat een groter aanbod van goedkope Chinese basischemie betekent voor de Nederlandse economie en hoe dit de Nederlandse kwetsbaarheid bij een verstoring kan veranderen. We gebruiken hiervoor een multiregionaal en multisectoraal algemeen-evenwichtsmodel, waarin vraag, aanbod en prijzen zich gelijktijdig aanpassen. Zo nemen we naast directe concurrentie uit China ook internationale productie-, handels- en keteneffecten mee.

We berekenen het grotere aanbod aan de hand van een hypothetische subsidie van 10% op de aankoopprijs van Chinese chemie. Dit is een technische modelaanname en nadrukkelijk geen voorspelling van Chinees beleid. Door de subsidie daalt de prijs van Chinese basischemie en neemt het Chinese aandeel in de chemie die Nederlandse bedrijven direct en indirect gebruiken toe. Dat drukt de productie van de Nederlandse basischemie en haar toeleveranciers. Nederlandse bedrijven die chemie als input gebruiken, kunnen daarentegen profiteren van lagere inkoopkosten. Bovendien kunnen arbeid en kapitaal die in de chemiesector vrijkomen op langere termijn elders in de Nederlandse economie worden ingezet.

Om te bepalen of deze veranderde productiestructuur Nederland kwetsbaarder maakt, vergelijken we vervolgens de gevolgen van een Chinese exportrestrictie mét en zonder de subsidie. Voor de effecten van de subsidie gebruiken we aannames die de aanpassing op langere termijn beschrijven. De exportrestrictie rekenen we door voor de korte termijn, met handels- en productiesubstitutie-elasticiteiten en traag reagerende lonen die de veranderingen over ongeveer één jaar het best beschrijven. De bijlage beschrijft het model uitgebreider.

Kleinere chemiesector biedt ruimte voor andere industriële sectoren

Een groter aanbod van goedkope Chinese chemie vergroot het aandeel daarvan in de chemie die Nederlandse bedrijven gebruiken. Dit schaadt de Nederlandse basischemie: de sector produceert in dit geval 7% minder. Belangrijke toeleveranciers aan de chemie produceren ook minder, zoals de olieproductensector, de energie- en mijnbouwsector en de transport- en logistieksector.

Figuur 7: Productieveranderingen door een hypothetische Chinese chemiesubsidie

20260819-Fig 7
Bron: GTAP, RaboResearch 2026

Bij sectoren die veel chemie gebruiken, zoals de farmaceutische industrie, rubber- en kunststofindustrie en de textielindustrie, werken twee effecten elkaar tegen. Aan de ene kant wordt hun input goedkoper, waardoor de kostprijs daalt en de vraag vanuit consumenten toeneemt. Tegelijkertijd profiteren ook hun Chinese concurrenten van goedkope inputs, doorgaans sterker door een betere integratie van de eigen chemiesector. Welk effect overheerst, hangt onder andere af van het relatieve aandeel van chemie als input, vergeleken met dezelfde sector in China. Ook maakt het uit of een sector vooral aan consumenten of aan andere producenten levert. In het eerste geval wordt de vraag sterker beïnvloed door het inkomen in een land; in het tweede geval spelen keteneffecten een sterkere rol. Wanneer afnemers ook sterk concurreren met China, is de impact immers groter.

De rubber- en kunststofsector levert vooral aan andere producenten en lijkt qua inputstructuur sterk op de Chinese sector. Daardoor is de concurrentie groot en daalt de productie. Textiel en farmacie kunnen juist meer produceren, omdat hun Chinese concurrenten minder sterk meeprofiteren van de chemiesubsidie. De Chinese farmacie gebruikt relatief minder chemie en meer landbouwproducten dan de Nederlandse farmacie, waarschijnlijk mede door de traditie van plantaardige geneesmiddelen. Ook de Chinese textielsector gebruikt relatief minder chemische input, omdat die in China vrijwel de hele keten omvat en daardoor sterker leunt op katoen uit de landbouw. De kleine Nederlandse textielsector richt zich juist meer op latere productiestappen, zoals kleuren en de productie van synthetische vezels, waarvoor chemische input belangrijker is.

