Update
Inflatiemonitor 2026Q3: Hogere energieprijzen houden inflatie hardnekkig hoog
De inflatie (HICP) liep in juli op naar 2,9%, vooral door hogere energieprijzen en duurdere diensten. De aanhoudende geopolitieke onrust in het Midden-Oosten houdt de olie-, gas- en dieselprijzen hoog en werkt via hogere kosten geleidelijk door in de rest van de economie. In deze Inflatiemonitor analyseren we het inflatiecijfer van juli en bespreken we onze verwachtingen voor de komende jaren.

In het kort
Inleiding
De recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de verwachtingen rond het verdere verloop van het conflict zijn direct van invloed op de Nederlandse inflatieontwikkeling. Het conflict heeft namelijk belangrijke implicaties voor het prijsverloop van ruwe olie, gas en andere brandstoffen (onder meer diesel, kerosine). Na een korte bespreking van het meest recente maandelijkse inflatiecijfer, dat van juli, en onze inflatieverwachtingen gaan we daarom uitgebreid in op de verwachte geopolitieke ontwikkelingen.
Daarna gaan we per onderdeel nader in op de belangrijkste onderdelen van de inflatie:
De cijfers en verwachtingen in deze publicatie zijn gebaseerd op de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). In bijlage 1 presenteren we daarnaast onze ramingen voor de nationale consumentenprijsindex (CPI), die onder andere wordt gebruikt voor het indexeren van huren en pensioenen.
Voor een toelichting op onze ramingsmethodiek en een beschrijving van de recent doorgevoerde modelaanpassingen, waaronder de expliciete verwerking van diesel- en kerosineprijzen in de kerninflatieramingen, verwijzen we naar bijlage 2.
Inflatiecijfer juli 2026: 2,9%
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam de inflatie in juli op basis van de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) uit op 2,9% (jaar-op-jaar, zie figuur 1). Dat is 0,1 procentpunt hoger dan we hadden verwacht. De inflatie kent de afgelopen maanden pieken en dalen. In mei steeg de inflatie tijdelijk naar 3,4%, om daarna in juni terug te vallen naar 2,5%. Ook deze terugval blijkt zoals verwacht van voorbijgaande aard. Vooral de prijzen van motorbrandstoffen liepen in juli weer fors op. Hier gaan we verderop in deze monitor uitgebreider op in.
Volgens de nationale consumentenprijsindex (CPI) bedroeg de inflatie in juli 3,1%, eveneens hoger dan in juni (2,9%) en 0,2 procentpunt hoger dan we hadden verwacht. Het verschil met de HICP komt vooral doordat de HICP – anders dan de CPI – geen toegerekende huur voor koopwoningen meeneemt. Wanneer de huurinflatie duidelijk hoger ligt dan de gemiddelde stijging van de consumentenprijzen, zoals momenteel het geval is, ligt de inflatie volgens de CPI hoger dan die volgens de HICP.
Kijkend naar de onderliggende componenten (op basis van de HICP) zien we dat de inflatie over de hele linie dicht bij onze verwachtingen lag. De energie-inflatie kwam uit op 9,8% (verwachting: 9,0%), de voedselprijsinflatie op 0,0% (verwachting: –0,3%) en de kerninflatie op 2,9% (verwachting: 2,9%). Vooral de energieprijsinflatie en de dienstenprijsinflatie leverden een grotere bijdrage aan het inflatiecijfer. De energieprijsinflatie was in juni nog 6,1%, na een eerdere piek van 9,8% in mei – gelijk aan het julicijfer. De prijsstijging van diensten nam toe van 3,9% in juni naar 4,1% in juli. Naar verwachting hangt dit onder meer samen met de doorwerking van de opgelopen brandstofprijzen, waardoor de prijzen van vliegtickets oplopen. De jaarlijkse huurverhoging, die traditioneel in juli plaatsvindt, drukte de diensteninflatie naar verwachting licht ten opzichte van juni. De huren stegen namelijk naar verwachting met 4,3% iets minder sterk dan de 4,9% van vorig jaar.
