Onderzoek

Het is niet allemaal goud dat er blinkt: de economische effecten van meer uren werken

19 oktober 2026 9:00 RaboResearch

Om de economische groei in Nederland aan te zwengelen, opperen politici en economen regelmatig niet alleen om meer te investeren om de productiviteit te verhogen, maar ook om meer uren te werken. De arbeidsparticipatie is al hoog, maar Nederlanders werken relatief weinig uren per week. Wat zijn de economische effecten als de gemiddelde werkweek meer in de richting van die in andere landen zou bewegen? Dat analyseren we in dit rapport.

Intro

In het kort

    De economische welvaart in Nederland is relatief hoog. Dit komt vooral door een hoge arbeidsparticipatie en hoge productiviteit per uur, terwijl het aantal gewerkte uren per werkende juist relatief laag is. We laten zien dat de omvang van de economie op termijn permanent groter is als alle werkenden van 25 tot 65 jaar gemiddeld twee uur per week extra werken. Door het directe effect van meer gewerkte uren is de economie in 2035 circa 33 miljard euro groter, ongeveer 1.800 euro per Nederlander. Een lagere kapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur (kapitaalverwatering) en een lagere totale factorproductiviteit (TFP) zorgen echter voor een lagere productiviteit per gewerkt uur. Dit halveert de welvaartswinst ongeveer: in 2035 is de economie daardoor niet 33 miljard maar 17 miljard euro groter, wat neerkomt op ruim 900 euro per Nederlander. De mogelijkheden om een dergelijk scenario te realiseren zijn beperkt: weinig werkenden willen meer uren werken, en het is onduidelijk of dit te veranderen is. Ook kunnen niet-economische dimensies van brede welvaart onder druk komen te staan. Investeringen in een hogere arbeidsproductiviteit bieden meer groeipotentieel.

Inleiding

Nederland kent een relatief hoge economische welvaart. Toch klinkt vaak de roep om meer economische groei, omdat die nodig zou zijn om ook in de toekomst sterke collectieve voorzieningen te waarborgen, zoals kwalitatief hoogwaardige en betaalbare zorg, goed onderwijs en een solide sociaalzekerheidsstelsel. Zo stelt de commissie Wennink een economische groeidoelstelling van 1,5% tot 2% centraal (Wennink, 2025) en nam het huidige kabinet die ambitie over in zijn coalitieakkoord.

Om die doelstelling te bereiken kan grofweg aan drie knoppen worden gedraaid: de arbeidsinzet, de hoeveelheid kapitaal en de totale factorproductiviteit (TFP). TFP meet de efficiëntie waarmee arbeid en kapitaal toegevoegde waarde genereren. In een eerder rapport lieten we zien wat een investeringspakket kan doen aan de twee laatstgenoemde knoppen (Erken en Van Es, 2025a). Mogelijkheden voor een grotere arbeidsinzet bleven daarin buiten beschouwing. Maar in het maatschappelijke en politieke debat klinkt regelmatig de roep om meer uren te werken. Zo riep VVD-fractievoorzitter Brekelmans daartoe op in zijn Binnenhoflezing. Daarnaast heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in samenwerking met het Nationaal Groeifonds het programma ‘Meer uren werkt!’ opgezet om een nieuwe deeltijdcultuur te creëren, met als doel om deeltijders die dat willen 2,7 uur per week meer te kunnen laten werken. Tegen deze achtergrond onderzoeken we in dit rapport daarom de economische effecten van een hoger aantal gewerkte uren per werkende.

Hoge participatie, weinig uren en hoge productiviteit

De economische welvaart in Nederland behoort tot de hoogste ter wereld. Uit een vergelijking met andere OESO-landen blijkt dat Nederland vooral hoog scoort bij de arbeidsparticipatie en de productiviteit per uur (zie figuur 1). Het aantal gewerkte uren per werkende blijft echter achter. In de meeste Europese landen en de Verenigde Staten is er een afruil tussen participatie en het aantal gewerkte uren per werkende. In Aziatische landen is dit niet het geval: Zuid-Korea en Japan scoren op beide factoren hoog. Dat heeft zijn weerslag op de productiviteit per uur. Die is in de Aziatische landen aanzienlijk lager dan in veel Europese landen en de Verenigde Staten.

