Inhoudsopgave
Dit artikel is onderdeel van:
Update
Gebiedsgerichte aanpak met positieve impact op biodiversiteit
Biodiversiteit stopt niet bij perceelsgrenzen. Veel maatregelen beginnen op het erf, maar krijgen pas echt effect wanneer ze samenkomen op landschapsniveau. Water, natuur en landbouw zijn met elkaar verbonden en vragen om een gezamenlijke aanpak. In dit artikel laten we zien waarom samenwerking nodig is, hoe die wordt georganiseerd en wat het oplevert voor ondernemers en het landschap.

In het kort
Samenwerken is nodig voor impact op landschap
Veel maatregelen voor biodiversiteit beginnen op het eigen erf. Denk aan bodembeheer, bouwplan of kruidenrijke randen. Maar biodiversiteit, waterkwaliteit en landschappelijke verbindingen houden geen rekening met perceelsgrenzen. Om echt effect te bereiken, is samenwerking nodig tussen meerdere bedrijven en partijen. Dit wordt natuurinclusieve landbouw niveau 3 (NIL 3) genoemd. Daarbij worden landbouw, natuur, water en landschap als één systeem ingericht en beheerd. Dit vraagt om organisatie, afspraken en een gezamenlijke ambitie. De praktijk laat zien dat dit op verschillende manieren kan.
Om te laten zien hoe NIL niveau 3 in de praktijk tot stand komt, hebben we bestuurders van vier gebiedsgerichte processen geïnterviewd over hun aanpak en de toepassing van natuurinclusieve landbouw op gebiedsniveau. In dit artikel gaan we in op de ervaringen van Twente Bloeit, Het Buijtenland van Rhoon, Mooi Achterhoek en Living Lab B7 in de Duin- en Bollenstreek. Bij deze 4 gebiedscoöperaties zijn in totaal ruim 100 ondernemers betrokken.
NIL niveau 3: biodiversiteit op landschapsniveau
NIL staat voor Natuurinclusieve landbouw: een vorm van landbouw die gebruikmaakt van natuurlijke processen en deze integreert in de bedrijfsvoering. NIL niveau 1 geldt als instapniveau wanneer een bedrijf eerste natuurinclusieve stappen zet.
Niveau 0: voldoen aan wettelijke verplichtingen
Niveau 1: specifieke maatregelen
Niveau 2: actieve sturing op systeemniveau
Niveau 3: systeem aangepast op natuur
Bij NIL niveau 3 zijn productie, inrichting en werkzaamheden in lijn met het landschap en leefgebied van diverse soorten, met zo veel mogelijk gesloten kringlopen. Hierbij draait het ook om samenwerking op gebiedsniveau. Niet één bedrijf, maar meerdere partijen werken samen aan biodiversiteit. Belangrijke elementen:
Bron: Louis Bolk Insituut en Wageningen University & Research
Regionale coalities versterken het landschap
Gebiedscoöperatie 1: Twentse Grond & Co
In Twente laat het programma Bloei mee! van Twentse Grond & Co zien hoe samenwerking in de praktijk werkt. Boeren, bedrijven, overheden en inwoners werken samen aan een biodivers landschap. De aanpak richt zich op zogenoemde groenblauwe dooradering: een netwerk van akkerranden, houtwallen, beken en andere landschapselementen. Deze elementen worden niet los aangelegd, maar vormen samen één geheel en dragen bij aan de beleving van het Twentse landschap. Dat maakt Bloei mee! tot meer dan een ecologisch project: het is een maatschappelijke verhaal over gedeelde verantwoordelijkheid.
De organisatie is praktisch ingericht. Agrariërs stellen grond beschikbaar en krijgen ondersteuning bij aanleg en beheer. Inmiddels ligt er een uitgebreid netwerk van akkerranden in de regio. Biodiversiteit werkt pas echt als je het samen doet,” zegt landschapscoördinator Gerrit Meutstege. “Iedereen heeft een rol, maar het landschap is gezamenlijk. Door deze aanpak groeien losse maatregelen uit tot een samenhangend systeem.
