Inhoudsopgave
Dit artikel is onderdeel van:
Update
Inflatiemonitor 2026Q2: crisis in het Midden-Oosten nog beperkt zichtbaar in de inflatiecijfers
De inflatie valt dit voorjaar lager uit dan verwacht, ondanks dat de blokkade van de Straat van Hormuz voortduurt en de fors hogere energieprijzen. De directe doorwerking daarvan blijft vooralsnog beperkt, maar bouwt zich wel op onder de oppervlakte. In deze Inflatiemonitor analyseren we het aprilcijfer en lichten we toe hoe hogere energie- en transportkosten de inflatie, koopkracht en prijsontwikkeling in Nederland de komende jaren beïnvloeden.

In het kort
Inleiding: situatie Midden-Oosten heeft sterke impact op Nederlandse inflatie
De spanningen in het Midden-Oosten blijven een zware wissel trekken op de mondiale levering van olie en gas, en de ontwikkeling van de energieprijzen. De gesprekken tussen de Verenigde Staten en Iran over een structurele oplossing zijn vooralsnog vastgelopen. Iran weigert in te stemmen met de kernvoorwaarde van de VS: volledige ontmanteling van het nucleaire programma, inclusief het overdragen van al het verrijkte uranium. President Trump heeft inmiddels aangegeven dat rekening moet worden gehouden met een langdurige blokkade van de Straat van Hormuz. Hiermee lijkt Washington te kiezen voor indirecte druk op het Iraanse regime door de economische inkomsten uit olie-export af te snijden in plaats van directe militaire actie.
Inmiddels is de Straat van Hormuz bijna twee maanden nagenoeg afgesloten voor internationale scheepvaart (zie figuur 1) en gaan we er in ons basisscenario vanuit dat het logistieke knooppunt nog zeker twee tot vier weken dicht blijft. Daarna volgt in onze verwachting een geleidelijke heropening van de Straat.
Figuur 1: Aantal schepen door de Straat van Hormuz