Er blijkt vooral een afruil te bestaan tussen de gewerkte uren per werkende en de productiviteit per uur. Later in dit rapport bespreken we enkele verklaringen hiervoor. Het enige land dat zich hieraan duidelijk weet te onttrekken is de Verenigde Staten (zie figuur 2).

Figuur 1: Hoge participatie, weinig uren en hoge productiviteit in Nederland

20261015_Fig 1
Bron: Conference Board, RaboResearch 2026

Figuur 2: Een hoog aantal gewerkte uren gaat meestal samen met een lage productiviteit per uur

20261015_Fig 2
Bron: Conference Board, RaboResearch 2026

Gewerkte uren in internationaal perspectief

Dat de Nederlandse werkende gemiddeld minder uren per week werkt dan in andere landen verdient overigens wel enige nuance. Dit wordt namelijk voor een deel verklaard door de relatief zeer hoge arbeidsparticipatiegraad van jongeren (15-19 jaar, zie figuur 3). Deze ligt in Nederland op bijna 80%, terwijl het gemiddelde voor de eurozone slechts zo’n 20% is. Ook één leeftijdsklasse hoger (20-24 jaar) steekt Nederland – weliswaar in mindere mate – boven de andere landen uit.

Figuur 3: Nederlandse jongeren werken veel meer dan die in andere Europese landen

20261015_Fig 3
Bron: Eurostat, RaboResearch 2026

Vooral de jongste groep (15-19 jaar) werkt weinig uren per week. Dit betreft vaak scholieren en studenten met een bijbaan, van meestal slechts enkele uren per week. Hierdoor ligt het aantal gewerkte uren per week in de leeftijdscategorie 15-24 jaar[1] in Nederland beduidend lager dan in andere landen (zie figuur 4a): 20,3 uur tegen 30,0 uur gemiddeld in de eurozone. Ook bij ouderen (55-64 jaar) is het verschil met de eurozone relatief groot (figuur 4c): 31,8 uur in Nederland tegen 35,2 uur in de eurozone. Ook daar is de relatief hoge participatie in Nederland van de oudste groep daarbinnen (60-64 jaar) debet aan het verschil: 71,5% in Nederland tegen 59,1% gemiddeld in de eurozone. Voor de middengroep (25-54 jaar, figuur 4b) is het verschil tussen Nederland en de andere Europese landen door bovenstaande effecten duidelijk kleiner dan voor de totale groep werkenden (figuur 4d). Kortom, dat Nederlandse werkenden relatief weinig uren per week werken, wordt voor een aanzienlijk deel verklaard door de samenstelling van de groep werkenden: relatief veel jongeren en ouderen.

[1] Er zijn geen Europees vergelijkbare cijfers beschikbaar voor 5-jaars leeftijdscategorieën.

Figuur 4: Aantal gewerkte uren in Nederland vooral lager bij jongeren en ouderen

20261015_Fig 4
Bron: Eurostat, RaboResearch 2026

Dit is echter niet de volledige verklaring. Ook in de middengroep (25-54 jaar) ligt het aantal gewerkte uren namelijk enkele uren lager dan in veel andere landen. Een definitieve verklaring hiervoor is moeilijk te geven, maar wat waarschijnlijk een rol speelt is de Nederlandse deeltijdcultuur, die via het recht op deeltijdwerk zelfs in de wet is verankerd. In andere landen zijn de mogelijkheden voor deeltijdwerk vaak beperkter.

Iemand die een voorkeur heeft voor deeltijdwerk kan dat in Nederland dus in de meeste gevallen doen, terwijl deze persoon in andere landen vaker de keuze moet maken tussen voltijdwerken of niet werken. Dit verklaart mogelijk deels de hoge participatiegraad in Nederland, óók in de groep 25-54 jaar (89,5% tegen 87,1% in de eurozone). Maatregelen om werkenden meer uren per week te laten werken, kunnen daarom potentieel de arbeidsparticipatie verminderen. Dit impliceert dat de economische effecten uit de volgende paragraaf in werkelijkheid mogelijk lager uitvallen, omdat we met dit effect geen rekening houden in de berekeningen.

