Update

Inflatiemonitor juni 2026: lagere energieprijzen temperen de inflatieverwachting

2 juli 2026 16:15 RaboResearch

Sinds ons Economisch Kwartaalbericht van juni zijn de vooruitzichten voor olie- en gasprijzen verbeterd. Daarom stellen we onze inflatieverwachting naar beneden bij. Toch blijven de verwachte energieprijzen ruim boven het niveau van voor het conflict in het Midden-Oosten en verwachten we dat de doorwerking naar kern- en voedselinflatie pas later zichtbaar wordt. In deze extra editie van de Inflatiemonitor zetten we de nieuwe inzichten op een rij.

Vrouw in supermarkt

In het kort

    De HICP-inflatie kwam in juni uit op 2,5%. Gemiddeld verwachten we een inflatie van 2,6% in 2026, 3,0% in 2027 en 1,9% in 2028. Voor de CPI ramen we respectievelijk 2,8%, 3,0% en 2,1%. De inflatieverwachting voor 2026 en 2027 is naar beneden bijgesteld vanwege lagere verwachtingen voor olie- en gasprijzen. Ondanks deze bijstelling blijven de verwachte energieprijzen duidelijk hoger dan voor het uitbreken van het conflict in het Midden-Oosten. De voedselprijsinflatie blijft met gemiddeld 1,0% in 2026 voorlopig beperkt, maar loopt in 2027 naar verwachting op naar 5,2% door de vertraagde doorwerking van hogere energie- en transportkosten. De kerninflatie daalt na de tijdelijke piek in mei naar gemiddeld 2,7% in 2026, maar loopt in 2027 weer op naar 3,0% doordat hogere energiekosten met vertraging doorwerken in de prijzen van goederen en diensten. Door de lagere inflatie stijgt de koopkracht in 2026 naar verwachting met 1,2%, terwijl het koopkrachtverlies in 2027 beperkt blijft tot 0,1%.

Inleiding

Sinds de publicatie van het Economisch Kwartaalbericht van juni zijn onze verwachtingen voor de ontwikkeling van de olie- en gasprijzen wezenlijk gewijzigd. Omdat deze energieprijsramingen een belangrijke input vormen voor onze inflatieprognoses, actualiseren we in deze extra editie van de Inflatiemonitor de vooruitzichten voor de Nederlandse inflatie.

De gewijzigde energieprijsverwachtingen zijn het resultaat van zowel geopolitieke ontwikkelingen als nieuwe inzichten over de mondiale energiemarkt. Hoewel de geopolitieke onzekerheid groot blijft, verwachten we op korte termijn minder verstoringen van de mondiale energievoorziening dan eerder aangenomen. Tegelijkertijd wijzen recente ontwikkelingen erop dat de vraag- en aanbodverhoudingen minder krap zijn dan eerder voorzien, onder meer door een zwakkere olievraag vanuit China. Daardoor rekenen we nu met lagere olie- en gasprijzen dan in onze vorige raming. De belangrijkste uitgangspunten voor het verdere verloop van het conflict zijn samengevat in figuur 1.

Figuur 1: Drie nieuwe scenario’s van het verloop van het conflict in het Midden-Oosten

Drie nieuwe scenario’s van het verloop van het conflict in het Midden-Oosten
Bron: RaboResearch 2026

De aangepaste energieprijsverwachtingen werken door in onze inflatieramingen. Daardoor verwachten we een lagere inflatie dan in onze vorige raming, waarbij de neerwaartse bijstelling vooral zichtbaar is in 2027. Tegelijkertijd blijft de inflatieverwachting duidelijk hoger dan voor de escalatie van het conflict. Voor een uitgebreidere toelichting op de geopolitieke uitgangspunten verwijzen we naar het Conjunctuurbeeld Nederland juli 2026 en de achterliggende analyse over de ontwikkelingen in het Midden-Oosten.

Verder staan we in deze Inflatiemonitor stil bij het meest recente maandelijkse inflatiecijfer, dat van juni, en onze verwachtingen voor de komende jaren. Ook bespreken we de belangrijkste onderdelen van de inflatie:

    de ontwikkeling van de energieprijzen; de prijsstijgingen van voedsel; de kerninflatie, oftewel de inflatie exclusief energie en voedsel.

