Onderzoek

Het arbeidsaanbod stagneert: wat zijn de oorzaken en de gevolgen?

7 september 2026 14:15 RaboResearch

Het arbeidsaanbod in ons land stagneert. De bevolking in de werkzame leeftijd groeit niet meer, en ook onder deeltijdwerkers is de rek beperkt. De aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt draagt bij aan loongroei en onderstreept het belang van de groei van de arbeidsproductiviteit.

Vijf witte stoelen met op één ervan een vrouw in pak.

In het kort

    De potentiële beroepsbevolking van Nederland stagneert. Mede daarom loopt de werkloosheid nauwelijks op. We werken al meer uren dan gedacht; de rek bij deeltijdwerkers is dan ook beperkt. Arbeidskrapte draagt bij aan hogere lonen en iets meer vaste contracten. Productiviteitsgroei is geen doel op zichzelf, maar een middel om de krapte het hoofd te bieden en de brede welvaart te behouden.

Omvang potentiële beroepsbevolking stagneert

De arbeidsmarkt lijkt iets af te koelen. De werkgelegenheid is iets gedaald, en de werkloosheid steeg in juli licht van 3,9 naar 4%, zo berichtte het CBS. Het werkloosheidspercentage is al sinds medio 2021 relatief stabiel tussen de 3,2 en 4,2%, en wij verwachten ook geen sterke stijging.

Dat de werkloosheid niet harder stijgt, heeft mede te maken met het feit dat de ‘potentiële beroepsbevolking’ niet meer groeit. De potentiële beroepsbevolking omvat volgens de internationale statistische definitie de gehele bevolking in de leeftijd van 15 tot 75 jaar.

Naast deze officiële definitie bekijken we ook een iets beperktere definitie, namelijk de bevolking van 20 jaar tot de AOW-leeftijd. Weliswaar is er een aanzienlijke groep tieners en AOW‘ers die betaald werk verrichten, maar zij doen dit overwegend in kleine deeltijdbanen. Voor het duiden van trends in arbeidsaanbod en arbeidsvolume kijken wij daarom ook naar de kerngroep van 20 jaar tot AOW-leeftijd. Het blijkt dat het aantal mensen in deze leeftijd al sinds november 2025 stagneert (figuur 1).

Figuur 1: Bevolking van 20 jaar tot AOW-leeftijd stagneert vlak boven 11 miljoen

Bevolking van 20 jaar tot AOW-leeftijd stagneert vlak boven 11 miljoen
Bron: CBS

Volgens de demografische prognoses van het CBS groeit deze groep de komende jaren ook niet meer (figuur 2), ondanks de hierbij ingecalculeerde stijging van de AOW-leeftijd. Over de toekomstige ontwikkeling van het arbeidsaanbod en de impact op de economische groei schreven wij eerder dit jaar deze uitgebreide studie: De potentiële groei van de Nederlandse economie.

Figuur 2: Geen groei voorzien van bevolking 20 jaar tot AOW-leeftijd

Geen groei voorzien van bevolking 20 jaar tot AOW-leeftijd
Bron: CBS, bewerking RaboResearch 2026

Voor de arbeidsmarkt is van belang dat in Nederland ook verschillende groepen mensen werken die níet (of in ieder geval niet officieel) in Nederland wonen. Volgens de statistieken van het CBS en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Arbeidsmigratie gaat het opgeteld om bijna een half miljoen mensen:

    Circa 91.900 grenspendelaars die wonen in België of Duitsland en in Nederland komen werken. In omgekeerde richting zijn er minder dan 20.000 grenspendelaars die in Nederland wonen en in België of Duitsland werken; Circa 273.140 ‘niet-ingezeten’ seizoenswerkers. Wie verwacht korter dan vier maanden in Nederland te blijven, kan zich inschrijven in het register niet-ingezetenen (RNI) om een burgerservicenummer (BSN) te krijgen, wat noodzakelijk is bij loonbetaling in Nederland; Circa 89.000 internationaal gedetacheerden die hun loon in het buitenland ontvangen. Zij hebben geen BSN nodig, maar moeten wel worden aangemeld bij een meldloket. Mogelijk is er ook een groep die niet is aangemeld en zodoende buiten beeld blijft; Circa 35.000 mensen zonder verblijfs- en werkvergunning die ‘zwart werk’ verrichten, veelal als huishoudelijke hulp bij particulieren.