Scenario: wat levert twee uur extra werk de economie op?

Om de welvaartseffecten van meer gewerkte uren te analyseren, rekenen we een scenario door waarin werkenden van 25 tot 65 jaar de komende jaren gemiddeld twee uur per week extra werken (zie figuur 5). Het gaat om contracturen per baan, inclusief overuren. We voeren de stijging geleidelijk in: één extra uur in 2027 en nog een uur in 2028[2]. Dit komt neer op ongeveer één extra werkdag per maand.

[2] Dit is een technische aanname om de effecten van een dergelijke stijging te kunnen analyseren. In werkelijkheid duurt het waarschijnlijk langer dan twee jaar. Voor de uiteindelijke economische effecten op lange termijn is deze keuze niet relevant.

Figuur 5: Verdeling van aantal gewerkte uren per leeftijdscategorie

20261015_Fig 5
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Directe effecten

In ons recent geactualiseerde basispad gaan we uit van een potentiële groei van de Nederlandse economie van gemiddeld 1,2% per jaar tot en met 2035 (zie figuur 6). Daarbij ligt de groei in de komende jaren nog relatief hoog, waarna deze geleidelijk afvlakt. Wanneer werkenden tussen 25 en 65 jaar gemiddeld twee uur per week extra werken, leidt dat tot een forse tijdelijke impuls van de potentiële economische groei. In 2027 en 2028 stijgt deze dan van respectievelijk 1,4% en 1,3% in het basispad naar 3,0% en 2,8% (zie figuur 7).

Figuur 6: Economische groei in basispad

20261015_Fig_6
Bron: CBS, Penn World Tables, Conference Board, RaboResearch 2026

Figuur 7: Directe effecten op economische groei van twee uur meer werk (leeftijd 25-65 jaar)

20261015_Fig_7
Bron: CBS, Penn World Tables, Conference Board, RaboResearch 2026

Twee uur extra werken zorgt ervoor dat de Nederlandse economie in 2035 33 miljard euro (in constante prijzen) groter is dan in het basispad, oftewel 1.800 euro per Nederlander. Die welvaartswinst is permanent, zolang de werkenden die extra uren blijven werken (zie figuur 8). Cumulatief tot en met 2035 is de welvaartswinst ongeveer 14.800 euro per Nederlander.

Figuur 8: Permanente welvaartswinst door meer uren werken (direct effect)

20261015_Fig 8
Bron: CBS, Penn World Tables, Conference Board, RaboResearch 2026

Maar het is niet allemaal goud dat er blinkt…

Maar dit is niet het hele verhaal. Door de sterke toename van het aantal gewerkte uren treden ook negatieve productiviteitseffecten op.

Kapitaalverwatering

Een eerste neerwaarts productiviteitseffect is zogenoemde kapitaalverwatering. Twee uur extra werk per persoon betekent op macroniveau bijna 700 miljoen extra gewerkte uren per jaar in Nederland. In ons scenario nemen we echter niet aan dat tegenover deze forse en abrupte stijging van het arbeidsvolume ook een proportionele uitbreiding van de kapitaalgoederenvoorraad staat.

Concreet betekent dit dat de hoeveelheid kapitaal die beschikbaar is per gewerkt uur afneemt. Werknemers hebben in die extra uren namelijk niet automatisch de beschikking over meer machines, computers, bedrijfsruimte, vervoersmiddelen en gereedschappen. Daarbij geldt wel dat een deel van het bestaande kapitaal wellicht niet volledig wordt benut en daardoor intensiever kan worden ingezet. Toch zal de bestaande kapitaalgoederenvoorraad een stijging van het arbeidsvolume van deze omvang niet volledig kunnen opvangen.

Om dit te illustreren: wanneer artsen in de leeftijd van 25 tot 65 jaar collectief twee uur meer gaan werken, betekent dat niet automatisch dat er ook extra operatiekamers beschikbaar zijn om meer operaties uit te voeren. Hetzelfde geldt voor andere sectoren. Bouwvakkers beschikken niet ineens over meer graafmachines, docenten niet over meer klaslokalen en metaalbewerkers niet over meer stansmachines.