Figuur 1: Inflatie (HICP) loopt de komende maanden naar verwachting verder op

Inflatieverwachtingen
Sinds de vorige editie van deze monitor hebben we onze inflatieverwachtingen naar boven bijgesteld voor dit en volgend jaar. We verwachten nu dat de HICP-inflatie gemiddeld uitkomt op 2,9% in 2026 (was: 2,6%), 3,4% in 2027 (was: 3,0%) en 1,9% in 2028 (zie tabel 1). De opwaartse bijstelling hangt samen met hogere verwachtingen voor energieprijzen, maar ook met een verdere verfijning van onze ramingsmethodiek (zie Bijlage 2).
De hogere energieprijsverwachtingen werken niet alleen rechtstreeks door in de energie-inflatie, maar ook indirect via andere onderdelen van het consumptiemandje. Dit zien we met name terug in de diensteninflatie, die voor 2026 opwaarts is bijgesteld van 4,0% naar 4,2% en voor 2027 van 4,0% naar 4,6%. Hieraan dragen onder meer hogere gasprijzen, grotere huurstijgingen en de doorwerking van hogere transportkosten bij. Daarnaast maken we in de nieuwste versie van ons inflatiemodel expliciet gebruik van ramingen voor diesel- en kerosineprijzen. Hierdoor kunnen we de indirecte effecten van hogere brandstofkosten op goederen- en dienstenprijzen beter in kaart brengen.
Hoewel de inflatieverwachtingen hoger uitvallen dan een maand geleden, blijft het onderliggende beeld grotendeels ongewijzigd. De energieprijzen liggen naar verwachting de komende jaren duidelijk boven het niveau dat we voor het uitbreken van het conflict in het Midden-Oosten voorzagen. Daardoor blijven hogere energiekosten, zowel direct als indirect, doorwerken in de prijzen die consumenten betalen. In de rest van deze monitor lichten we toe hoe deze effecten doorwerken in de energie-, voedsel- en kerninflatie.
Tabel 1: Inflatievoorspelling HICP

Geopolitieke ontwikkelingen
Sinds de publicatie van ons Conjunctuurbeeld van juli is de situatie in het Midden-Oosten opnieuw ingrijpend veranderd. Het op 17 juni ondertekende Memorandum of Understanding (MoU), dat de basis moest leggen voor duurzame afspraken tussen de VS en Iran, kwam begin juli onder zware druk te staan. Tijdens de NAVO-top in Ankara verklaarde president Trump op 8 juli dat het akkoord wat hem betreft de prullenbak in kon en noemde hij het Iraanse regime ‘tuig’ (scum). Hierop volgde een wekenlange militaire escalatie, met grootschalige Amerikaanse bombardementen op Iran en Iraanse vergeldingsaanvallen op Amerikaanse militaire bases en andere doelen in de Golfregio.
Het oplaaien van het conflict heeft wederom geleid tot een sluiting van de Straat van Hormuz en Iraanse aanvallen op tankers die toch trachtten om de straat te passeren. Dit heeft gezorgd voor een sterke terugval in het aantal verschepingen door de Straat van Hormuz (figuur 2), al blijft het erg lastig om het aantal daadwerkelijke scheepsbewegingen goed in beeld te krijgen. Ook hebben Houthi-rebellen Saudische tankers aangevallen, waardoor alternatieve olieverschepingen via Yanbu en de Rode Zee ook minder veilig zijn geworden. Hoewel de prijs van ruwe olie minder sterk reageerde op het oplaaien van het wapengekletter dan bij de start van het conflict in maart tot en met mei (waarover later meer), liep de prijs van ruwe olie (Brent) niettemin tijdelijk op tot boven de 100 dollar per vat. Ook de prijzen van gas (TTF) en diesel liepen hard op.