Hoe het aantal niet-ingezetenen en gedetacheerden zich in de toekomst ontwikkelt, is moeilijk in te schatten. Dit is namelijk niet alleen afhankelijk van beleidskeuzes in Nederland, maar ook van internationale economische en demografische ontwikkelingen. Aangezien heel Europa vergrijst, kan het in de toekomst moeilijker worden om arbeidsmigranten en seizoenskrachten aan te trekken.

Rek in het Nederlandse arbeidsaanbod: ‘onderbenutte’ deeltijdwerkers

Bijna de helft van alle werkenden werkt in deeltijd, en daarvan is 12% bereid om meer uren te werken. In het tweede kwartaal ging het om ruim een half miljoen personen. Het gemiddelde aantal uren dat deze onderbenutte deeltijders extra zouden willen werken, bedroeg gemiddeld 8,5 uur per week, volgens een peiling eerder dit jaar. Omgerekend naar voltijdsbanen van 38 uur zou dat dus 127.000 fte’s opleveren.

Dat 88% van alle deeltijdwerkers juist níet meer uren wil werken, heeft er vermoedelijk mee te maken dat veel deeltijdwerkers jongeren zijn die nog een opleiding volgen, ofwel deeltijders betreft die juist al relatief veel uren werken.

Want hoewel het statistisch correct is dat de gemiddelde werkweek in Nederland met 32 uur relatief laag is, wordt dit getal mede bepaald door een grote groep jongeren met een bijbaan. Richten we ons op de groep werkenden van 25 tot 65 jaar, dan is de gemiddelde werkweek met 34,5 uur al aanzienlijk langer, ongeveer 39 voor mannen en 30 voor vrouwen (figuur 3).

Figuur 3: Korte werkweek vooral bij jongeren en 65-plussers

Korte werkweek vooral bij jongeren en 65-plussers
Bron: CBS

Internationale vergelijkingen van de gemiddelde werkweek geven een vertekend beeld, omdat in Nederland het aandeel jongeren dat werkt - en daarmee hun impact op het gemiddelde - meer dan twee keer zo hoog is als het EU-gemiddelde. Hierover schreven wij eerder in een artikel over het minimumjeugdloon.

Puur statistisch gezien: stel dat de aankomende verhoging van het minimumjeugdloon ertoe leidt dat nóg meer jongeren gaan werken (‘substitutie-effect’), of dat jongeren minder uren gaan werken (‘inkomenseffect’) dan daalt de lengte van de gemiddelde werkweek in Nederland.

De redenen om te kiezen voor een kleine deeltijdbaan lopen sterk uiteen. Belastingen en toeslagen spelen hierbij soms een rol, maar vaak spelen andere aspecten zoals sociale normen, zo concludeerde het CPB in 2024. Wij denken dat inzicht in sectorspecifieke verschillen hierbij verhelderend is. Zo zien we kleine deeltijdbanen van minder dan 20 uur vooral in sectoren waar veel jongeren een bijbaan hebben, zoals in de horeca, (detail)handel en de sector cultuur, sport & recreatie. Daarnaast zien we relatief veel middelgrote deeltijdbanen van 20-25 uur in de zorg en het onderwijs (figuur 4).

Figuur 4: Grote verschillen in deeltijdwerk per sector, jaargemiddelde 2025

Grote verschillen in deeltijdwerk per sector, jaargemiddelde 2025
Bron: CBS

In het onderwijs en de zorg maken rooster-technische beperkingen en strenge diploma-eisen het soms uitdagend om een (bijna) voltijds werkrooster op te stellen. Een leraar Duits mag immers geen biologie geven, en een medewerker dagbesteding voldoet niet aan de diploma-eisen van een verzorgende IG. Een initiatief zoals ‘Het Potentieel pakken’ richt zich specifiek op de zorg en de kinderopvang en de kansen en uitdagingen binnen deze sectoren.