De groei van de Chinese chemiesector zorgt voor een hogere vraag naar kapitaal en arbeid, waardoor de gemiddelde lonen en kapitaalkosten in het land stijgen. Voor sectoren waar chemie een kleine kostenpost is, weegt die kostenstijging zwaarder dan de lagere prijs die het voor chemie betaalt. In Nederland komen juist productiefactoren vrij wanneer de chemiesector krimpt. Daardoor kunnen veel andere industriële sectoren juist meer produceren.

Groter Chinees aandeel vergroot schade van exportrestrictie

Om het risico van een grotere afhankelijkheid te meten, vergelijken we de gevolgen van een Chinese exportrestrictie met en zonder de subsidie van 10%. Het verschil tussen beide uitkomsten laat zien hoeveel zwaarder dezelfde verstoring uitpakt wanneer Chinese chemie een groter aandeel heeft gekregen. Omdat bedrijven bij een plotselinge beperking van de aanvoer weinig tijd hebben om andere leveranciers of inputs te vinden, gebruiken we voor deze berekening handels- en productiesubstitutie-elasticiteiten en traag reagerende lonen die de aanpassing over ongeveer één jaar het best beschrijven.

Voor Nederland zijn de gevolgen vooral zichtbaar in sectoren die basischemie als input gebruiken (figuur 8). Door de exportrestrictie zijn chemische grondstoffen minder beschikbaar en duurder. Tegelijkertijd blijven Nederlandse producenten op andere markten concurreren met Chinese bedrijven die toegang houden tot de goedkopere Chinese chemie. Daardoor daalt de productie van Nederlandse afnemers van chemie. Die daling is groter in de berekening met subsidie, omdat Nederlandse bedrijven dan vooraf een groter deel van hun chemische inputs uit China betrekken en minder gemakkelijk kunnen uitwijken.

Figuur 8: Productieverandering na Chinese exportstop basischemie

20260819-Fig 8
Bron: GTAP, RaboResearch 2026

De Nederlandse basischemie groeit in het model juist wanneer de Chinese uitvoer wegvalt, doordat de concurrentie uit China afneemt en Nederlandse afnemers weer meer binnenlandse chemie gebruiken. De procentuele groei van de sector is groter in de berekening na een subsidie. Dat komt deels doordat eenzelfde groei in volume ten opzichte van een kleinere basis voor een groter procentueel effect zorgt. Daarnaast is in die simulatie de omvang van de Chinese concurrentie die wegvalt een stuk groter.

Dit herstel is waarschijnlijk te sterk. Het model veronderstelt dat productiecapaciteit zonder extra kosten kan worden ingeschakeld en dat arbeid binnen een jaar weer beschikbaar is. Een fabriek die door langdurige importconcurrentie is gesloten, kan in de berekening daardoor onmiddellijk opnieuw produceren. In werkelijkheid kunnen installaties zijn afgeschreven, werknemers ander werk hebben gevonden en heropening hoge kosten met zich meebrengen. De literatuur over hysterese laat zien dat bedrijven een markt gemakkelijker verlaten dan opnieuw betreden (Baldwin, 1988; Baldwin en Krugman, 1989). Ook na de energiecrisis van 2022 en 2023 herstelde de productie van energie-intensieve industrieën maar beperkt: tussen 2022 en 2024 daalde zij met ongeveer 15%, terwijl veel gesloten locaties ondanks lagere gasprijzen niet opnieuw openden. De simulatie onderschat daarom waarschijnlijk de Nederlandse schade van een exportrestrictie wanneer eerder productiecapaciteit is verdwenen.

Grotere afhankelijkheid vergroot Europees welvaartsverlies

Figuur 9 toont de welvaartseffecten van de subsidie en de exportrestrictie. Het netto-effect van een subsidie blijft in de meeste Europese landen beperkt. De verschuiving van productie naar China drukt weliswaar het nationale inkomen, maar daar staat tegenover dat huishoudens en bedrijven profiteren van lagere prijzen door goedkopere Chinese chemie. Deze twee effecten houden elkaar grotendeels in evenwicht.