Een kortstondige gevechtspauze zorgde vervolgens voor een scherpe neerwaartse reactie van met name de oliemarkt. Ondanks het hervatten van de vijandelijkheden blijft de Brent-prijs ruim onder de piekniveaus van vorige week. Op het moment van schrijven bedraagt de prijs van een vat Brent 88 dollar.
Figuur 2: Scheepsverkeer door de Straat van Hormuz verre van genormaliseerd

Verdere verloop conflict
Het moge duidelijk zijn dat het verdere verloop van het conflict tussen de VS en Iran uiterst onzeker blijft. We onderscheiden momenteel drie scenario's, die wij op dit moment als ongeveer even waarschijnlijk beschouwen.
Energieprijzen
Ondanks een verschuiving van het geopolitieke beeld hebben we onze verwachtingen voor de olie- en gasprijzen slechts beperkt aangepast. Per saldo zijn de verwachte prijsniveaus licht hoger dan in eerdere RaboResearch-ramingen (zie dit rapport en dit rapport). De belangrijkste reden dat we onze paden niet sterk wijzigen, is dat de olieprijs in twee van de drie scenario’s op termijn geleidelijk daalt. Wel verwachten we dat de olie-, gas- en dieselprijzen voorlopig verhoogd blijven en op korte termijn stevig kunnen schommelen tussen opeenvolgende periodes van escalatie en de-escalatie. Daarbij voorzien we voor gas en diesel een langduriger periode van hoge prijzen voordat een duidelijke daling inzet.
Prijzen reageren minder sterk
Opvallend is dat de olieprijzen sinds het uiteenvallen van het Memorandum of Understanding (MoU) begin juli en de daaropvolgende escalatie tussen de VS en Iran veel minder sterk stegen dan tijdens de eerste fase van het conflict in maart, april en mei. Hier zijn verschillende verklaringen voor.
Ten eerste hebben Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) de afgelopen periode alles op alles gezet om de capaciteit te maximaliseren van hun omleiding via respectievelijk Yanbu en Fujairah. Ten tweede zijn er veel ‘clandestiene’ routes die door de Straat van Hormuz worden bevaren, waarbij tankers en schepen hun transponders uit zetten, waardoor ze letterlijk buiten beeld blijven. Ten derde heeft China zijn invoer van ruwe olie sinds april drastisch teruggeschroefd. Volgens Reuters daalde de import van gemiddeld circa 11,5 miljoen naar ongeveer 8 miljoen vaten per dag, een afname van ruim 30%. Daarmee heeft China een belangrijk deel van de mondiale aanbodschok geabsorbeerd door terug te vallen op eerder opgebouwde voorraden. Ten vierde is sprake van een aanzienlijke daling van de olievoorraden wereldwijd (zowel ruwe olie als brandstoffen) om de schok op te vangen. De VS heeft bijvoorbeeld sterk ingeteerd op strategische oliereserves (SPR) om de scherpe randjes van de mondiale oliemarkten eraf te slijpen. Tot slot heeft er een aanzienlijk vraagdestructie naar brandstoffen plaatsgevonden, vooral in Azië.
Tegenover deze mitigerende factoren staat dat de risico's op aanhoudende schaarste en verder dalende voorraden reëel blijven naarmate het conflict langer voortduurt. Daarbij speelt mee dat Houthi-rebellen recent twee Saudische tankers in de Rode Zee zouden hebben aangevallen. Een eventuele verstoring van de Rode Zee-route is overigens minder ontwrichtend dan een blokkade van de Straat van Hormuz. Hoewel supertankers niet door het Suezkanaal kunnen varen, kan olie via de pijpleiding naar Yanbu aan de Rode Zee worden getransporteerd en daar worden overgeslagen op kleinere tankers die wel via het Suezkanaal de Middellandse Zee kunnen bereiken.
Voorspellingen energieprijzen
In onze ramingen gaan we ervan uit dat de prijs van ruwe olie geleidelijk daalt naar gemiddeld circa 70 dollar per vat. Daarmee zitten we iets onder de huidige marktverwachtingen (zie figuur 3). Belangrijk is echter dat de gevolgen van de aanhoudende verstoringen op de energiemarkt waarschijnlijk sterker zichtbaar zijn in de prijzen van aardgas en diesel dan in de prijs van ruwe olie zelf.