Coöperaties maken uitvoering en zekerheid mogelijk
Gebiedscoöperatie 2: Het Buijtenland van Rhoon
Het Buijtenland van Rhoon (circa 600 hectare) laat zien hoe een gebiedscoöperatie biodiversiteit organiseert. In dit gebied werken boeren, overheden en andere partijen samen aan een gedeelde ambitie: landbouw, natuur en recreatie combineren. Het poldergebied onder de rook van Rotterdam werd in 2006 aangewezen als compensatiegebied voor de ontwikkeling van de tweede Maasvlakte.
Op bedrijfsniveau maken ondernemers keuzes in bouwplan, middelengebruik en inrichting (NIL niveau 2). Op gebiedsniveau worden deze keuzes verbonden via afspraken en gezamenlijke doelen (NIL niveau 3). Directeur Anja Jongejan stuurt dit proces aan waarin belanghebbenden samenwerken aan een streefbeeld: landbouwproductie, natuurdoelen en recreatieve beleving moeten elkaar versterken.
Vakmanschap en langjarige zekerheid
Inrichting van het gebied speelt een grote rol bij landbouwproductie, natuurdoelen en recreatie beleving. Om dat systeem robuuster te krijgen is het verminderen van middelen een keuze. In het Buijtenland wordt gestreefd naar een sterke reductie van herbiciden en fungiciden op productiekavels; op natuurmaatregelen wordt geen chemie toegepast. Dat vraagt vakmanschap, maar het dwingt ook tot beter begrijpen van bodem, gewas en natuurlijke vijanden. “Het is geen natuur óf landbouw,” zegt directeur Anja Jongejan, “maar een systeem waarin beide elkaar versterken.”
Lees het hele verhaal over Buijtenland van Rhoon.
Landschap als kompas voor nieuwe oplossingen
Gebiedscoöperatie 3: mooi Achterhoek
In de Achterhoek wordt biodiversiteit gekoppeld aan gebiedsontwikkeling via het programma mooi Achterhoek. Hier vormt het landschap het uitgangspunt voor keuzes in landbouw en inrichting. Dyon Temming (landschapsontwerper en agroforestryexpert) en Stefan Ruiter (gebiedsontwikkelaar) begeleiden dit gebiedsproces. Samen verbinden zij initiatieven en creëren zij samenhang tussen lokale inspanningen en beleid.
Maatwerk
De aanpak begint met het goed begrijpen van het gebied: bodem, water, wind en cultuurhistorie. Dat leidt niet tot één standaardoplossing, maar tot maatwerk. Er ontstaat een mozaïek van maatregelen die passen bij de locatie én bij het bedrijf. Op erven en percelen zie je bijvoorbeeld voederhagen en windhagen, fruitbomen, agroforestrystroken en permanente gewassen zoals miscanthus en hazelaar.
Deze maatregelen combineren meerdere functies tegelijk. Ze zorgen voor minder wind en verdroging, verbeteren de waterkwaliteit door minder uitspoeling naar sloten en beken en bieden structuur en schuilplekken voor insecten en vogels. Op termijn leveren ze ook extra opbrengsten op, bijvoorbeeld uit permanente teelten.

Het proces verloopt stap voor stap. Eerst leren partijen elkaar kennen en volgen kleine maatregelen. Daarna groeit het door naar grotere aanpassingen. “Je groeit samen door te experimenteren en te verbinden,” zeggen initiatiefnemers Dyon Temming en Stefan Ruiter. “Zo verdeel je risico’s en creëer je waarde.”