Bij een beperking van de Chinese export van basischemie moeten Europese producenten uitwijken naar duurdere alternatieven, waardoor de prijzen stijgen en de koopkracht van huishoudens afneemt. Tegelijkertijd trekt de Europese industriële productie enigszins aan doordat een deel van de Chinese concurrentie wegvalt. Deze productiegroei is echter onvoldoende om de krimp van de productie door de subsidie volledig goed te maken en weegt niet op tegen het negatieve effect van de hogere prijzen. Per saldo daalt de welvaart daarom in alle Europese landen.

Het welvaartsverlies door de exportrestrictie is groter in de berekening met subsidie, waarin Chinese chemie een groter aandeel in de Europese productieketens heeft. Europese bedrijven zijn dan sterker afhankelijk van Chinese inputs en kunnen na een exportbeperking minder gemakkelijk en tegen hogere kosten overstappen op alternatieven. De simulatie laat daarmee zien dat goedkope import voordelen oplevert, maar dat deze voordelen deels kunnen omslaan in welvaartsverlies wanneer de afhankelijkheid toeneemt en de aanvoer wordt beperkt. Ook de onderlinge verschillen kunnen door de Chinese afhankelijkheid worden verklaard. Landen als Frankrijk en Oostenrijk, die relatief weinig Chinese chemie gebruiken (figuur 6), verliezen minder aan welvaart.

China zelf wordt in het scenario het zwaarst geraakt, doordat de exportbeperking leidt tot fors verlies aan afzet en inkomen. Lagere binnenlandse chemieprijzen compenseren dat onvoldoende. Een langdurige beperking lijkt daarom kostbaar voor China, maar ook een tijdelijke beperking kan schade veroorzaken wanneer de afhankelijkheid elders is toegenomen en geeft China extra geopolitieke invloed.

Figuur 9: Welvaartsveranderingen door Chinese subsidie en exportrestrictie

20260819-Fig_9
Bron: GTAP, RaboResearch 2026

Conclusie

De Nederlandse handelsrelatie met China is de laatste decennia omvangrijker én gevoeliger geworden voor verstoringen in internationale waardeketens. Onze analyse laat zien dat een aanzienlijk aantal producten signalen vertoont van toenemende importcompetitie, waarbij China geregeld de belangrijkste bron van importgroei is. Dat geldt niet alleen voor goederen met relatief weinig toegevoegde waarde, maar steeds vaker ook voor geavanceerde industriële en intermediaire producten zoals batterijen en bepaalde chemische producten.

Goedkope import uit China levert Europese bedrijven en consumenten op korte termijn voordelen op. Lagere inputprijzen kunnen de productiekosten drukken en de koopkracht ondersteunen. Tegelijkertijd profiteren Chinese bedrijven vaak sterker van subsidies op halffabricaten, waardoor concurrentievoordelen kunnen doorwerken naar producten verderop in de keten, dichter bij het eindproduct. Aanhoudende importcompetitie kan bovendien productiecapaciteit en werkgelegenheid verminderen. Wanneer die capaciteit later opnieuw nodig is, bijvoorbeeld bij exportrestricties of geopolitieke spanningen, is heropbouw tijdrovend en niet altijd vanzelfsprekend. De simulaties voor de chemiesector laten zien dat grotere afhankelijkheid van Chinese inputs de schade bij een uitvoerbeperking kan vergroten.

Bronnen

Acemoglu, D., Autor, D., Dorn, D., Hanson, G. H., & Price, B. (2016). Import competition and the great US employment sag of the 2000s. Journal of Labor Economics, 34(S1.2), S141-S198. DOI: https://doi.org/10.1086/682384

Autor, D. H., Dorn, D., & Hanson, G. H. (2013). The China syndrome: Local labor market effects of import competition in the United States. American Economic Review, 103(6), 2121-2168. DOI: https://doi.org/10.1257/aer.103.6.2121

Autor, D., Dorn, D., Hanson, G., Pisano, G., & Shu, P. (2016). Foreign competition and domestic innovation: Evidence from US patents. NBER Working Paper No. 22879. DOI: https://doi.org/10.3386/w22879