De cijfers en verwachtingen in deze publicatie zijn gebaseerd op de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). In bijlage 1 presenteren we daarnaast onze ramingen voor de nationale consumentenprijsindex (CPI), die onder andere wordt gebruikt voor het indexeren van huren en pensioenen. Voor een toelichting op onze ramingsmethodiek verwijzen we naar de bijlage bij een eerdere editie van deze monitor.

Inflatiecijfer juni 2026: 2,5%

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam de inflatie in juni op basis van de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) uit op 2,5% (jaar-op-jaar, zie figuur 2). Dat is 0,1 procentpunt lager dan we hadden verwacht. Na de tijdelijke stijging naar 3,4% in mei daalde de inflatie weer naar het percentage van april. De daling is vooral het gevolg van de scherpe daling van de prijzen van motorbrandstoffen en het wegvallen van zogenoemde kalendereffecten die een grote rol speelden in het hoge inflatiecijfer van mei. Hier gaan we verderop in deze monitor uitgebreider op in.

Volgens de nationale consumentenprijsindex (CPI) bedroeg de inflatie in juni 2,9%, eveneens lager dan in mei (3,5%) en 0,1 procentpunt hoger dan we hadden verwacht. Het verschil met de HICP komt vooral doordat de HICP – anders dan de CPI – geen toegerekende huur voor koopwoningen meeneemt. Wanneer de huurinflatie relatief hoog is, zoals momenteel het geval is, ligt de inflatie volgens de CPI hoger dan die volgens de HICP.

Kijkend naar de onderliggende componenten (op basis van de HICP) zien we dat de inflatie over de hele linie dicht bij onze verwachtingen lag. De energie-inflatie kwam uit op 6,1% (verwachting: 6,6%), de voedselprijsinflatie op 0,0% (verwachting: 0,1%) en de kerninflatie op 2,7% (verwachting: 2,8%). Binnen de kerninflatie viel vooral de daling van de diensteninflatie op. Die nam af van 5,2% in mei naar 3,9% in juni. Daarbij speelt mee dat Pinksteren dit jaar in mei viel, terwijl dat vorig jaar in juni was. Hierdoor stegen de prijzen van onder meer accommodaties (zoals hotels en vakantieparken) naar verwachting minder sterk dan een jaar eerder.

Figuur 2: Inflatie (HICP) tijdelijk lager, maar loopt in 2027 weer op

Inflatie (HICP) tijdelijk lager, maar loopt in 2027 weer op
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Inflatieverwachtingen

Sinds het Economisch Kwartaalbericht van juni hebben we onze inflatieverwachtingen naar beneden bijgesteld. Door het gewijzigde geopolitieke basisscenario rekenen we inmiddels met lagere olie- en gasprijzen dan in onze ramingen van begin juni. We verwachten nu dat de HICP-inflatie gemiddeld uitkomt op 2,6% in 2026 (was 3,0%), 3,0% in 2027 (was 3,9%) en 1,9% in 2028 (zie tabel 1).

De neerwaartse bijstelling betekent echter niet dat de economische gevolgen van het conflict zijn verdwenen. Hoewel onze verwachtingen voor de olie- en gasprijzen sinds begin juni duidelijk zijn gedaald, liggen zij nog altijd aanzienlijk boven het niveau dat we voor het uitbreken van de oorlog voorzagen. De hogere energieprijzen blijven daardoor, direct en indirect, doorwerken in de consumentenprijzen. Onze huidige inflatieramingen liggen dan ook nog steeds duidelijk boven de verwachtingen die we voor het uitbreken van het conflict hadden.

In de rest van deze monitor lichten we toe hoe de gewijzigde energieprijsverwachtingen doorwerken in de energie-, voedsel- en kerninflatie.