Kortom, dezelfde hoeveelheid kapitaal moet over meer gewerkte uren worden verdeeld. Daardoor daalt de kapitaalintensiteit van de economie en neemt de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur af. Deze vorm van kapitaalverwatering zorgt ervoor dat van de aanvankelijke cumulatieve extra economische groei van 3,2% ten opzichte van het basispad uiteindelijk circa 0,8 procentpunt moet worden afgetrokken (zie de negatieve oranje balken in figuur 9).

Figuur 9: Economische effecten lager door kapitaalverwatering

20261015_Fig_9
Bron: CBS, Penn World Tables, Conference Board, RaboResearch 2026

Figuur 10: Economische effecten nog lager door lagere TFP-groei

20261015_Fig_10
Bron: CBS, Penn World Tables, Conference Board, RaboResearch 2026 Toelichting: de negatieve TFP-effecten manifesteren zich niet direct in de jaren waarin het aantal gewerkte uren stijgt, maar met een vertraging van één jaar. Dit is econometrisch bepaald.

TFP-effecten

Een tweede negatief productiviteitseffect van meer gewerkte uren heeft betrekking op de totale factorproductiviteit (TFP). In de economische literatuur wordt vaak een negatief verband gevonden tussen het aantal gewerkte uren per werkzame persoon en de ontwikkeling van de TFP. Hoewel langere werktijden ook positieve effecten kunnen hebben via ervaring en learning-by-doing, vindt het merendeel van de empirische literatuur per saldo een negatief effect van meer gewerkte uren op de productiviteitsgroei (Belorgey, Lecat en Maury, 2006; Bourlès en Cette, 2007; Erken, Donselaar en Thurik, 2018; Cette, Drapala en Lopez, 2023).

Naarmate werknemers meer uren werken, neemt de productieve waarde van een extra gewerkt uur doorgaans af. Daar zijn verschillende verklaringen voor. Vermoeidheid en concentratieverlies kunnen de efficiëntie gedurende de werkdag verminderen, terwijl niet alle extra uren noodzakelijkerwijs ook even productief worden ingezet als de bestaande uren. Zo concluderen Collewet en Sauermann (2017) voor callcentermedewerkers dat een hoger aantal gewerkte uren gepaard gaat met een langere gemiddelde afhandelingstijd van telefoongesprekken. Dit suggereert dat vermoeidheid een belangrijke rol kan spelen bij langere werktijden, zelfs in functies waarin het merendeel van de werknemers parttime werkt. Ook kan het voorkomen dat wanneer taken, verantwoordelijkheden of productiedoelen niet evenredig toenemen, dezelfde hoeveelheid werk over meer uren wordt uitgesmeerd. Verder is het mogelijk dat werknemers een deel van de extra werktijd besteden aan activiteiten die voorheen in de vrije tijd plaatsvonden, zoals afspraken bij de tandarts, kapper of andere dienstverleners.

Ook onze eigen econometrische schattingen wijzen op een negatief verband tussen het aantal gewerkte uren en de ontwikkeling van de totale factorproductiviteit. Voor Nederland vinden we een elasticiteit tussen -0,2 en -0,4 (zie Erken en Van Es, 2025b). Dit impliceert dat een stijging van het aantal gewerkte uren met 1% gepaard gaat met een 0,2-0,4 procentpunt lagere groei van de totale factorproductiviteit. Deze relatie vormt daarmee een tweede belangrijk kanaal waarlangs een hogere arbeidsduur de positieve economische effecten van meer gewerkte uren gedeeltelijk tenietdoet.

Wanneer we de lagere TFP-groei meenemen, gaat er van de aanvankelijke cumulatieve extra economische groei van 3,2% ten opzichte van het basispad – bovenop de 0,8 procentpunt door kapitaalverwatering – nog eens circa 0,8 procentpunt af (vergelijk de gele balken in figuur 10 met de bijdrage in figuur 9).

Totaalbeeld

Kort samengevat halveert de economische groeiwinst wanneer we rekening houden met de negatieve productiviteitseffecten van een hoger aantal gewerkte uren. Dat wordt ook direct zichtbaar wanneer we kijken naar de welvaartswinst per Nederlander (zie figuur 11). In plaats van de eerder berekende winst van circa 1.800 euro per Nederlander per jaar resteert een welvaartswinst van iets meer dan 900 euro (zie tabel 1). Tot en met 2035 gaat het cumulatief om bijna 8.000 euro.