Baldwin, R. (1988). Hysteresis in import prices: The beachhead effect. NBER Working Paper No. 2545. DOI: https://doi.org/10.3386/w2545

Baldwin, R., & Freeman, R. (2022). Risks and global supply chains: What we know and what we need to know. Annual Review of Economics, 14, 153-180. DOI: https://doi.org/10.1146/annurev-economics-051420-113737

Baldwin, R., & Krugman, P. (1989). Persistent trade effects of large exchange rate shocks. The Quarterly Journal of Economics, 104(4), 635-654. DOI: https://doi.org/10.2307/2937860

Baqaee, D. R., & Farhi, E. (2024). Networks, barriers, and trade. Econometrica, 92(2), 505-541. DOI: https://doi.org/10.3982/ECTA17513

Boehm, C. E., Levchenko, A. A., & Pandalai-Nayar, N. (2023). The long and short (run) of trade elasticities. American Economic Review, 113(4), 861-905. DOI: https://doi.org/10.1257/aer.20210225

Gaulier, G., & Zignago, S. (2010). BACI: International trade database at the product-level. The 1994-2007 version. CEPII Working Paper No. 2010-23. DOI: https://doi.org/10.2139/ssrn.1994500

Grossman, G. M., & Helpman, E. (1990). Trade, knowledge spillovers, and growth. NBER Working Paper No. 3485. DOI: https://doi.org/10.3386/w3485

Krugman, P. R. (1979). Increasing returns, monopolistic competition, and international trade. Journal of International Economics, 9, 469-479. DOI: https://doi.org/10.1016/0022-1996(79)90017-5

Melitz, M. J. (2002). The impact of trade on intra-industry reallocations and aggregate industry productivity. NBER Working Paper No. 8881. DOI: https://doi.org/10.3386/w8881

Melitz, M. J., & Trefler, D. (2012). Gains from trade when firms matter. Journal of Economic Perspectives, 26(2), 91-118. DOI: https://doi.org/10.1257/jep.26.2.91

Teshima, K. (2008). Import competition and innovation at the plant level: Evidence from Mexico. Unpublished paper, Columbia University.

Vancauteren, M., Boutorat, A., & Lemmers, O. (2017). Import competition and innovation: Evidence for the Netherlands. CBS.

Yamashita, N., & Yamauchi, I. (2020). Innovation responses of Japanese firms to Chinese import competition. The World Economy, 43(1), 60-80. DOI: https://doi.org/10.1111/twec.12843

Bijlagen

Bijlage 1. De maatstaven voor importcompetitie

Voor de analyse gebruiken we BACI HS92 V202601 van CEPII, de versie uit 2026. CEPII corrigeert ruwe handelsdata voor asymmetrie, rapportageverschillen tussen importerende en exporterende douaneautoriteiten, zodat er één consistente waarde ontstaat voor elke bilaterale handelsstroom. Alle waarden zijn uitgedrukt in duizend lopende Amerikaanse dollars.

We kijken naar alle producten op zes-cijferig HS-niveau. BACI HS92 bevat ongeveer 5.000 tot 5.300 producten. We nemen alleen producten mee waarvoor Nederland in het eindjaar van de periode minimaal 10 miljoen dollar importeert. Deze drempel helpt om de analyse te richten op producten die economisch groot genoeg zijn om relevant te zijn als mogelijke bron van concurrentiedruk.

Het aantal producten dat aan deze drempel voldoet, stijgt licht: van 2.531 producten in de periode 1995–2010 naar 2.736 producten in de periode 2010–2024.

We onderscheiden twee periodes. De eerste periode loopt van 1995 tot en met 2010 en beslaat daarmee de toetreding van China tot de WTO in 2001 en de verdere globalisering van productieketens. Deze periode vangt de eerste grote golf van goedkope productieconcurrentie met Europa, vooral in consumentengoederen, textiel en eenvoudige industriële producten.