Tabel 1: Inflatievoorspelling HICP

Inflatievoorspelling HICP
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Olie- en gasprijzen: lagere uitgangspositie, maar risico’s blijven bestaan

Zoals in de inleiding toegelicht, zijn ons geopolitieke basisscenario en de daaruit volgende verwachtingen voor de olie- en gasprijzen sterk gewijzigd. Dit zorgt voor een sterke daling van de verwachte energieprijsinflatie. We verwachten nu dat de energie-inflatie (HICP) in 2026 gemiddeld uitkomt op 5,3%, tegenover 10% in het Economisch Kwartaalbericht van juni. Hoewel de energieprijzen daarmee minder hard stijgen dan we een maand geleden voorzagen, blijven de verwachte prijsniveaus nog altijd duidelijk hoger dan voor het uitbreken van het conflict in het Midden-Oosten.

Olieprijs

De neerwaartse bijstelling hangt samen met ons gewijzigde beeld van de energiemarkten. Waar we begin juni nog uitgingen van een langdurige verstoring van de olie- en gasstromen via de Straat van Hormuz, verwachten we nu dat de energiestromen zich de komende maanden geleidelijk herstellen. Daardoor hebben we onze prijsramingen voor 2026 fors naar beneden bijgesteld. We rekenen nu op een gemiddelde Brent-olieprijs voor dit jaar van zo’n 83 dollar per vat, tegenover 100 dollar een maand geleden.

Hoewel de markt inmiddels uitgaat van duidelijk lagere olieprijzen, verwachten wij dat de prijsdaling geleidelijker verloopt dan momenteel wordt ingeprijsd (zie figuur 3). Voor olie verwachten we dat de Brent-prijs na de scherpe stijging eerder dit jaar geleidelijk terugloopt naar 70 dollar. Door het geleidelijke herstel van de energiestromen nemen de verstoringen op de wereldoliemarkt af. Daardoor neemt het beschikbare aanbod naar verwachting weer toe, terwijl de groei van de wereldwijde olievraag geleidelijk afzwakt.

Figuur 3: Olieprijs blijft naar verwachting lang boven 70 dollar per vat

Olieprijs blijft naar verwachting lang boven 70 dollar per vat
Bron: ICE, Macrobond, RaboResearch 2026

Figuur 4: Gasprijs blijft naar verwachting langer hoger dan de markt voorziet

Gasprijs blijft naar verwachting langer hoger dan de markt voorziet
Bron: ICE, Macrobond, RaboResearch 2026

Gasprijs

Ook voor de Europese gasmarkt zijn de vooruitzichten voor de korte termijn verbeterd. Het geleidelijke herstel van de LNG-export vanuit Qatar en de tijdelijk afgenomen LNG-vraag vanuit Azië zorgen ervoor dat de druk op de Europese gasmarkt afneemt. Daardoor hebben we onze verwachting voor de gemiddelde TTF-gasprijs in 2026 verlaagd van 55 naar 46 euro per megawattuur (MWh).

Op korte termijn zorgt dat voor prijzen in de richting van de 40 euro per MWh, maar we verwachten dat de TTF-gasprijs in de tweede helft van dit jaar weer oploopt naar 50 euro per MWh (zie figuur 4). Dit wijkt duidelijk af van de marktverwachting. De vulling van de Europese gasopslagen verloopt momenteel relatief traag (zie figuur 5). Een belangrijke verklaring hiervoor is de beperkte opslagprikkel: het prijsverschil tussen de spotmarkt en de termijnmarkt is klein, waardoor het voor private partijen financieel minder aantrekkelijk is om gasvoorraden op te bouwen (zie figuur 6). Wanneer de vraag naar de winter toe aantrekt, kan dit leiden tot een krappere markt. In combinatie met aanhoudende concurrentie vanuit Azië om LNG-leveringen neemt daarmee het risico op hogere gasprijzen later in het jaar toe.