Voor aardgas gelden de hierboven beschreven mitigerende factoren namelijk in veel mindere mate. Ongeveer 20% van de mondiale handel in vloeibaar aardgas (LNG) loopt via de Straat van Hormuz. Het tijdelijk sluiten van deze route als gevolg van de recent opgelaaide spanningen zorgde dan ook direct voor een forse stijging van de Europese gasprijs, van iets meer dan 40 euro per megawattuur eind juni naar ongeveer 60 euro per megawattuur. De vraag naar LNG trekt zowel in Azië als in Europa aan, terwijl Europese landen hun gasvoorraden in hoog tempo proberen aan te vullen voorafgaand aan de winter. Dit zet extra opwaartse druk op de gasprijs (zie figuur 4).
Ook de uitzonderlijk hoge dieselprijzen zijn niet uitsluitend het gevolg van hogere olieprijzen. Knelpunten in de mondiale raffinagecapaciteit spelen een belangrijke rol. Door Oekraïense droneaanvallen is een aanzienlijk deel van de Russische raffinagecapaciteit langdurig buiten gebruik geraakt. In combinatie met de verstoringen in het Midden-Oosten heeft dit geleid tot een scherpe stijging van de raffinagemarges en daarmee van de dieselprijs. Hierdoor zijn de prijzen van diesel sterker opgelopen dan op basis van de ontwikkeling van de ruwe olieprijs alleen mag worden verwacht (zie figuur 5).
Figuur 3: Ruwe olieprijs daalt gestaag naar 70 dollar per vat

Figuur 4: Gasprijs naar verwachting tot eind dit jaar ruim boven de 50 euro

Figuur 5: Dieselprijs stijgt scherp en blijft voorlopig hoog

De forse prijsstijgingen die automobilisten eerder dit jaar aan de pomp zagen, lijken op maandbasis niet structureel van aard. Weliswaar is de gemiddelde benzineprijs in juli opgelopen tot 2,32 euro per liter, terwijl diesel gemiddeld 2,23 euro per liter kostte – en beide brandstoffen begin deze week zelfs prijzen van 2,39 euro per liter noteerden – maar per saldo voorzien we na de zomer een geleidelijke daling van de maandgemiddelden. Al sluiten onze ramingen tijdelijke prijspieken niet uit wanneer de spanningen in het Midden-Oosten kortstondig weer oplopen. Voor benzine verwachten we een afname naar 2,18 euro per liter eind 2028 (zie figuur 6), terwijl diesel in dezelfde periode terugloopt naar ongeveer 1,97 euro per liter (zie figuur 7). Daarmee verdwijnen de prijspieken van 2026 geleidelijk uit beeld, maar blijven de brandstofprijzen wel duidelijk hoger dan aan het begin van dit jaar.
Figuur 6: Terugkeer naar benzine onder de 2 euro per liter niet in zicht

Figuur 7: Dieselprijs daalt na zomer voorzichtig, maar blijft historisch hoog

Huurontwikkeling juli 2026: impact op inflatie neemt geleidelijk af
Huren bij zittende huurders worden doorgaans maar één keer per jaar verhoogd, namelijk in juli. Als er een verschil is tussen de huurontwikkeling en de gemiddelde stijging van de consumentenprijzen, heeft de huurontwikkeling daardoor een groot effect op het juli-inflatiecijfer. Dit geldt het sterkst voor de CPI, waarin woninghuren een gewicht hebben van 18,6%. Dit komt doordat de CPI ook rekening houdt met de toegerekende huurwaarde van eigen woningen. In de HICP is het gewicht van woninghuren met 7,7% aanzienlijk lager, doordat daarin alleen de werkelijke woninghuur meetelt.