De tweede periode loopt van 2010 tot en met 2024. Deze periode omvat onder meer het decennium na de wereldwijde financiële crisis, de verstoringen in toeleveringsketens tijdens de coronapandemie en de energiecrisis van 2021–2022 na de Russische inval in Oekraïne. Deze periode vangt een tweede golf van Chinese concurrentie, nu sterker geconcentreerd in kapitaalintensieve industriële goederen zoals batterijen, zonnepanelen en elektronica. Ook de verschuiving in energieleveranciers na het wegvallen van Rusland als belangrijke gasleverancier voor Europa valt in deze periode.

De vier maatstaven

Maatstaf 1: sterke groei van het importvolume

Voor deze maatstaf berekenen we de samengestelde jaarlijkse groei van de Nederlandse importhoeveelheden en exporthoeveelheden over de betreffende periode. Het verschil tussen beide noemen we de importgroeikloof: de groei van de import min de groei van de export. Een positief verschil betekent dat de import in fysieke hoeveelheden sneller groeit dan de export.

We passen daarbij een filter toe voor prijseffecten. Als de groei van de importwaarde hoger dan de geschatte Amerikaanse inflatie plus 5 procentpunt boven de groei van de importhoeveelheid ligt, schrijven we de stijging deels toe aan hogere nominale prijzen in plaats van aan volumegroei. In dat geval krijgt het product geen signaal op deze maatstaf. Voor 1995–2010 komt deze grens neer op ongeveer 7,4 procentpunt; voor 2010–2024 op ongeveer 7,8 procentpunt. Omdat de groei in hoeveelheden al in fysieke eenheden wordt gemeten, is voor deze maatstaf geen aparte deflatie nodig.

Als robuustheidscheck kijken we ook of de importgroei in het eindjaar meer dan twee standaarddeviaties boven de gemiddelde groei van het product in de hele periode ligt. Daarmee controleren we of de groei vooral aan het einde van de periode plaatsvindt, in plaats van gelijkmatig over de hele periode.

Een product scoort op deze maatstaf wanneer de importgroeikloof positief is en er geen sprake is van een uitgesproken prijseffect.

Maatstaf 2: ontwikkeling van de handelsspecialisatie-index

De handelsspecialisatie-index meten we als export minus import, gedeeld door export plus import. De index loopt van -1 tot +1. Een waarde van -1 betekent dat Nederland alleen importeert en niet exporteert; een waarde van +1 betekent dat Nederland alleen exporteert. Een dalende index wijst op een structurele verschuiving naar grotere importafhankelijkheid.

We gebruiken twee controles. Ten eerste moet de index tussen het begin- en eindjaar zijn gedaald. Ten tweede moet ook de trend over de hele periode negatief zijn, gemeten met een eenvoudige regressie van de index op de tijd. Door beide voorwaarden te combineren, filteren we producten uit waarvan de index wel schommelt, maar niet duidelijk en consistent daalt.

Een product scoort op deze maatstaf wanneer zowel de verandering tussen begin- en eindjaar als de trend over de hele periode negatief is.

Maatstaf 3: lagere eenheidswaarde van import

Deze maatstaf vergelijkt de eenheidswaarde van Nederlandse import met die van Nederlandse export voor hetzelfde product. De eenheidswaarde is de handelswaarde per fysieke eenheid. Wanneer import structureel tegen een lagere eenheidswaarde binnenkomt dan de Nederlandse exportwaarde, kan dat erop wijzen dat buitenlandse aanbieders een kostenvoordeel hebben.

Als referentie gebruiken we de eenheidswaarde van Nederlandse export. Wanneer de Nederlandse exporthoeveelheden te klein zijn om een betrouwbare referentie te berekenen, gebruiken we een terugvaloptie: de naar handelswaarde gewogen gemiddelde eenheidswaarde over alle importpartners. Resultaten waarvoor deze terugvaloptie nodig is, nemen we niet mee in het samengestelde signaal, omdat de referentieprijs dan niet langer specifiek is voor Nederlandse export.

Deze maatstaf is het gevoeligst voor de kwaliteit van de hoeveelheidscijfers. Daarom interpreteren we de uitkomsten altijd in samenhang met de andere drie maatstaven.