Figuur 5: Vullen van Europese gasvoorraden gaat traag

Vullen van Europese gasvoorraden gaat traag
Bron: Gas Infrastructure Europa (GIE), Macrobond, RaboResearch 2026

Figuur 6: Weinig financiële prikkels voor private partijen om voorraden te vullen

: Weinig financiële prikkels voor private partijen om voorraden te vullen
Bron: ICE, Macrobond, RaboResearch 2026

Normalisatie gaat trager dan markt verwacht

Van volledige normalisatie in de olie- en gasmarkt is echter nog geen sprake. Naast de verwachte toenemende schaarste aan gas tegen het winterseizoen denken we dat het herstel van de energievoorziening in brede zin meer tijd kost dan de markt momenteel inprijst. Daarom gaan we uit van een geleidelijkere daling van de olie- en gasprijzen dan de huidige marktverwachtingen suggereren. De olie- en gasprijzen blijven daardoor naar verwachting ook na de recente neerwaartse bijstelling hoger dan voor het uitbreken van het conflict. De gevolgen van de oorlog blijven daarmee ook de komende jaren zichtbaar in de energieprijsinflatie.

Goedkopere boodschappen, in ieder geval tijdelijk

Sinds maart 2026 zijn voedingsmiddelen gemiddeld ongeveer 1,5% goedkoper geworden. Als gevolg hiervan is het door het CBS gerapporteerde jaar-op-jaar voedingsinflatiecijfer over juni teruggezakt naar 0,0% en verwachten we voor juli zelfs een marginale deflatie. Dit is met name te danken aan meer en diepere aanbiedingen in de supermarkten.

Deze deflatie zal slechts tijdelijk zijn. De kosten (diesel, verpakkingen, minimumloon, kilometerheffing) lopen voor veel voedingsmiddelenproducenten ondertussen namelijk op. Later dit jaar en vooral in 2027 gaan naar verwachting ook de hogere olie- en gasprijzen een grotere rol spelen. Na het tekenen van de Memorandum of Understanding op 17 juni zijn ze weliswaar flink gedaald, maar vergeleken met het niveau van eind 2025 ligt de verwachte TTF-gasprijs voor volgend jaar toch al snel tientallen procenten hoger.

Op basis van de huidige verwachtingen voor olie- en gasprijzen voorzien we dat de gemiddelde voedingsprijsinflatie dit jaar uitkomt op 1,0%, maar in 2027 kan stijgen tot ruim 5% en in 2028 weer terugzakt naar 1,5%.

Tabel 2: Prijsontwikkeling voedingsmiddelen in Nederlandse supermarkten per 26 juni 2026

Prijsontwikkeling voedingsmiddelen in Nederlandse supermarkten per 26 juni 2026
Opmerking: prijsontwikkeling gebaseerd op schapprijzen, dus exclusief aanbiedingen, in een beperkt aantal full-service supermarkten. Gemeten over producten die in de gehele periode beschikbaar waren. Bron: RaboResearch 2026

Tijdelijke normalisatie kerninflatie, maar opwaartse druk blijft bestaan

In juni daalde de kerninflatie (HICP exclusief energie en voedsel) naar 2,7%, tegen de tijdelijke uitschieter van 3,4% een maand eerder. Vooral de onderliggende diensteninflatie liep terug, van 5,2% naar 3,9%, terwijl de goedereninflatie met 0,7% stabiel bleef.

De detailcijfers over juni zijn bij het verschijnen van deze monitor nog niet beschikbaar, maar waarschijnlijk hangt een belangrijk deel van de daling samen met het moment waarop Pinksteren dit jaar viel. In 2026 viel het Pinksterweekend namelijk volledig in mei, terwijl dit vorig jaar in juni was. Nog los van de impact van de btw-verhoging op logiesprijzen waren de prijzen van onder meer hotels, vakantieparken en andere accommodaties hierdoor in mei hoger dan een jaar eerder, wat leidde tot een tijdelijke uitschieter in de diensten- en daardoor ook kerninflatie (figuur 7). In juni valt dit kalendereffect grotendeels weg.

Figuur 7: Vooral horeca en vervoer werden fors duurder in mei

Vooral horeca en vervoer werden fors duurder in mei
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Deze tijdelijke normalisatie verandert echter weinig aan het onderliggende inflatiebeeld. De cao-lonen stijgen dit jaar naar verwachting gemiddeld met 4,3%, waardoor de loonkosten voor veel bedrijven blijven oplopen, vooral in de dienstensector omdat deze relatief arbeidsintensief is. Daarnaast verwachten we dat de hogere energie- en transportkosten als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten de komende kwartalen geleidelijk worden doorberekend in de prijzen van goederen en uiteindelijk ook diensten. Zoals we eerder hebben laten zien, zit tussen dergelijke kostenstijgingen en de uiteindelijke consumentenprijzen doorgaans meerdere maanden vertraging. Daarom verwachten we dat de kerninflatie de komende kwartalen weer geleidelijk oploopt. Gemiddeld ramen we de kerninflatie op 2,7% in 2026, 3,0% in 2027 en 2,3% in 2028.