De overheid stelt jaarlijks de maximale huurstijging vast, waarbij het nieuwe huurbeleid telkens per 1 juli ingaat. Dit huurbeleid heeft een grote invloed op de werkelijke huurstijging, doordat het voor woningcorporaties een belangrijk ijkpunt is en doordat het de mogelijkheden om de huren te verhogen voor zowel sociale als private verhuurders begrenst. De maximale huurverhoging bij woningcorporaties is vanaf dit jaar gebaseerd op de gemiddelde CPI-inflatie uit de voorgaande drie kalenderjaren (bij de huurverhoging per 1 juli 2026 bedraagt het cijfer waarmee is gerekend 3,6%). De totale huursom mag met maximaal dit percentage stijgen, terwijl daar bij zittende huurders 0,5% bij op mag worden geteld. Tot vorig jaar was de maximale huurstijging bij woningcorporaties gebaseerd op alleen de inflatie uit het voorgaande kalenderjaar. In het middenhuursegment mogen de huren bij zittende huurders met maximaal de cao-loonstijging uit het voorgaande kalenderjaar +1% stijgen (6,1%), terwijl de huren in de vrije sector met het minimum van de cao-loonstijging en de CPI-inflatie uit het voorgaande kalenderjaar +1% mogen stijgen (4,4%).
Hoewel de afzonderlijke bijdrage van de huurstijging pas over enkele weken wordt gepubliceerd, gaan we ervan uit dat de gemiddelde huurstijging met 4,3% aanzienlijk lager uitvalt dan de stijging van 4,9% die vorig jaar werd genoteerd (zie figuur 8). Dit drukt de CPI met ongeveer 0,1% en de HICP met minder dan 0,05%.
Figuur 8: Huren volgen inflatie met flinke vertraging en stijgen voorlopig harder dan inflatie

Voedingsmiddelen niet duurder dan vorig jaar
De ene 0% is de andere niet. In zijn snelle raming rapporteerde het CBS dat de prijzen van voedingsmiddelen afgelopen juli even hoog lagen als dezelfde maand een jaar geleden. In juni was dat ook het geval. Maar waar we eind vorige maand nog concludeerden dat de boodschappenprijzen maand-op-maand voor de derde maand op rij waren gedaald, zijn ze in juli met 0,7% gestegen. Het aantal productcategorieën waarin de consumentenprijzen weer iets opveren, nam afgelopen maand ook toe (zie tabel 2).
Tabel 2: Prijsontwikkeling voedingsmiddelen in Nederlandse supermarkten per 31 juli 2026

Dat is niet zo vreemd. In de vakantieperiode zijn consumenten gemiddeld genomen iets minder prijsbewust en draaien supermarkten de aanbiedingenkraan een stukje dicht. Mogelijk zien we ook de eerste effecten van de hogere energieprijzen en de per 1 juli ingevoerde kilometerheffing voor vrachtwagens terug in deze maand-op-maand-prijsstijging.
De echte impact van de hogere energie-, transport en salariskosten verwachten we pas volgend jaar in de consumentenprijzen terug te gaan zien. De prijsonderhandelingen die voor veel productcategorieën in november/december starten, worden naar verwachting gedomineerd door de energieprijzen en de verwachtingen daaromtrent voor 2027.
Gezien alle onzekerheden rondom de Straat van Hormuz, maar voor specifieke productcategorieën ook de impact van een eventueel (super)-El Niño-weerspatroon, valt niet uit te sluiten dat de boodschappenprijzen volgend jaar nog verder oplopen dan we nu verwachten.
Kerninflatie blijft aanhoudend hoog
In juli liep de kerninflatie (HICP exclusief energie en voedsel) op naar 2,9%, een lichte stijging ten opzichte van de 2,7% die in juni werd genoteerd. Ook onderliggend veranderde er weinig. De diensteninflatie liep op van 3,9% naar 4,1%, terwijl de goedereninflatie van 0,7% naar 0,8% steeg. Vooral de aanhoudend hoge diensteninflatie zorgt ervoor dat de kerninflatie naar verwachting ook de komende jaren duidelijk boven de inflatiedoelstelling van de ECB blijft liggen.