Een product scoort op deze maatstaf wanneer de importeenheidswaarde lager ligt dan de referentiewaarde en we geen terugvaloptie hebben hoeven gebruiken.

Maatstaf 4: concentratie van importgroei

Tot slot berekenen we hoe geconcentreerd de groei van de importwaarde is over handelspartners. Daarvoor gebruiken we de Herfindahl-Hirschman-index. Een hoge waarde, boven de gebruikelijke grens van 0,25, betekent dat één land of een klein aantal landen een groot deel van de toename van de Nederlandse import van dat product verklaart.

De dominante handelspartner is het land dat verantwoordelijk is voor de grootste absolute toename van de Nederlandse import in de betreffende periode. Dat is niet altijd hetzelfde land als de grootste leverancier in het eindjaar. We rapporteren daarnaast welk aandeel van de totale importgroei aan deze dominante partner kan worden toegeschreven en of die partner China is.

Een product scoort op deze maatstaf wanneer de concentratie-index boven 0,25 ligt en de dominante handelspartner daadwerkelijk een positieve bijdrage levert aan de importgroei.

Bijlage 2. Het model

Voor deze analyse gebruiken we een multiregionaal en multisectoraal algemeen-evenwichtsmodel van de wereldhandel. Het model beschrijft hoe vraag en aanbod in landen en sectoren zich aanpassen wanneer prijzen veranderen. Anders dan het standaard GTAP-model gebruiken we een genest productienetwerk, in de traditie van Baqaee en Farhi (2024). Daardoor kunnen we beter analyseren hoe een schok in één sector doorwerkt naar andere sectoren en landen. Een ander voordeel is dat het binnen dit model mogelijk is om een grote schok door te rekenen als serie van kleine schokken, waardoor de log-linearisatie geldig blijft.

De productiestructuur bestaat uit verschillende lagen. Sectoren combineren toegevoegde waarde met intermediaire inputs. Binnen de toegevoegde waarde combineren zij kapitaal en arbeid, en binnen de intermediaire inputs kiezen zij goederen en diensten uit verschillende sectoren en landen. Voor die keuze gebruiken we een Armington-structuur: producten uit verschillende landen zijn vergelijkbaar, maar niet volledig uitwisselbaar. Daardoor kan het model onderscheid maken tussen overstappen naar een andere buitenlandse leverancier en het vervangen van een input door een ander product.

Het model rekent expliciet met doorwerking via toeleveringsketens. Een prijsstijging bij één leverancier werkt daardoor door naar sectoren die daar direct of indirect van afhankelijk zijn. Welvaartseffecten splitsen we op in twee kanalen: veranderingen in inkomens en belastingopbrengsten, en veranderingen in de kosten van levensonderhoud.

Uitbreidingen van het model

Voor deze analyse hebben we het basismodel op vier punten uitgebreid. Ten eerste maken we nominale lonen op korte termijn star. In het standaardmodel bewegen lonen volledig mee, waardoor er altijd volledige werkgelegenheid is. Dat is voor een acute exportbeperking niet realistisch. Met starre lonen komt een deel van de aanpassing terecht in de werkgelegenheid.

Ten tweede voegen we nominale wisselkoersen en een eenvoudige monetaire reactiefunctie toe. Landen kunnen een eigen wisselkoers hebben of onderdeel zijn van een muntunie. Voor de eurozone is dat belangrijk: zonder muntunie zou elk euroland de schok deels via een eigen depreciatie kunnen opvangen, terwijl die mogelijkheid in werkelijkheid niet bestaat.

Data en aggregatie

We gebruiken de GTAP-database versie 12. Deze database bevat informatie over 163 landen en regio’s, 65 sectoren en acht productiefactoren voor het jaar 2023. Voor deze analyse brengen we de data terug tot zeventien landen en regio’s en vijfentwintig sectoren. China, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de grotere EU-lidstaten nemen we afzonderlijk mee. Andere landen groeperen we in restcategorieën, zoals overige EU-lidstaten, Azië-Pacific, Noord-Amerika en de rest van de wereld.