De resultaten impliceren dat extra arbeidsuren weliswaar leiden tot een grotere economie, maar dat ze niet één-op-één worden omgezet in extra toegevoegde waarde. Een deel van de extra arbeidsinzet gaat verloren doordat dezelfde hoeveelheid kapitaal over meer uren moet worden verdeeld en doordat de productiviteit per gewerkt uur afneemt. Desondanks blijft het netto-effect positief: meer uren werken vergroot de economische welvaart, zij het aanzienlijk minder dan een eenvoudige rekensom op basis van extra arbeidsaanbod suggereert.

Figuur 11: Permanente welvaartswinst halveert wanneer we negatieve productiviteitseffecten meenemen

20261015_Fig 11
Bron: CBS, Penn World Tables, Conference Board, RaboResearch 2026

Tabel 1: Nog steeds aanzienlijke cumulatieve welvaartswinsten door meer uren te werken

20261015_Table1
Bron: RaboResearch 2026

Maar kunnen en willen mensen ook meer werken?

De analyse hierboven gaat ervan uit dat het inderdaad lukt om alle werkenden tussen 25 en 65 jaar gemiddeld twee uur extra per week te laten werken. Een dergelijke scenario-analyse is nuttig om de economische effecten in te schatten, maar kan niet zonder een realiteitscheck. Is het waarschijnlijk dat dit gebeurt? Is het mogelijk om bijvoorbeeld ploegendiensten in de zorg zo aan te passen dat deeltijders daar meer uren kunnen gaan werken? Kunnen leraren die nu niet voltijd werken een aantal lessen extra gaan geven binnen de huidige situatie en regelgeving? En willen mensen die deeltijd werken eigenlijk wel meer uren werken dan nu? De huidige situatie komt immers niet uit de lucht vallen.

Willen

Om met die laatste vraag te beginnen: die wil is er slechts beperkt. Uit figuur 12 blijkt dat momenteel iets minder dan 6% van alle werkenden graag meer uren zou willen werken en daarvoor beschikbaar is, een duidelijke daling sinds 2015. Dat geldt ook voor de meeste leeftijdscategorieën, met de jongste groep als belangrijkste uitzondering. Daar is de groep die meer uren wil werken sowieso al het grootst. Hieruit blijkt dus weinig potentieel om de geanalyseerde twee extra uren per week te realiseren.

Het is niet bekend waarom de meeste werkenden niet meer willen werken. Er is wel een aantal mogelijke verklaringen. Ten eerste kan het zijn dat werkenden de huidige situatie simpelweg prima vinden. Ze kunnen voldoende rondkomen en waarderen de extra vrije tijd die werken in deeltijd oplevert. Ze denken niet dat hun brede welvaart toeneemt door meer te gaan werken. De hoge arbeidsparticipatie en het relatief lage aantal uren per week betekenen in de praktijk dat het werk gelijkmatiger wordt verdeeld over meer mensen dan in andere landen. Het is dan de vraag of ingrijpen hierop effectief en wenselijk is.

Daarnaast kan het zijn dat het niet of onvoldoende loont om meer uren te werken, of dat werkenden het gevoel hebben dat dit zo is. Het gaat dan om de marginale belastingdruk, oftewel hoeveel iemand overhoudt wanneer diegene een euro meer gaat verdienen. Voor de meeste werkenden bedraagt deze tussen de 50 en 60% (Schulenberg, 2022), maar afhankelijk van de individuele situatie kan dit percentage fors hoger of lager zijn. Dit kan voor werkenden demotiverend zijn: de financiële baten van extra uren werken wegen dan niet op tegen het verlies aan vrije tijd.

Figuur 12: Weinig werkenden willen meer uren per week werken en zijn daarvoor beschikbaar

20261015_Fig 12
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Kunnen

Werkenden kunnen ook met omstandigheden te maken hebben waardoor meer werken niet mogelijk is. Zo zien werkenden binnen de huidige organisatie wellicht geen mogelijkheden om meer te werken, bijvoorbeeld omdat er gedurende de dag vaste piekmomenten en rustigere momenten zijn. Ook kunnen de tekorten in onder andere de kinderopvang een belemmering vormen om meer te gaan werken. In het onderwijs en de zorg maken roostertechnische beperkingen en strenge diploma-eisen het soms uitdagend om een (bijna) voltijds werkrooster op te stellen (Treur, 2026). En zo zijn er nog meer soortgelijke omstandigheden denkbaar.