Een volledig herstel van de mondiale olieleveringsketen ligt bovendien niet op korte termijn in het verschiet. Zelfs in een relatief gunstig scenario is normalisatie van de mondiale olie en productstromen vóór eind september onwaarschijnlijk. Het waarborgen van de veiligheid van verscheping door de Straat van Hormuz, onder meer door het opsporen en verwijderen van zeemijnen, is naar verwachting een langdurig en complex proces dat meerdere weken tot zelfs maanden kan duren. Ook na een officiële heropening is het waarschijnlijk dat de scheepvaart slechts mondjesmaat op gang komt, onder meer door aanhoudend hoge verzekeringskosten, blijvende dreiging en terughoudendheid bij reders.
Ook in de productie van aardolie is een snelle terugkeer naar normale niveaus niet aannemelijk. Productie‑ en exportfaciliteiten in het Midden-Oosten vereisen herstel, terwijl het langdurig stilleggen van de productie uit olievelden het risico vergroot op structurele schade aan reservoirs. Dit impliceert dat het effectieve productievermogen ook op middellange termijn onder druk kan blijven staan. Daar komt bij dat logistieke netwerken door het conflict ernstig zijn verstoord: tankers zijn uitgeweken naar andere routes en regio’s, wat na heropening van de Straat van Hormuz kan resulteren in tijdelijke knelpunten in de beschikbare scheepscapaciteit in de Perzische Golf.
Aan de vraagzijde zijn ondertussen aanzienlijke hoeveelheden commerciële en strategische voorraden aangesproken, vooral in Aziatische economieën. Wanneer de handelsstromen zich herstellen, ontstaat extra vraag om deze buffers opnieuw op te bouwen. Dit zal de markt onder spanning houden, ook na hervatting van het scheepsverkeer door de Straat van Hormuz. In combinatie met onzekerheid over de omvang en duurzaamheid van de schade aan productiecapaciteit wijst dit op een aanhoudend klimaat van verhoogde fricties, forse volatiliteit en een verhoogde risico‑opslag, zowel voor ruwe olie als voor geraffineerde producten.
Wij gaan er daarom van uit dat de olie‑ en gasprijzen tot tenminste september verhoogd blijven, waarna pas geleidelijk enige verlichting kan optreden. Een energieprijsschok vertaalt zich met vertraging in bredere prijsstijgingen voor praktisch alle goederen en diensten die we kopen. Daarmee zijn de ontwikkelingen in het Midden-Oosten van grote betekenis voor onze inflatieramingen. In deze monitor staan we verder stil bij risico’s op knelpunten in Nederland in de levering van specifieke brandstoffen als gevolg van de sterk verminderde aanvoer van ruwe olie en olieproducten uit de Perzische Golf. Hierbij doelen we op vooral op de levering van diesel, benzine, vliegtuigkerosine en stookolie (voor scheepvaart).
Verder staan we in deze inflatiemonitor stil bij het meest recente maandelijkse inflatiecijfer, dat van april, en onze verwachtingen voor de komende jaren. Ook bespreken we de belangrijkste onderdelen van de inflatie:
De cijfers en verwachtingen in deze publicatie zijn gebaseerd op de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). In bijlage 1 presenteren we daarnaast onze ramingen voor de nationale consumentenprijsindex (CPI), die onder andere wordt gebruikt voor het indexeren van huren en pensioenen. Voor een toelichting op onze ramingsmethodiek verwijzen we naar de bijlage bij een eerdere editie van deze monitor.
Inflatiecijfer april 2026: 2,5%
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam de inflatie in april op basis van de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) uit op 2,5%. Consumentenprijzen lagen hiermee gemiddeld 2,5% hoger dan in april 2025. Dat is aanzienlijk lager dan de 2,9% die we hadden verwacht. De inflatie in april is zelfs een fractie lager dan in maart, toen zij 2,6% bedroeg. Dat is des te opmerkelijker omdat het conflict in het Midden-Oosten juist langer lijkt te duren dan waar we eerder van uitgingen. Hier staat tegenover dat de gasprijzen zich in april juist een stuk gematigder hebben ontwikkeld dan we eerder hadden voorspeld (zie verderop in deze monitor). Volgens de nationale consumentenprijsindex (CPI) bedroeg de inflatie in april 2,8%, een fractie hoger dan het maartcijfer van 2,7%. Het verschil met de HICP komt vooral doordat de HICP – anders dan de CPI – geen toegerekende huur voor woningeigenaren meeneemt.
Kijkend naar de onderliggende componenten zaten we met onze voorspelling op de meeste componenten wat te hoog. De energieprijsinflatie kwam uit op 8,0% (verwachting 9,9%), voedselprijsinflatie op 1,5% (verwachting 1,8%) en de kerninflatie op 2,1% (verwachting 2,4%). Binnen de kerninflatie was vooral de diensteninflatie met 3,2% een stuk gematigder dan verwacht (3,7%), ondanks aanhoudende opwaartse loondruk (4,6% j/j in maart).
Figuur 2: Inflatie (HICP) kwam in april 2026 uit op 2,5%

Inflatieverwachtingen
Vooruitkijkend verwachten we dat het gemiddelde inflatiecijfer (HICP) in 2026 uitkomt op 2,8%, in 2027 op 3,3% en in 2028 op 2,1%. Zie tabel 1 voor een volledig overzicht, inclusief de componenten waaruit het zogeheten headline-cijfer is opgebouwd. In het restant van deze monitor volgt per categorie een uitgebreidere toelichting op het aprilcijfer en onze verwachtingen voor de komende periode.
Tabel 1: Inflatievoorspelling HICP