De detailcijfers over juli zijn bij het verschijnen van deze monitor nog niet beschikbaar. Prijsstijgingen in de horeca (onder meer door de impact van de btw-verhoging op logiesprijzen), van wonen en van vervoer leverden in juni de grootste bijdrage aan de kerninflatie. Mei was een uitbijter: met name de prijzen van horeca stegen in die maand sterk, wat waarschijnlijk onder meer samenhing met het moment waarop het Pinksterweekend dit jaar viel. Dit effect kwam boven op het effect van de btw-verhoging op logies. Zoals verwacht viel dit kalendereffect in juni weer grotendeels weg. Op detailniveau leverden onder meer de prijsstijgingen van brandstoffen en smeermiddelen, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, vliegtickets, eetgelegenheden, accommodaties en woninghuur in juni een grote bijdrage aan de kerninflatie.
Figuur 9: Vooral horeca, wonen en vervoer werden in juni duurder

Stijgende energie- en grondstoffenprijzen werken met een flinke vertraging door in de lonen en de prijzen van goederen en diensten. De cao-lonen stijgen dit jaar naar verwachting gemiddeld met 4,3%. Hoewel dit percentage lager ligt dan de 5,0% loonstijging van vorig jaar en de 6,1% en 6,6% die in 2023 en 2024 de boeken in gingen, blijven de nominale loonkosten veel harder oplopen dan in de periode voor de energiecrisis. Omdat de loonkosten in de dienstensector een belangrijke kostencomponent vormen, houdt dit de dienstenprijsinflatie hoog. Ook de hogere energie- en transportkosten als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten worden de komende kwartalen naar verwachting geleidelijk doorberekend in de prijzen van goederen en diensten. Daarom verwachten we dat de kerninflatie in de rest van 2026 en in 2027 nog wat verder oploopt. Gemiddeld ramen we de kerninflatie op 2,9% in 2026, 3,4% in 2027 en 2,3% in 2028. De aanhoudend hoge inflatie zet de koopkracht onder druk. Naar verwachting stijgt de koopkracht dit jaar gemiddeld met 0,9%, terwijl deze volgend jaar met 0,4% daalt. Bij die daling spelen ook beleidseffecten een rol.
Bijlage 1: Inflatieraming CPI
(CPI, zie tabel 3), omdat deze in Nederland een grotere rol speelt in het publieke debat en omdat deze wordt gebruikt bij onder meer de indexatie van huren, pensioenen en contracten.
De CPI en HICP verschillen van elkaar door de manier waarop het consumentenmandje is samengesteld. De HICP telt bijvoorbeeld ook de bestedingen van buitenlandse bezoekers in Nederland mee, terwijl de CPI juist kijkt naar de uitgaven van Nederlanders, ook wanneer deze in het buitenland worden gedaan. Daarnaast verwerkt de CPI de prijsontwikkeling van bepaalde consumptiegebonden belastingen, zoals de motorrijtuigenbelasting, terwijl deze in de HICP buiten beschouwing blijven.
Een ander wezenlijk verschil is de behandeling van het wonen. In de CPI wordt aan huiseigenaren een fictieve huurwaarde toegerekend, zodat het gebruik van de eigen woning als vorm van consumptie wordt meegenomen. Deze fictieve huur beweegt mee met de reguliere huurprijzen. Hierdoor werken huurverhogingen in de CPI ruim twee keer zo zwaar door als in de HICP, waarin dit onderdeel ontbreekt.