Deze problemen worden door de overheid wel erkend – het eerdergenoemde programma ‘Meer uren werkt!’ grijpt bijvoorbeeld op deze punten aan – maar of dat genoeg is, is onduidelijk. In veel gevallen zijn deze wel te veranderen, hetzij door werkgevers, hetzij door de overheid.

Tot slot

Wanneer Nederlandse werkenden meer uren per week gaan werken, stijgt daarmee de economische welvaart. Deze toename is echter kleiner dan het directe effect: kapitaalverwatering en een lagere TFP drukken de productiviteitsgroei. We hebben laten zien dat een toename van twee uur voor de groep werkenden in de leeftijd van 25 tot 65 jaar resulteert in een economische welvaartswinst van gemiddeld ruim 900 euro per Nederlander per jaar. Dit valt mogelijk nog wat lager uit doordat de participatiegraad kan dalen. Daarbij is het de vraag hoe realistisch dit scenario is. Slechts weinig werkenden zitten te wachten op een langere werkweek. We weten niet wat de reden daarvoor is, dus valt ook niet te zeggen of, en zo ja hoe, dit kan worden veranderd.

De weerstand van mensen om meer te werken impliceert ook dat meer werken niet per se beter is voor de brede welvaart. Vrije tijd heeft ook waarde en kan ook worden ingezet voor bijvoorbeeld mantelzorg, vrijwilligerswerk en verenigingsleven. Meer uren betaald werken kan de niet-economische dimensies van brede welvaart onder druk zetten.

Daarnaast leidt een hoger aantal gewerkte uren slechts tijdelijk tot hogere economische groei, en is de impact beperkt. Dit ligt anders voor productiviteitsverhogende investeringen. In Erken en Van Es (2025a) hebben we laten zien dat het mogelijk is om op die manier de economische welvaart in Nederland langdurig harder te laten groeien, met een hoog rendement op extra uitgaven aan fysieke investeringen, R&D en onderwijs. Op lange termijn is hier meer groeipotentieel dan bij het verhogen van de arbeidsinzet in het algemeen, en het verlengen van de werkweek in het bijzonder. Daar komt bij dat de nadelen voor andere dimensies van brede welvaart hier nagenoeg afwezig zijn.

Literatuur

Belorgey, N., Lecat, R., & Maury, T. P. (2006). Determinants of productivity per employee: An empirical estimation using panel data.Economics Letters, 91(2), 153-157.

Bourlès, R., & Cette, G. (2007). Trends in ‘‘structural’’ productivity levels in the major industrialized countries. Economics Letters, 95(1), 151–156.

Cette, G., Drapala, S., & Lopez, J. (2023). The circular relationship between productivity and hours worked: A long-term analysis. Comparative Economic Studies, 65(4), 650-664.

Collewet, M., & Sauermann, J. (2017). Working hours and productivity. Labour economics, 47, 96-106.

Erken, H., Donselaar, P., & Thurik, R. (2018). Total factor productivity and the role of entrepreneurship. Journal of Technology Transfer, 43(6), 1493-1521.

Erken, H.P.G. en F. van Es (2025a). De weg naar hogere economische groei. Rabobank, Utrecht.

Erken, H.P.G. en F. van Es (2025b). De potentiële groei van de Nederlandse economie tot en met 2050. Rabobank, Utrecht.

Schulenberg, R. (2022). Marginale druk van meer dan tachtig procent komt niet vaak voor. ESB.

Treur, L. (2026). Het arbeidsaanbod stagneert: wat zijn de oorzaken en de gevolgen? Rabobank, Utrecht.

Wennink, P. (2025). De route naar toekomstige welvaart. Een sterk Nederland in een relevant Europa.

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder

Het is niet allemaal goud dat er blinkt: de economische effecten van meer uren werken - Rabobank