Olie- en gasprijzen: aangepaste baseline, beperkte doorwerking
Zoals we in de inleiding hebben aangegeven, verwachten we dat het conflict in het Midden-Oosten ook de komende tijd zorgt voor hogere mondiale olie- en gasprijzen. Waar we eerder uitgingen van een de escalatie in de tweede helft van april, veronderstellen we nu dat de Straat van Hormuz nog twee tot vier weken langer gesloten blijft. Dit impliceert dat de energiestromen pas tegen het einde van de zomer geleidelijk kunnen herstellen, met op zijn vroegst eind september een vorm van normalisatie van de energieleveringsketen.
Tegen deze achtergrond hebben we onze prijsverwachtingen voor olie en gas ten opzichte van ons vorige basispad van eind maart echter licht naar beneden bijgesteld. Dat is op het eerste gezicht contra intuïtief, maar weerspiegelt vooral de recente prijsdynamiek op olie- en gasmarkten. Hierdoor zijn onze verwachtingen voor Europese gasprijzen voor de komende maanden verlaagd van circa 60 euro naar gemiddeld 50 euro per megawattuur, al blijft onze voorspelling nog wat hoger dan wat de markten momenteel inprijzen. Markten nemen negatieve ontwikkelingen in de fysieke markt slechts beperkt mee. Een belangrijk voorbeeld is de schade aan de LNG productielocatie Ras Laffan, waardoor naar schatting circa 17% van de Qatarese LNG export langdurig wegvalt, zonder dat dit zich duidelijk heeft vertaald in hogere forwardprijzen.
Onze energie-analisten signaleren bovendien een groeiende discrepantie tussen de prijsstelling in forwardcontracten en de werkelijke prijzen op de fysieke markt. Met name lokaal kunnen deze verschillen sterk oplopen, omdat in financiële contracten onvoldoende rekening wordt gehouden met het risico dat olie en gas simpelweg niet of slechts vertraagd kunnen worden geleverd (zie de analyse van mogelijke fysieke tekorten verderop in deze inflatiemonitor).
Voor olie blijven de vooruitzichten daarmee vooral bepaald door tijdelijke fysieke krapte, gevolgd door een geleidelijke afzwakking van de vraag. We verwachten dat de Brent prijs piekt in het voorjaar van 2026 tot ruim boven de 100 dollar per vat (let op: hierbij gaat het om maandgemiddelden, niet om dagkoersen), om later in het jaar terug te zakken in de richting van de 90 dollar (zie figuur 3). Op de gasmarkt zien we zelfs een lichte neerwaartse bijstelling van de kortetermijnverwachting. De sterke terugval in de LNG vraag in Azië heeft de concurrentie om beschikbare volumes tijdelijk verminderd, waardoor de druk op de Europese markt afneemt. Dit effect weegt momenteel zwaarder dan de aanhoudende geopolitieke risico’s en de lage Europese gasvoorraden, wat leidt tot een verlaging van de TTF prijsverwachting voor het tweede kwartaal van 2026 naar gemiddeld 50 euro per MWh (zie figuur 4).
Figuur 3: Olieprijzen blijven voorlopig nog boven de 100 dollar per vat

Figuur 4: Gasprijzen liggen stabiel iets lager dan 50 euro per megawattuur

Prijzen aan de pomp
Hogere olieprijzen werken bijna direct door in een hogere lokale benzineprijs. De gemiddelde literprijs voor benzine is in april 2026 opgelopen naar 2,32 euro, duidelijk hoger dan begin dit jaar en ruim boven de gemiddelde prijs van 1,92 euro per liter in 2025 (zie figuur 5). In mei piekt de benzineprijs verder, tot ongeveer 2,45 euro per liter[1], in lijn met de tijdelijke piek in de Brent olieprijs van boven de 110 dollar per vat.
Daarna stabiliseert de benzineprijs en zakt deze geleidelijk terug. In de tweede helft van 2026 daalt de literprijs naar ongeveer 2,22 euro, en in 2027 en 2028 zet een verdere, zij het trage daling in naar net boven de 2 euro per liter. Daarmee blijft de benzineprijs structureel hoger dan in de periode vóór 2022, maar duidelijk onder de piekniveaus die eerder werden bereikt.
Bij diesel is de doorwerking van olie‑ en raffinagemarkten momenteel uitzonderlijk volatiel, mede door krappe productvoorraden wereldwijd. Hierdoor kunnen we op dit moment geen betrouwbare inschatting maken van het verdere verloop van de dieselprijs aan de pomp.
[1] Voor de benzineprijs in onze inflatiecijfers gebruiken wij de gewogen gemiddelde dagprijs zoals gepubliceerd door het CBS. Deze wijkt af van de landelijke adviesprijs die doorgaans in de media wordt gerapporteerd; die adviesprijs ligt doorgaans hoger.
Figuur 5: Prijs liter benzine blijft verhoogd, met piek in voorjaar 2026