Tabel 3: Inflatievoorspellingen CPI

Bijlage 2: Update van het inflatiemodel
Inflatie heeft betrekking op de stijging van het gemiddelde prijspeil. Hierbij kan het gaan om allerlei verschillende prijzen. Ondernemers zullen bij inflatie vooral denken aan de kosten voor energieverbruik tijdens het productieproces, invoerprijzen of groothandelsprijzen. In de volksmond heeft inflatie vooral betrekking op een aanhoudende stijging van de consumentenprijzen, en daar kijken we in deze publicatie naar. Om de ontwikkeling van consumentenprijzen te meten, bestaan twee indices: de Nederlandse consumentenprijsindex (CPI) en de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP), waarmee prijzen in de afzonderlijke EU-landen op een vergelijkbare manier worden gemeten. Deze indices zijn gebaseerd op de gewogen prijsontwikkeling van een mandje van producten en diensten dat betrekking heeft op een gemiddeld uitgavenpatroon. In deze publicatie kijken we primair naar de ontwikkeling van de HICP, omdat deze maatstaf centraal staat in de ramingen van RaboResearch en de inflatiemaatstaf is waarop de Europese Centrale Bank zich vooral richt.
Ons inflatieraamwerk (zie figuur A.1) bestaat uit afzonderlijke modellen voor de belangrijkste onderdelen van de consumentenprijsindex: energie, voedsel en kerninflatie. De kerninflatie definiëren we daarbij als de inflatie exclusief energie en voedsel. Binnen de kerninflatie maken we onderscheid tussen industriële goederen en diensten. Deze twee onderdelen worden afzonderlijk geraamd en vormen samen, gewogen naar hun aandeel in het consumptiemandje, de raming voor de kerninflatie. Daarmee kunnen we beter rekening houden met verschillen in de manier waarop kostenstijgingen doorwerken in goederen- en dienstenprijzen.
Het inflatieraamwerk bouwt voort op de methodiek die we uitgebreid hebben beschreven in de technische bijlage van onze Inflatiemonitor van juni 2023. Hieronder lichten we de belangrijkste wijzigingen toe die sindsdien in ons inflatiemodel zijn aangebracht.
Figuur A.1: Inflatieraamwerk

Energieprijzen
De energieprijzen in onze modellen zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de gas-, elektriciteits- en olieprijzen, belastingen op energie en de prijsontwikkeling van motorbrandstoffen. De prijzen op de groothandelsmarkten en onze ramingen van deze prijzen vormen de basis voor de inschatting van wat consumenten uiteindelijk terugzien op hun energierekening en aan de pomp. Om aan te sluiten bij de CBS-methode voor het meten van energieprijzen voor consumenten, houden we rekening met verschillen tussen contracttypen en met de snelheid waarmee veranderingen op groothandelsmarkten doorwerken in consumentenprijzen.
Industriële goederenprijzen
We hebben de raming van industriële goederenprijzen uitgebreid. Naast de bestaande verklarende variabelen, zoals de ontwikkeling van overige energieprijzen en de vertraagde producentenprijsindex (PPI), nemen we nu ook de geraamde dieselprijs expliciet mee. Waar de PPI een brede maatstaf vormt voor kostenontwikkelingen in de industrie, geeft de dieselprijs aanvullende informatie over ontwikkelingen in transport- en distributiekosten. Een stijging van dieselprijzen werkt doorgaans niet onmiddellijk en niet één-op-één door in consumentenprijzen, maar kan via hogere logistieke kosten en hogere productiekosten wel met vertraging zichtbaar worden in de prijzen van industriële goederen.
De industriële goederenprijzen vormen vervolgens, samen met de dienstenprijzen, de basis voor onze raming van de kerninflatie. Hierdoor wordt de indirecte doorwerking van energieprijzen op de kerninflatie explicieter gemodelleerd dan voorheen. Dit is vooral relevant in perioden waarin energie- en brandstofprijzen sterk bewegen, omdat de directe energie-inflatie dan slechts een deel van het totale inflatie-effect laat zien.
Dienstenprijzen
Ook bij de raming van dienstenprijzen houden we rekening met indirecte effecten van energie- en brandstofprijzen. De dienstenprijsindex omvat onder meer vervoersdiensten, horeca, recreatie, financiële diensten, zakelijke dienstverlening en andere diensten. In sommige van deze categorieën spelen brandstofkosten een directe rol, terwijl in andere categorieën de doorwerking vooral indirect verloopt via loonkosten, inkoopkosten en algemene prijsdruk.