Rek in het Nederlandse arbeidsaanbod: werklozen en niet-beroepsbevolking

Van de 13,4 miljoen mensen tussen de 15 en 75 jaar verrichten er 3,6 miljoen geen betaald werk. Daarvan zijn er volgens de officiële definities slechts zo’n 400.000 werkloos, dat wil zeggen daadwerkelijk werkzoekend én beschikbaar voor werk. Zij worden tot de beroepsbevolking gerekend. De overige 3,2 miljoen worden gezien als de ‘niet-beroepsbevolking’. Daarvan bestaat bijna de helft, namelijk bijna anderhalf miljoen, uit ouderen die - al dan niet vervroegd - met pensioen zijn.

Figuur 5: Beroeps- en niet-beroepsbevolking tussen de 15-75 jaar

Beroeps- en niet-beroepsbevolking tussen de 15-75 jaar
Bron: CBS

Binnen de ‘niet-beroepsbevolking’ is er een kleine groep die op de drempel van de arbeidsmarkt staat. Zij zoeken werk, maar zijn (nog) niet direct beschikbaar. Of ze zijn wel beschikbaar, maar (nog) niet actief op zoek. Er is echter ook een groep met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Zij zijn niet beschikbaar én niet op zoek naar werk, vanwege zorgtaken, opleiding of ziekte. Wat opvalt, is dat vooral de groep die niet werkt vanwege ziekte en/of arbeidsongeschiktheid de afgelopen jaren gestaag is gegroeid (figuur 6). Inmiddels gaat het om bijna 900.000 personen.

De sterke stijging van de afgelopen jaren is een stapeling van factoren. Deels hangen deze samen met beleid, zoals de gestegen AOW-leeftijd (en dus langere verblijfsduur in een arbeidsongeschiktheidsuitkering) en de vereenvoudigde keuring voor 60-plussers. Daarnaast is er een toename van de WIA-instroom door psychische klachten en long covid, aldus het UWV Kennisverslag Volumeontwikkelingen voorjaar 2026.

Figuur 6: Steeds grotere groep die niet werkt vanwege gezondheid

Steeds grotere groep die niet werkt vanwege gezondheid
Noot: werkloze en niet-beroepsbevolking; gepensioneerden niet weergegeven. Bron: CBS

Hoewel een deel van deze groep volledig arbeidsongeschikt is, is er ook nog een groep waar (al dan niet met wat aanpassingen) het zeker mogelijk is om betaald werk te verrichten. Zie voor een verdere analyse en praktijkvoorbeelden onze eerdere publicatie Inclusieve arbeidsmarkt – beperking geen bezwaar?.

Impact van arbeidskrapte: hogere lonen en meer vaste contracten

Economisch gezien leidt schaarste tot hogere prijzen, of in arbeidsmarkttermen: betere arbeidsvoorwaarden. De loonontwikkeling lijkt dit te onderschrijven; sinds 2023 stijgen de cao-lonen harder dan de inflatie (figuur 7).

Figuur 7: Lonen en inflatie sinds 2010

Lonen en inflatie sinds 2010
Bron: CBS

In de jaren ervoor bleven de lonen in meerdere jaren daarentegen juist achter bij de inflatie, zoals in 2021 (het tweede coronajaar) en 2022 (inflatiepiek na Russische inval in Oekraïne). Nemen we het jaar 2020 als startpunt, dan is de reële loongroei (loongroei minus inflatie) in 2025 precies 0. Een eerste kanttekening hierbij is dat de keuze van het startpunt arbitrair is; hierdoor kan de berichtgeving over lonen en inflatie soms tegenstrijdig lijken.