Figuur 6: Prijs nieuwe energiecontracten piekt in voorjaar 2026, maar blijft onder energiecrisisniveau

Energierekening huishoudens
De energierekening voor nieuw af te sluiten contracten laat in het nieuwe basispad een gematigder beeld zien dan in onze eerdere berekeningen, ondanks de aanhoudende geopolitieke onzekerheid. In april 2026 komt het maandbedrag voor een gemiddeld huishouden uit op ongeveer 234 euro (zie figuur 6). In de daaropvolgende maanden loopt dit op tot een piek van ongeveer 240 à 245 euro in mei en juni, waarna de energierekening geleidelijk daalt.
Deze relatief beperkte stijging houdt direct verband met het verwachte verloop van de gasprijzen: hoewel de aanbodrisico’s toenemen door de langere verstoring rond Hormuz en schade aan LNG infrastructuur, wordt dit voorlopig gecompenseerd door zwakke mondiale vraag, met name vanuit Azië. Daardoor blijft een verdere stijging van contractprijzen voor huishoudens voorlopig beperkt.
Na de zomer van 2026 daalt de gemiddelde energierekening weer richting ongeveer 230 euro per maand, en in de jaren daarna zet een verdere, geleidelijke afname in die iets boven de 200 euro uitkomt. Daarmee blijft de energierekening duidelijk lager dan tijdens de energiecrisis van 2022, toen maandbedragen van boven de 500 euro geen uitzondering waren, maar wel structureel hoger dan in de jaren vóór de Iran-oorlog. Voor huishoudens betekent dit dat energie‑uitgaven naar verwachting wel een groter deel uitmaken van het totale besteedbaar inkomen, ook zonder een extreem ontwrichtend energiescenario.
Zijn brandstoftekorten een reëel risico?
Nu de aanvoer van olie en olieproducten in Azië en Oceanië voor steeds meer knelpunten zorgt in de economie, dringt de vraag zich op of we deze knelpunten ook in Europa kunnen verwachten. In een binnenkort te verschijnen studie hebben we deze vraag voor Nederland (en Europa) geanalyseerd, waarbij we kijken naar de levering en productie van geraffineerde olieproducten, zoals benzine, diesel, stookolie en kerosine. Daartoe gebruiken we oliebalansdata gecombineerd met handelsdata voor ruwe olie en olieproducten.
Uit de voorlopige eerste resultaten blijkt dat de kans op knelpunten in de toelevering van diesel en benzine in Europa zeer beperkt is. Dit komt door de combinatie van grote voorraden aan olie en geraffineerde producten, de relatief omvangrijke raffinagecapaciteit en de beperkte afhankelijkheid van levering van ruwe olie en olieproducten uit het Midden-Oosten. Voor kerosine en stookolie is het risico op knelpunten iets hoger, maar onvergelijkbaar met de situatie in landen zoals Thailand, Australië en Japan.
Voedingsprijzen maken pas op de plaats, voor nu
Uit de voedselprijsinflatie van april blijkt nog geen direct effect van de hoge energieprijzen en de geopolitieke onrust. De voedselprijsinflatie kwam in april uit op 1,5%, lager dan zowel onze verwachting van 1,8% als het inflatiecijfer in maart (1,9%). Deze gematigde prijsstijging hangt deels samen met het ruime aanbod aan promoties in supermarkten in de afgelopen weken. Dergelijke actiecampagnes worden doorgaans ruim van tevoren gepland, waardoor de oorlog in Iran en de sluiting van de Straat van Hormuz hierop geen invloed hebben gehad.
Tabel 2: Prijsontwikkeling voedingsmiddelen in Nederlandse supermarkten per 30 april 2026