Nieuw is dat we onze dieselprijsraming gebruiken om de ontwikkeling van kerosineprijzen te schatten. Diesel en kerosine worden geproduceerd uit vergelijkbare fracties van ruwe olie, waardoor hun prijsontwikkeling vaak sterk samenhangt. De dieselprijs kan daardoor waardevolle informatie bieden over de verwachte ontwikkeling van de kerosineprijzen. De kerosineprijsontwikkeling nemen we vervolgens mee als input voor de raming van de dienstenprijzen, omdat vliegtickets onderdeel zijn van de dienstencomponent van de HICP. Daarmee wordt de invloed van brandstofprijzen op de prijsontwikkeling van luchtvervoer explicieter meegenomen in het inflatieraamwerk. Net als bij industriële goederen kan deze doorwerking vertraagd plaatsvinden en is ze afhankelijk van marktomstandigheden, contractafspraken en de mate waarin bedrijven hogere kosten kunnen doorberekenen aan consumenten.
Kerninflatie
We ramen de kerninflatie op basis van de afzonderlijke ontwikkeling van de industriële goederenprijzen en dienstenprijzen. Beide prijscomponenten kennen een sterk autoregressief karakter: prijsstijgingen werken vaak lang door, mede doordat bedrijven hun prijzen niet continu aanpassen en doordat loon- en kostenontwikkelingen met vertraging in de consumentenprijzen terechtkomen. Ook de ontwikkeling van de huren en de impact van beleid op de huurontwikkeling worden apart meegenomen in de raming van de kerninflatie.
Door de expliciete koppeling tussen dieselprijzen, industriële goederenprijzen, kerosineprijzen en dienstenprijzen wordt de indirecte doorwerking van energieprijsontwikkelingen beter zichtbaar in de kerninflatie. Dit is belangrijk omdat energieprijsschokken niet alleen direct zichtbaar zijn in de energiecomponent van de inflatie, maar ook via transport-, productie- en distributiekosten kunnen doorwerken in de prijzen van goederen en diensten.
Voedselprijzen
De ontwikkeling van de voedselprijzen ramen we op basis van de kostenontwikkeling in de voedselketen. Daarbij spelen onder meer energieprijzen, loonkosten, transportkosten, verpakkingskosten en de ontwikkeling van agrarische grondstoffenprijzen een rol. Net als bij andere onderdelen van de inflatie vindt de doorwerking van deze kosten naar consumentenprijzen doorgaans met vertraging plaats, waardoor veranderingen op grondstoffen- en energiemarkten vaak pas na verloop van tijd zichtbaar worden in de prijzen in de supermarkt.
Lonen en output gap
Naast de energie- en brandstofprijzen blijven ook de lonen en de stand van de conjunctuur belangrijke verklarende variabelen in ons inflatieraamwerk. Cao-lonen reageren doorgaans met vertraging op de ontwikkeling van de inflatie. Hogere lonen leiden vervolgens tot hogere kosten voor bedrijven, vooral in de arbeidsintensieve dienstensectoren, en kunnen zo bijdragen aan een langer aanhoudende kerninflatie. De wisselwerking tussen lonen en prijzen speelt daarom een belangrijke rol in onze inflatieramingen, zeker in perioden waarin de inflatie langere tijd boven het streefpercentage van de ECB ligt.
Ook de zogeheten output gap speelt een rol. De output gap meet het verschil tussen de feitelijke productie van de economie en het niveau dat op langere termijn houdbaar is gegeven de beschikbare productiefactoren en technologie. Wanneer de economie boven haar potentiële niveau opereert, hebben bedrijven meer ruimte om kostenstijgingen door te berekenen in hun prijzen. Een positieve output gap gaat daardoor vaak gepaard met opwaartse druk op prijzen, terwijl een negatieve output gap juist een rem zet op de inflatieontwikkeling.