Een tweede kanttekening is dat veel werknemers hun loon harder zien stijgen dan de cao-lonen, bijvoorbeeld omdat zij van baan veranderen, of in hun huidige baan een schaal of trede omhoog gaan. Dit laatste effect wordt op macroniveau weer gemitigeerd doordat mensen die met pensioen gaan worden vervangen door starters die onder in het loongebouw beginnen. En een derde kanttekening is dat een groeiend aandeel mensen niet onder een cao valt. Het is onduidelijk of hun lonen meer of minder stijgen dan de cao-lonen. Wel is duidelijk dat lonen en koopkracht voorlopig een belangrijk aandachtspunt blijven, gezien de aanhoudend hoge inflatie. In ons nieuwe Economisch Kwartaalbericht komen we uit op een inflatie (CPI) van 3,1% in 2026 en 3,4% in 2027.

De arbeidskrapte zien we ook terug in contractvorm: het aandeel vaste contracten neemt gestaag toe. En dat komt niet alleen door de verhoging van de AOW-leeftijd, waardoor zestigplussers langer doorwerken in hun (doorgaans vaste) baan. In alle leeftijdsgroepen, uitgezonderd de jongste groep werkenden onder de 25, zien we een lichte stijging van het aandeel werknemers met vast contract. Inmiddels heeft 60% van alle werkende 25-35-jarigen een vast contract en 69% van alle 35-45-jarigen, tegenover respectievelijk 55% en 65% in 2019.

Figuur 8: Lichte stijging aandeel werkenden met vast contract

Lichte stijging aandeel werkenden met vast contract
Bron: CBS

Krappe arbeidsmarkt onderstreept belang van productiviteitsgroei

De stagnatie van het arbeidsaanbod maakt het thema arbeidsproductiviteit essentieel voor alle sectoren. Door het werk efficiënter in te richten en waar mogelijk te automatiseren, kan er meer worden gedaan met minder mensen. De stijgende lonen werken immers niet alleen door in de kosten voor ondernemers en daarmee in de prijzen van producten en diensten. Ook kan een te krappe bezetting leiden tot ‘rantsoenering’ van het aanbod. Denk daarbij aan beperktere openingstijden van horeca en oplopende wachttijden in de zorg, klantenservice, of bouw. Dat raakt ons welzijn, als een medische behandeling of reparatie aan de woning moet worden uitgesteld.

Groei van de arbeidsproductiviteit is van extra belang voor exportgerichte sectoren zoals de industrie, landbouw, vervoer en groothandel. Een hogere arbeidsproductiviteit leidt tot lagere loonkosten per eenheid product (ondanks de stijging van de lonen), wat helpt om internationaal concurrerend te blijven. Hierover schreven wij in 2025 een uitgebreide studie: Het concurrentievermogen van de Nederlandse economie bezien vanuit lonen en productiviteit.

In figuur 9 is te zien dat veel exportgerichte sectoren een bovengemiddelde arbeidsproductiviteit hebben; ze staan rechts van het midden in de figuur. Tegelijkertijd is de arbeidsproductiviteit in een aantal grote sectoren de afgelopen vijf jaar gedaald, zoals in de industrie en de handel. Daardoor verslechtert de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ten opzichte van landen zoals België, Denemarken en de Verenigde Staten. Dat blijkt uit onze uitgebreide studie uit april 2026: Concurrentiekracht en brede welvaart: een vergelijking van Nederland met België, Denemarken en de VS.

Deze studie staat niet op zichzelf; ook een SER-advies en het ‘Rapport Wennink’ uit 2025 benadrukken het belang van een hogere arbeidsproductiviteit. Veel extra rek in het arbeidsaanbod lijkt er immers niet te zijn. Juist daarom wordt productiviteitsgroei steeds belangrijker voor toekomstige economische groei en welvaart in brede zin.

Figuur 9: Niveau en ontwikkeling van arbeidsproductiviteit per sector

Niveau en ontwikkeling van arbeidsproductiviteit per sector
Noot: grootte bol is arbeidsvolume in uren. Bron: CBS

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder

Het arbeidsaanbod stagneert: wat zijn de oorzaken en de gevolgen? - Rabobank