Dat wil niet zeggen dat het conflict geen impact zal hebben op de voedselprijzen. Door termijncontracten, teeltduur en bestaande voorraden duurt het naar verwachting nog maanden voordat hoge energie- en kunstmestprijzen tot uiting komen in de inkoopkosten. Uiteindelijk zullen deze hogere kosten, na naar verwachting fikse prijsonderhandelingen, vanaf de kerstperiode tot duidelijk hogere boodschappenprijzen leiden.
Hoewel we de piek in de voedselprijsinflatie pas begin 2027 verwachten, rekenen we ook in de komende maanden al op een geleidelijke stijging. Een belangrijke factor daarbij is de fors hogere dieselprijs: veel transporteurs hebben contractueel vastgelegd dat stijgende dieselkosten direct mogen worden doorbelast aan afnemers. Bovendien wordt vanaf 1 juli de vrachtwagenheffing ingevoerd, wat eveneens tot hogere transportkosten leidt. Momenteel lopen ook de prijzen van verpakkingsmaterialen al op. Deze kostenstijgingen worden vooralsnog grotendeels geabsorbeerd in de keten. Maar met de lage marges in de keten zit daar wel een limiet aan, dus we verwachten dat deze kostenstijgingen vanaf deze zomer ook (deels) doorsijpelen in de consumentenprijzen.
Kerninflatie reageert traag op energieprijzen, piek pas in 2027
De onderliggende inflatiecomponenten laten zien dat de opwaartse druk voorlopig beperkt is. Zo kwam de diensteninflatie in april uit op 3,2%, lager dan de 3,5% in maart en duidelijk onder de 4,2% in februari. Loonkosten spelen bij diensten een belangrijke rol. In maart bedroeg de loonstijging 4,6% en voor heel 2026 verwachten we een loonstijging van gemiddeld 4,2% (zie de volgende sectie voor een uitgebreide toelichting). Omdat bedrijven deze hogere loonkosten blijven doorberekenen, verwachten we dat de diensteninflatie de komende maanden weer wat oploopt.
In een eerdere studie over de doorwerking van de oorlog in het Midden Oosten op consumentenprijzen lieten we zien dat hogere energie en transportkosten doorgaans pas na enkele maanden zichtbaar worden in de prijzen van goederen en diensten binnen de kerninflatie. Tegen deze achtergrond verwachten we dat de goedereninflatie, die momenteel nog laag ligt (0,3% jaar-op-jaar), oploopt van 0,2% gemiddeld dit jaar naar 1,3% volgend jaar.
De kerninflatie wordt bepaald door de gezamenlijke ontwikkeling van diensten en goedereninflatie. Hoewel beide componenten momenteel nog gematigd bijdragen, verwachten we dat de kerninflatie in de loop van de komende maanden geleidelijk oploopt naarmate hogere kosten als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten breder worden doorberekend. Daardoor bereikt de kerninflatie pas in 2027 haar piek, en stijgt deze met gemiddeld 2,4% in 2026 en 3,1% in 2027.
Omdat de detailcijfers voor april op het moment van publicatie nog niet beschikbaar zijn, kijken we naar de cijfers van maart om een beeld te krijgen van de prijsontwikkeling op productniveau (zie figuur 7). In de horeca daalde de jaar op jaar prijsstijging licht, van 5,5% in februari naar 5,2% in maart. De prijzen van stoffering en huishoudelijke apparaten (onder andere meubels en vaatwassers) daalden zelfs met 0,6%. Kleding en schoenen werden daarentegen duurder: de prijzen lagen in maart 1,3% hoger dan een jaar eerder, tegenover een stijging van 0,8% in februari.
Figuur 7: Effecten sluiting straat van Hormuz pas op een later moment zichtbaar in kerninflatie