Samen leren en meten versnelt opschaling
Gebiedscoöperatie 4: Living Lab B7
Living Lab B7 in de Duin- en Bollenstreek laat zien hoe samenwerking met onderwijs en wetenschap helpt om sneller te leren. In dit netwerk werken bollentelers, onderzoekers en adviseurs samen aan nieuwe oplossingen. In het Ecologisch Proefveld Bollenstreek (EPB) wordt bijvoorbeeld volgens SKAL richtlijnen zonder kunstmest en chemische middelen geteeld. Tegelijk worden maatregelen getest en effecten gemeten. Zo ontstaat direct inzicht in wat wel en niet werkt.
Een belangrijk kenmerk van deze aanpak is de organisatie: telers investeren zelf in de teelt, terwijl advies, begeleiding en coördinatie centraal zijn geregeld. Daardoor worden ‘meten, leren en doen’ een vast onderdeel van de werkwijze en blijft kennis niet beperkt tot één bedrijf, maar beschikbaar voor de hele regio.
Maatregelen
Op en rond de proefpercelen worden verschillende maatregelen gecombineerd, zoals kruidenrijke slootkanten, bloemranden en heggen. In het teeltsysteem gaat het om ruimere rotaties, het gebruik van compost of vaste mest en alternatieven voor chemische middelen. Dat vraagt ook een andere manier van kijken. Wolf Mooij, initiatiefnemer van Living Lab B7 en coördinator van het EPB: “Ondernemers gooien alle onkruid vaak op één hoop terwijl effectieve bestrijding zonder chemische middelen van soort tot soort onkruid behoorlijk kan verschillen.”
Ecoloog Hugo Langezaal (NIOO-KNAW) onderzoekt de gele kwikstaart als modelspecies en koppelt maatregelen aan ecologische effecten. De gele kwikstaart broedt succesvol in bollenvelden. Het nestsucces ligt rond de 47 procent, vergelijkbaar met andere akkergewassen. Bollenvelden bieden voldoende dekking voor nesten én worden laat gerooid, zodat kuikens kunnen uitvliegen. Een opvallend onderzoeksresultaat: slootkanten beslaan minder dan vijf procent van het areaal, maar zijn goed voor ongeveer 27 procent van de voedselvluchten van deze vogel. Maar ook de bollenvelden zelf bevatten meer insecten dan gedacht, deels afkomstig uit slootkanten. Dit laat zien hoe belangrijk landschapselementen zijn en hoe maatregelen elkaar versterken.
Opschalen
“Het is geen blauwdruk,” zegt initiatiefnemer Wolf Mooij. “We leren door te doen.” Deze aanpak maakt de stap van NIL niveau 2 naar niveau 3 concreet. Door kennis te delen, risico’s te spreiden en monitoring te standaardiseren, wordt opschaling naar meer bedrijven en percelen beter haalbaar.
Rode draden: waarom, hoe en wat levert gebiedsgerichte aanpak?
De praktijkvoorbeelden laten duidelijke overeenkomsten zien.
Waarom samenwerken?
Omdat biodiversiteit sterker wordt wanneer maatregelen elkaar versterken over meerdere percelen.
Hoe organiseer je dat?
Via programma’s, coöperaties of netwerken waarin afspraken worden gemaakt en uitvoering wordt ondersteund.
Wat levert het op?
Meer samenhang in het landschap; betere resultaten door kennisdeling; minder risico voor individuele ondernemers en meetbare effecten door monitoring. Een belangrijke voorwaarde is langjarige zekerheid. Zonder duidelijke afspraken blijven investeringen achter.
Wat leren deze voorbeelden voor de praktijk?
Hoewel elk gebied anders is, komen dezelfde principes terug:
Belangrijk is dat samenwerking begint op het individuele bedrijf. Bodembeheer, bouwplan en landschapselementen vormen de basis. Wanneer meerdere ondernemers deze stappen zetten, ontstaat vanzelf een samenhangend systeem. Dat is de essentie van NIL niveau 3: biodiversiteit wordt geen optelsom van losse acties, maar een gezamenlijk systeem waarin landbouw, natuur en landschap elkaar versterken.