In de sectorindeling houden we de verwerkende industrie zoveel mogelijk apart. Basischemie, farmacie en rubber en kunststof vormen afzonderlijke sectoren. Dat is nodig omdat de doorwerking van een schok in de chemie vooral via industriële afnemers loopt. De acht productiefactoren brengen we terug tot vier groepen: kapitaal, laaggeschoolde arbeid, middelbaar geschoolde arbeid en hooggeschoolde arbeid.

Elasticiteiten

Elasticiteiten bepalen hoe gemakkelijk bedrijven en consumenten kunnen uitwijken naar alternatieven. We gebruiken twee groepen elasticiteiten. Handelselasticiteiten bepalen hoe snel afnemers van leverancier wisselen. Nest-elasticiteiten bepalen hoe goed een input door een ander product, of door kapitaal en arbeid, kan worden vervangen.

Voor de handelselasticiteiten gebruiken we de sectorspecifieke waarden uit GTAP. Deze waarden beschrijven aanpassing op lange termijn. Voor de korte termijn verlagen we deze elasticiteiten op basis van Boehm, Levchenko en Pandalai-Nayar (2023). Zij laten zien dat handelsstromen op korte termijn veel minder sterk reageren dan op lange termijn. Voor basischemie komt de elasticiteit daardoor uit op 6,6 in de lange termijn en 2,5 in de korte termijn.

Voor de nest-elasticiteiten gebruiken we waarden uit de literatuur over toeleveringsketens en productieschokken. Op korte termijn zijn veel inputs moeilijk te vervangen. Daarom kiezen we in de tweede stap voor lagere elasticiteiten en starre lonen. Daarmee sluit de analyse aan bij studies naar handelsfragmentatie, waarin een flexibel lange-termijnscenario wordt vergeleken met een strakker korte-termijnscenario.

Scenario’s

In de eerste berekening simuleren we een groter aanbod van goedkope Chinese chemie. Technisch doen we dit met een subsidie van 10% op de Chinese chemieprijzen. Daardoor groeit het Chinese marktaandeel en krimpt de Europese chemieproductie. Deze berekening beschrijft de aanpassing op langere termijn.

Vervolgens beperkt China de export van basischemie naar getroffen afnemers. Deze berekening beschrijft de gevolgen op korte termijn, met lagere substitutie-elasticiteiten en starre nominale lonen. We rekenen de exportbeperking zowel door bij het huidige aanbod als bij het door de subsidie toegenomen aanbod. Zo meten we hoeveel extra schade ontstaat wanneer de afhankelijkheid groter is.

De exportbeperking modelleren we als een exportbelastingequivalent. Dat is geen beleidsvoorstel, maar een technische manier om de gewenste daling van de handelsstroom in het model te bereiken. We analyseren varianten waarin de Chinese uitvoer van basischemie met 50% of 90% afneemt en vergelijken de uitkomsten bij het huidige en het toegenomen aanbod.

Beperkingen van de analyse

Zoals elk algemeen-evenwichtsmodel vereenvoudigt ook dit model de werkelijkheid. Innovatie, technologische spillovers, financiële markten en producenten- en consumentensentiment blijven buiten beschouwing. Ook kent het model geen echte tijdsdimensie. De subsidiefase en de exportbeperking worden beide als vergelijkende statica doorgerekend, terwijl de eerste in werkelijkheid over jaren kan lopen en de tweede een acute schok is.

Een tweede beperking is dat productiefactoren binnen een land volledig mobiel zijn tussen sectoren. Daardoor kan productiecapaciteit in het model snel opnieuw worden ingezet. In werkelijkheid kan een gesloten fabriek niet zomaar opnieuw openen. Installaties kunnen zijn afgeschreven, personeel kan zijn vertrokken en toetredingskosten kunnen hoog zijn. De literatuur over hysterese laat zien dat dit tot blijvende effecten kan leiden. Dit zorgt vermoedelijk voor een onderschatting van de effecten van de exportbeperking.

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder

De keerzijde van goedkope Chinese import - Rabobank