Opvallend is dat vervoer (de aankoop van voertuigen en vervoersdiensten) in maart een kleinere bijdrage leverde aan de kerninflatie dan een maand eerder. Ook binnen deze categorie waren geen duidelijke prijsstijgingen zichtbaar (zie tabel 3). Taxivervoer werd wel iets duurder, met een stijging van 0,5% ten opzichte van februari. De prijzen voor bus- en treinvervoer bleven onveranderd, omdat deze doorgaans op vaste momenten in het jaar worden aangepast. Opmerkelijk is verder dat in maart vliegtickets in prijs zijn gedaald, zowel ten opzichte van februari als ten opzichte van een jaar eerder, terwijl dit juist een dienst is waarvoor de doorwerking van hogere energieprijzen relatief groot is. Waarschijnlijk komt dit doordat het merendeel van de tickets voor maart al in eerdere maanden is gekocht, nog vóór het uitbreken van de oorlog in Iran. Daarnaast kan de timing van de krokusvakantie een rol spelen: die viel dit jaar eind februari, terwijl die vorig jaar grotendeels in maart plaatsvond.
Tabel 3: Prijsstijgingen vervoersdiensten maart

Koopkracht daalt in 2027 door conflict Midden-Oosten en lastenverzwaringen
De hogere inflatie zet opwaartse druk op de looneisen van vakbonden, waardoor de cao loonstijging naar verwachting langer hoog blijft. We voorzien een loonstijging van 4,3% dit jaar en 4,0% volgend jaar, al blijft deze lager ten opzichte van de stijging van 5,0% in 2025 en van 6,6% in 2024. De loonontwikkeling heeft pas begin dit jaar de forse prijsstijgingen gecompenseerd die zich sinds 2022 hebben opgebouwd (zie figuur 8). Doordat de lonen volgens onze raming sneller blijven stijgen dan de inflatie, verwachten we dat onder de streep sprake zal zijn van een lichte stijging van de reële lonen, ondanks de hogere energieprijzen als gevolg van het conflict in het Midden Oosten.
Desondanks daalt de koopkracht in 2027. Dit komt doordat naast de hoge inflatie ook lastenverzwaringen uit het coalitieakkoord de koopkracht aantasten. Onder deze lastenverzwaringen vallen onder meer de hogere tarieven in de eerste en tweede schijf van box 1, het beperkt indexeren van schijfgrenzen, heffingskortingen en aftrekposten, en de verhoging van het eigen risico van de zorgverzekering.
Figuur 8: Loonniveau blijft boven prijsniveau

Figuur 9: Toch daalt de koopkracht

Bijlage 1: Inflatieraming CPI
Bij de officiële inflatieramingen van RaboResearch nemen we de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) als uitgangspunt. Deze maatstaf wordt in heel Europa op dezelfde manier samengesteld, waardoor de HICP bijzonder geschikt is voor internationale vergelijkingen. We publiceren daarnaast ook ramingen voor de consumentenprijsindex (CPI) (zie tabel 5), omdat deze in Nederland een grotere rol speelt in het publieke debat en omdat deze wordt gebruikt bij onder meer de indexatie van huren, pensioenen en contracten.
De CPI en HICP verschillen van elkaar door de manier waarop het consumentenmandje is samengesteld. De HICP telt bijvoorbeeld ook de bestedingen van buitenlandse bezoekers in Nederland mee, terwijl de CPI juist kijkt naar de uitgaven van Nederlanders, ook wanneer deze in het buitenland worden gedaan. Daarnaast verwerkt de CPI de prijsontwikkeling van bepaalde consumptiegebonden belastingen, zoals de motorrijtuigenbelasting, terwijl deze in de HICP buiten beschouwing blijven.
Een ander wezenlijk verschil is de behandeling van het wonen. In de CPI wordt aan huiseigenaren een fictieve huurwaarde toegerekend, zodat het gebruik van de eigen woning als vorm van consumptie wordt meegenomen. Deze fictieve huur beweegt mee met de reguliere huurprijzen. Hierdoor werken huurverhogingen in de CPI ruim twee keer zo zwaar door als in de HICP, waarin dit onderdeel ontbreekt.
Tabel 4: Inflatievoorspellingen CPI