Koopkracht verbetert in 2026, daalt minder hard in 2027

Als gevolg van de lagere inflatieverwachtingen hebben we ook de koopkrachtontwikkeling van huishoudens in 2026 en 2027 naar boven bijgesteld. Voor 2026 rekenen we nu op een gemiddelde koopkrachtstijging van 1,2%, tegenover 0,9% in de vorige raming. Voor 2027 verwachten we per saldo een beperkt koopkrachtverlies (figuur 8).

De lonen en prijzen lopen de komende periode naar verwachting vrijwel gelijk op (figuur 9). Daarbij gaan we ervan uit dat vakbonden sneller reageren op veranderingen in de inflatie, waardoor loonafspraken directer aansluiten bij de prijsontwikkeling. Tegelijkertijd werken de hogere energieprijzen met vertraging door in andere onderdelen van het consumptiepakket. Hierdoor blijft de onderliggende inflatiedruk ook volgend jaar nog relatief hoog, waardoor een deel van de koopkrachtwinst uit 2026 in 2027 weer verloren gaat. Desondanks blijft de koopkrachtontwikkeling gunstiger dan we eerder verwachtten.

Figuur 8: Koopkracht neemt met 1,2% naar verwachting toe in 2026

Koopkracht neemt met 1,2% naar verwachting toe in 2026
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Figuur 9: Koopkrachtwinst wordt tenietgedaan door doorwerkingseffecten begin 2027

Koopkrachtwinst wordt tenietgedaan door doorwerkingseffecten begin 2027
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Bijlage 1: Inflatieraming CPI

Bij de officiële inflatieramingen van RaboResearch nemen we de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) als uitgangspunt. Deze maatstaf wordt in heel Europa op dezelfde manier samengesteld, waardoor de HICP bijzonder geschikt is voor internationale vergelijkingen. We publiceren daarnaast ook ramingen voor de consumentenprijsindex (CPI) (zie tabel 3), omdat deze in Nederland een grotere rol speelt in het publieke debat en omdat deze wordt gebruikt bij onder meer de indexatie van huren, pensioenen en contracten.

De CPI en HICP verschillen van elkaar door de manier waarop het consumentenmandje is samengesteld. De HICP telt bijvoorbeeld ook de bestedingen van buitenlandse bezoekers in Nederland mee, terwijl de CPI juist kijkt naar de uitgaven van Nederlanders, ook wanneer deze in het buitenland worden gedaan. Daarnaast verwerkt de CPI de prijsontwikkeling van bepaalde consumptiegebonden belastingen, zoals de motorrijtuigenbelasting, terwijl deze in de HICP buiten beschouwing blijven.

Een ander wezenlijk verschil is de behandeling van het wonen. In de CPI wordt aan huiseigenaren een fictieve huurwaarde toegerekend, zodat het gebruik van de eigen woning als vorm van consumptie wordt meegenomen. Deze fictieve huur beweegt mee met de reguliere huurprijzen. Hierdoor werken huurverhogingen in de CPI ruim twee keer zo zwaar door als in de HICP, waarin dit onderdeel ontbreekt.

Tabel 3: Inflatievoorspellingen CPI

Inflatievoorspellingen CPI
Bron: CBS, RaboResearch 2026

Disclaimer

De informatie en meningen in dit document zijn indicatief en alleen bedoeld voor discussiedoeleinden. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan de in dit document beschreven transacties en/of commerciële ideeën. Dit document is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en mag niet worden opgevat als aanbod, uitnodiging of aanbeveling. Lees verder

Inflatiemonitor juni 2026: lagere energieprijzen temperen de inflatieverwachting - Rabobank